Van dingen, die niet zijn voorbij gegaan

1986-10-03
  • Jaargang 30
  • nummer 38
Israël heeft voor het eerst een koning. En de koning komt uit Gibea!
Uit Gibea toch niet? Kan uit 'Gibea iets goeds komen? Weet heel Israël niet de vreselijke dingen die daar gebeurd zijn (zie Richt. 19)?
Alsof Sodom weer uit het zout herrezen was? Een schanddaad waar men eeuwen later nog over spreekt (Hos. 9, 9 v.)? En dáár komt Israëls koning vandaan?
Vandaag zou dit voer zijn voor de pulppers. Riooljournalisten zouden gretig Sauls verleden natrekken en uitvoerig uitmeten' uit wat voor goor nest hij kwam. En dan natuurlijk schamperen: 'Hoe zou deze ons verlossen.' (1 Sam. 10,27).

De Bijbel noemt zulke mensen 'nietswaardige lieden'. Men staart zich blind op Iemands verleden en verwacht daarom niets voor de toekomst. En men heeft geen oog voor de vernieuwende kracht van God.
Moet je dan altijd maar zwijgen over iemands verleden?
Alles in de doofpot stoppen?
La ten we eens zien hoe verrassend God zulke 'zaken oplost.
God loopt allerminst om het verleden heen. Hij roept Israëls eerste koning uitgerekend uit Gibea. God zegt niet: Stil mensen!
Laten we 'over Gibea er het zwijgen maar toe doen.
Nooit roeren in een beerput!
Nee, Hij vestigt er juist nadrukkelijk de aandacht op. Door de koningskeuze herleeft ongetwijfeld heel dat kwalijk riekende verleden.
Maar wat er destijds in Gibea gebeurde, is maar één kant van de zaak! De andere kant is nl.
het antwoord, dat de rest van , Israël toen gaf. Nu, dat was ook allemaal zo fraai niet. Ja, men sprak er allerwege schande van.
Dat zoiets in Israël gebeurde!
Daar moest iets aan gedaan worden. Israël voelde zich geroepen om tucht uit te oefenen over die zondige leden van het verbondsvolk (Richt. 20).
Prachtig toch? Is de handhaving van de tucht niet één van de kenmerken van de ware kerk? En is verslapping van de tucht niet altijd een bedenkelijk teken? Ja, maar het komt er wel op aan hoe er tucht geoefend wordt. ' Gebeurt het vol bewogenheid en uit liefde tot de zondaar? In het besef, dat zij die tucht oefenen zelf ook tot het doen van dergelijke zonden geneigd zijn en door Gods genade daarvan teruggehouden moeten worden?
Of gebeurt het met een hoogmoedige houding, liefdeloos, onbarmhartig, zelfvoldaan en met de gedachte: Zo, die smet hebben we van de gemeente verwijderd. Dat kankergezwel is weggesneden!?
Als u Richt. 20 en 21 doorleest, dan ziet u hoe Israël de laatste houding heeft aangenomen. Er is sprake van doldwaze besluiten en overijlde handelingen en een steeds verder doorhollen op een weg, waarvan terugkeer zonder gezichtsverlies op den duur niet meer mogelijk was.
Heel Israël valt over Gibea heen. Alleen Benj amin verdedigt - ook onwijs - de stamgenoten uit Gibea door dik en dun. ' Aanvankelijk weten de Bejaminieten zich aardig staande te houden. Maar Israëls tuchtoefening wordt zo'n tomeloze wraakoefening, dat ten langen 'leste de stam van Benjamin dreigt te worden. Uitgeroeid.
Mede doordat men bij hoog en bij Jaag gezworen had, dat geen Israëliet ooit nog zijn dochter aan een Benjaminiet 'zou uithuwelijken.
Meteen bekering van Benjamin werd kennelijk geen rekening gehouden.
En dan plotseling de terugslag: Krokodillentranen in Bethel (Richt. 21, 2). Het nationale gevoel is geschokt. Eén van de twaalf dreigt uit te sterven.
Wat nu? En men blijft oplossingen zoeken buiten God om.
Daarvan wordt o.a. Jabes het slachtoffer. Om één of andere reden heeft deze stad geen soldaten geleverd voor de veldtocht tegen Gibea. En alsof Jabes zich tegen een heilig gebod van God 'zelf verzet had, wordt met zijn inwoners op de meest radikale manier afgerekend.
Alleen een aantal jonge vrouwen, kinderen nog, wordt aan de Benjaminieten gegeven.
(Richt. 21, 6-12) Een uiterst weerzinwekkende en 'zwarte bladzij uit de geschiedenis van het volk van God. Doodzwijgen maar! Niet meer op terugkomen!
Maar zoals ik al 'zei, God maakt deze geschiedenis weer levend.
Hij vestigt eerst nadrukkelijk de aandacht op Gibea door juist uit deze stad de koning te roepen.
En dat is amper gebeurd of Jabes wordt aangevallen. Nahas, de koning van Ammon, wil met deze stad zijn wrede spel spelen. Maar gaat zoiets ooit buiten de HEERE om?
God rakelt in de gebeurtenissen rondom Gibea en Jabes het verleden weer op: de schanddaad .van Gibea èn de dwaze reaktie van 'Israël waaraan Jabes ten offer was gevallen. Een sprekend voorbeeld van hetfei.t, dat.in die tijd ieder deed wat goed was in ,eigen ogen en er geen eenheid was in de dienst van de HEERE.
Juist dat gebrek aan geestelijke eenheid was typerend. En dat maakt het volk van God ook weerloos tegenover zijn vijanden.
Wat moeten die in hun vuistje gelachen hebben toen dat volk, dat 'aanvankelijk zo'n enorme bedreiging vormde, bezig was elkaar uit te moorden.' En van lieverlee wordt Israël de speelbal der heidenen.
Waar haalt het volk van God de innerlijke kracht vandaan om staande te blijven?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief