Evangelieprediking aan de joden (1)

1986-09-05
  • Jaargang 30
  • nummer 34
Wie heeft het in de afgelopen tijd niet in de etalage zien liggen: het boekje van drs Ronny Naftaniel en dr Simon Schoon, getiteld: 'De zaak Goeree', met daaronder een afbeelding van het echtpaar, omgeven door een stofwolk die zij kennelijk zelf hebben opgeworpen?
Opde achterkant lezen we dat het de auteurs meer om 'de zaak' dan om het echtpaar gaat. ik wil dat wel van hen aannemen, maar vraag me toch af of het nu wel zo nodigwas een foto van deze mensen op het omslag te plaatsen. Zou daarvoor nu echt hun toestemming gevraagd en gekregen zijn? Ik weet dat de Goeree's zelf de publiciteit niet schuwen, om het maar zacht te zeggen. Toch zou het kunnen zijn dat zij onvoldoende beseffen welke schade zij daarmee aan zichzelf toebrengen. Om die reden alleen al zou het goed zijn hen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Daarbij komt nog dat de zaak zelf ook niet gediend is met een sfeer van 'apies kijken'.

Maar in deze minder belangrijke dingen zullen we niet blijven hangen bij de bespreking van het bedoelde boek. De achterflap stelt evenzo en meer terecht dat er in het christelijk denken naar aanleiding van deze zaak een herbezinning over joden op gang is gekomen.
Vooral daarnaar gaat onze belangstelling uit. Het woord 'herbezinning' lijkt me trouwens in verband met dit 'boek niet al te goed gekozen. Dit koele woord past niet bij de verhitte commentaren die het optreden van de Goeree's heeft uitgelokt en waarvan ons hier verslag wordt geboden. Ik geef van deze oververhitting een paar voorbeelden. Van dr S. Schoon lezen we op p. 38 tot tweemaal toe dat hij de opvattingen van het evangelistenechtpaar 'vuilnis' vindt. Op p. 39 scheldt hij die overtuigingen 'voor 'Godgeklaagde blasfemie' waar de meeste christenen 'kotsmisselijk' van worden. Dat zijn uitlatingen die aangeven dat niet alle religieuze minderheden bij dr Schoon even veilig zijn. Op p. 40 spreekt hij in dit verband nog over 'twintig eeuwen antisemitisme' waar nu maar eens een eind aan moet komen. Weliswaar nuanceert Schoon dit op p. 51 waar hij zegt: "Misschien is het wel niet regelrecht antisemitisme, het is op z'n minst anti-judaïsme en dat kan de bedding zijn van, antisemitisme", maar vergelijking van beide uitlatingen toont aan hoe gemakkelijk men doordraaft van vermoedens naar stelligheid. 'Twintig eeuwen antisemitisme', dr. Schoon zou eens moeten bedenken dat hij met deze typering van de kerkgeschiedenis in een andere tijd en bij een ander klimaat zèlf een aanklacht wegens laster geriskeerd zou hebben. Er had alsdan een boekje kunnen verschijnen: 'De zaak dr Schoon', - met foto en al. Het feit dat vandaag de dag een kerkendienaar een dergelijke enormiteit ongestraft (ik denk nu niet aan een wereldlijk vonnis maar aan de kerkelijke tucht) kan zeggen laat zien in wat voor diepe identiteitscrisis 'de christelijke gemeente terecht gekomen' is.

Een ander blijk van oververhitting geeft de hoofdredacteur van het weekblad De Tijd die het op p. 86 over de 'theologische wartaal' van de Goeree's heeft. Even eerder zegt hij (dr. Schoon doet dat trouwens ook) dat deze twee treurigstemmende selfmade predikanten alleen maar verkondigen wat vrijwel alle christelijke kerken, de katholieke kerk voorop, eeuwenlang hebben verkondigd". De christelijke kerk heeft dus, zo mogen we constateren, in haar verhouding tot de synagoge tot voor kort bij wartaal geleefd. Dit is wel geen laster, maar het Munt toch niet uit door waarschijnlijkheid.

Een derde voorbeeld van te emotioneel reageren vond ik op p. 42 waar een joodse mevrouw; Mevr. Eva Furth, een overleven de. van Auschwitz die als bestuurslid van het Nederlands "...Als je hun redenering even doortrekt, betekent het dat ik, als overlevende, schul-Auschwitz Comité in de rechtszaal bij het kort geding tegen de Góeree's aanwezig was, zegt: ik ben schuldig aan de uitroeiing van mijn eigen familie". Hoe begrijpelijk de gevoelsmatige woorden van deze zijde ook zijn, de redenering deugt toch niet. Een voorbeeld ter illustratie: wanneer ik een natuurramp, bijvoorbeeld een watersnood, analyseer en ik constateer dat de getroffen bevolking te weinig geld voor de veiligheidsvoorzieningen heeft overgehad, dan kan men dit niet zo doortrekken dat ik hiermee de overlevenden die in hun naaste kring slachtoffers te betreuren hebben, beschuldig de hand te hebben gehad in de dood van hun eigen familie. Dat is een kortsluiting. Men zou, als dat waar was, wel moeten afzien van elk analyseren van rampen, om redenen van gevoeligheid.

In dit verband is het goed naar de Goeree's zelf te luisteren. De heer Goeree zegt in een gesprek met Marcel Bos op p. 47: "We willen de joden waarschuwen voor de dreigende' vernietiging als ze zich niet bekeren. Ik heb niet eenmaal gezegd dat de joden de schuld hebben van de Holocaust, en ze schrijven het allemaal... " Even verderop maakt hij dan verschil tussen de schuld van de Holocaust en de Holocaust als gevolg van het ongeloof der joden. Moet dat verschil inderdaad niet in acht genomen worden? Ik kom te vaak een vergrovende weergave tegen van het standpunt van de Goeree's. Zelfs bij een bezonnen iemand als dr. Spijkerboer is dat het geval (p.82: "...wanneer ze na Auschwitz de joden 'Eigen schuld!' toeroepen..."). Het is waar dat de Goeree's zelf de grofheid niet uit de weg gaan, maar dat ontslaat ons niet van de plicht om nauwkeurig' te zoeken naar hun bedoelingen. Mede ook omdat zij, historisch gesproken, helemaal niet zo alleen staan.

Het valt nog niet eens mee om precies te zeggen wat de. Goeree's fout doen. Voor hun eigenlijke boodschap kunnen zij zich op de Schrift beroepen. Ik denk daarbij niet in de eerste plaats aan het bekende woord dat ons in Mattheüs 27 : 25 is overgeleverd: "En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen", een tekst waar ik het verderop nog over wil 'hebben.
Duidelijker is voor mij wat Petrus na Pinksteren tegen de joden zegt als hij het over Jezus' dood heeft: “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij u. de Christus, die. voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende..." (Handelingen 3: 19 e.v.). En met deze boodschap staat Petrus in het Nieuwe Testament bepaald niet alleen. Toch irriteren de Goeree's met hun boodschap,Waarom.? Omdat wij als christenen het recht verspeeld zouden hebben zulke dingen tegen de joden te zeggen? Ik denk dat wij strikt genomen dat recht nooit gehad hebben, Het gaat bij evangelieprediking niet om een religieusmoreel recht maar om een plicht. Ik vermag niet in te zien dat deze opdracht naar de joden toe sinds' 'Auschwitz' van de Goeree's is stuitend door hun gebrek aan ootmoed en solidariteit met de joden. Zij doen net alsof alleen het joodse volk in onze eeuw met. Gods oordelen te maken heeft gekregen. Terwijl wij christenen er toch zelf middenin zitten. Wat dacht u van de ramp: van de geloofsafval waardoor miljoenen en nog eens miljoenen in ons werelddeel van kerk en evangelie vervreemd zijn geraakt? Zoals het joodse volk door 'Auschwitz' bijna vernietigd is, zo wordt het westerse christendom. gedecimeerd onder het oordeel van de secularisatie.
En geestelijk gesproken is het laatste nog erger dan het eerste. Tot christelijke woordvoerders die niet uitgesproken raken over het leed dat het Joodse volk in onze tijd is overkomen, zou ik daarom willen zeggen: laten we liever eens over onszelf en over onze kinderen wenen (vgl. Lukas 23: 28).
God straft ook ons omdat wij wereldsgezind zijn .geworden en aan de Christus voorbij hebben geleefd. Wanneer dit maar tot ons zou doordringen en wanneer in reactie daarop een geest van verootmoediging over ons vaardig zou worden, wel dan zou' er alle reden zijn om ook het joodse volk in de oproep daartoe te betrekken. Opdat ook over hen, zoals over ons, tijden van verademing mogen komen. Daar zijn wij beiden wel aan toe. Beiden moeten wij naar Christus toe, zij voor het eerst en wij bij vernieuwing. Het is deze benadering die ik bij de Goeree's (teveel) mis.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief