Bijdrage tot het denken over "de plaats van de vrouw in de gemeente"
1986-09-05
In de discussie rondom' de kwestie aangaande "de plaats van de vrouivin de Gemeente" heeft vooral (niet uitsluitend) de nadruk gelegen op exegetische zaken. In mijn bijdrage wil ik aandacht vragen voor normen en vormen van samenleven. De christelijke Gemeente is immers vooral ook samenlevingsverband. Daarbij zullen de volgende noties aan de orde (moeten) komen: de zinsamenhang van het geschapene, de relatie individu-samenlevingsverband, de christelijke Gemeente als samenlevingsvoorbeeld, de spanning tussen "conventie" en "cultuuropdracht", de praktische vulling van termen als taak en ambt, de relatie christelijk gezin en christelijke Gemeente.- Jaargang 30
- nummer 34
Ik kies voor een essayistische aanpak. Bij mijn benadering maak ik dankbaar gebruik van resultaten van reformatorisch denken.
Het begin
Laten we beginnen bij het begin. God schiep de kosmos door het Woord (Joh. 1). Het geschapene is "talig" van karakter. Het is aangelegd op antwoorden. De Schrift leert ons, dat God Liefde is. Liefde niet als extrinsiek Kenmerk van Zijn activiteit. Liefde als intrinsiek zó zijn. De schepping is uiting van Gods Liefde, Daarom was. alles ook 'zeer goed de geschapenheden, de structuren, de wetten. En de normen die het goede of het kwade antwoord van de mens, "het hoofd" van de schepping, mogelijk maakten. In dat antwoorden, in die communicatie, in de relatie tussen God en het geschapene in samenhang was de Zin gelegen. Een Zinsamenhang. Heelheid van bestaan. Of, om een dogmatisch geladen term te gebruiken: Verbondseenheid.
Rangorde
De mens is 'geschapen tot "hoofd" van de schepping, leert ons de Schrift. Daarin komt een rangorde tot uitdrukking. De mens is de dirigent in de kosmische Amensymfonie, Als er niet meer wordt gedirigeerd, houdt de muziek open zet een "zuchten" in (Rom. 8 : 22).
Rangorde komen we in diverse "sferen" tegen. Het is evident dat ze een van de condities vormt die het goede functioneren behoeft. Voor onze problematiek is de rangorde binnen het huwelijk het meest' relevant. Uit de Schrift blijkt ons dat in het basisverband van alle samenleven, het huwelijk, terwille van het 'goede' functioneren, ook vaneen rangorde sprake is: de man "het hoofd" van de vrouw. Onze goede Schepper kennende,' weten wij dat dit geen willekeur kan zijn" geen depreciatie van het schepsel vrouw, maar wijs beleid is. De rangorde heeft met taakvervulling te maken. De taak correspondeert, vanzelfsprekend, met de aard. De eigen aard verloochent zich ook in andere samenlevingssituaties niet, en dat werkt completerend, heelmakend, ook pluriformerend, door. Maar de eigen aard is in die àndere situaties niet zomaar oorzaak van rangorde. Juist niet! Immers die rangorde behoort bij de specifieke relatie van die ene man en die ene vrouw, In de huwelijksrelatie alleen krijgt dàt aspect van eigenaard een specifieke bestemming en dus effectuering. Het huwelijk is "moeder"-verband van het gezin, daarom zet zich dezelfde rangorde daarin (met een aangepaste vulling) voort.
Omdat dn minder ontsloten samenlevingsvormen zoals we die onder andere in de Bijbel, en dan met name in het Oude Testament tegenkomen, het gezin. vaak deel uitmaakt van een groter familieverband; omdat, bovendien het gezin of het familleverband ook een economische eenheid vormde, was het een vanzelfsprekende (en "creatuurlijk" gezien ook een te verdedigen) zaak dat de man "het hoofd" was. Bij een grotere uitbreiding ontstond het instituut van de "oudsten".
Samenleven
De mens is dus verantwoordelijk voor een' goed beheer van het geschapene in. de ruimste zin. Bij het dragen van die verantwoordelijkheid treedt hij' nooit louter op als individu, maar maakt hij altijd deel uit van samenlevingsverbanden. Het is niet goed dat de mens alleen zij". Dat woord geldt voor het allereerste sociale verband, het huwelijk. Het geldt in feite voor alle samenleven. Het is een Ievensconditie. Juist en alleen in de sociale interactie komt de individuele mens tot ontplooiing. Daarin is hij op zijn plaats. Als een vis in het water. Zo is hij "creatuurlijk geprogrammeerd".
In de sociale samenhang liggen, de voorwaarden van de zinsbestemming van elke manen van elke vrouw. Ze ligt ingebed in de totale scheppingssamenhang, waarin alles gericht is op het beantwoorden aan Gods Wet en Norm, tot eer van Hem. Vanuit deze geconditioneerde scheppingsstructuur is ook ontplooiing van een veelzijdig gedifferentieerd samenleven mogelijk. De samenlevingsverbanden zijn, op hun beurt, voor hun ontwikkeling, hun functionele vitaliteit, afhankelijk van het initiatief en de inzet van de participerende (eigenaardige) individuen. Dat geldt. ook voor de christelijke Gemeente, waarin opnieuw de Verbondseenheid zichtbaar mag worden. Een harmonieuze wisselwerking.
Zo heeft de Here God dat gewild. En telkens wanneer dit scheppingsprincipe wordt miskend, treedt er (vanzelfsprekend!) ontwrichting op. In de christelijke Gemeente gebeurt dat bijvoorbeeld wanneer oude structuren fossiliseren. Wanneer de' conventie - eenmaal "talig" referentiekader .,.alleen nog maar geraamte is, dóde taal, Dan kunnen de leden zichzelf niet meer kwijt in het geven van zin, op basis van eigen aard en bekwaamheid.
Individualistisch denken
De goede gang van zaken in de schepping is in ernstige mate verstoord doordat de mens zijn autonomie proclameerde. Daarmee, trad hij uit de zin-samenhang, gericht op de beantwoording aan Gods Norm, op de positivering van de in Gods spreken gegeven liefderegels. De mens werd zichzelf tot norm. Hij werd zichzelf tot doel, tot zin. En dat past helemaal niet binnen het scheppingspatroon. Daarmee raakt alles uit zijn voegen. Als de mens niet meer wil staan in de zin-relatie die uit God, die Liefde is, voortkomt en door Hem bestaat en op beantwoording van zijn Liefde is gericht, dan is ook de relatie tot de ander, als medeparticipant binnen' de liefdesstructuur, verbroken. Dan is ook een juiste visie op de scheppingstotaliteit niet meer mogelijk. Dan wordt de schepping "onderworpen aan vruchteloosheid". Geen authentieke communicatie meer. Geen antwoord, maar (collectieve) tegenspraak, uitmondend in onderlinge spraakverwarring In onze tijd is zeer nadrukkelijk present de geest van het individualisme.
Atomisme. Het individu, samenlevingsatoom, beschikt autonoom over zichzelf en over zijn wereld. Daarin komt dan meteen ,de innerlijke tweespalt tot uiting: Immers, hoe ver reikt dat zelf beschikken? Als je zelf beschikt, kom je onvermijdelijk en onverbiddelijk de ander tegen - als rivaal! en ook het geschapene keert zich' tegen de tirannieke zelfbeschikker. Beheer van de schepping verwordt tot overheersen, ten eigen bate.
Toch is de mens ook in de staat van ongehoorzaamheid sociaal afhankelijk, omdat hij zo geschapen is. Zelfs in een toestand van verdierlijking en perversie heeft hij de ander nodig: Hij komt nooit los van de norm, En passant kan worden opgemerkt, dat de individualistische ik-cultuur als cultuur (en dat is toch weer een uiterst collectieve aangelegenheid) afgestemd is op een wel zeer eenzijdig (eendimensionaal) vermaterialiseerd waardenpatroon.
Enerzijds dus het tirannieke eenheidsdenken van de Geest der Eeuw, dat, anderzijds, dwingt tot bijna terroristische ik-beleving. De moderne mens komt, uit eigenbelang, tot vormen van belangenevenwicht. De twee polen daarin zijn altijd: mijn vrijheid en de wet (het arbitraire gezag, van welk karakter dan ook).
Individualisme is dus ten diepste het weigeren te beantwoorden aan de (door de Schepper uitgezegde) opdracht om eigen aard en begaafdheid (alleen) te optimaliseren binnen en ten behoeve van de door God gestelde Samenhang.In onze tijd wordt dit denken met name manifest in zaken met betrekking tot seksualiteit, Ievensbegin en levenseind, de besteding van de materiële mogelijkheden en de huwelijksmoraal.
Een vrucht is onder andere de steeds algemener wordende loochening van de eigen aard van man en vrouw
(en de weigering om deze eigenaardigheid ineen goede samenhang te positiveren).
De Verlossing
Na de zondeval heeft Gods goede Norm volledig haar geldigheid behouden, Als God de in zijn Lieiide rustende Norm niet zou handhaven, zou Hij 'immers daarmee afzien van de wezenlijke Zin van het geschapene· (vgl. H.C. zondag 4 t/m 6). Daarom is Verlossing nodig. En zo als de scheppingsstructuur uiting is van Gods Liefde, zo is de Verlossing opnieuw uiting van Zijn Liefde, in het vlees(materie) geworden Woord. “Alzo lief heeft God de wereld gehad". Daarom is de Verlossing zo radicaal. In de Verlossing rust de belofte aangaande een nieuw samenleven een nieuwe samenhang, een nieuwe aard.
(wordt vervolgd)