De weg naar slavernij (1)
1986-09-05
In 1944.verscheen het door prof. F. A. Hayek geschreven boek, dat in de gehele wereld grote bekendheid gekregen heeft en dat als titel draagt: The Road to Serfdom" (275 blz.). Het boek heeft vooral daarom zoveel bekendheid gekregen, omdat de schrijver, ondanks hef aanvankelijke tegendeel, gelijk gekregen heeft wat de strijd tussen vrijheid en collectivisme betreft. Gedurende tientallen jaren waren het. hoofdzakelijk de opvattingen van Keynes wat in de economie de klok sloeg. Daarin is een aantal jaren geleden echter verandering gekomen. Hayek's opvattingen hebben die van Keynes overleefd.- Jaargang 30
- nummer 34
Wij hebben vooral naar Keynes geluisterd en nauwelijks naar Hayek, schrijft prof. Hartog in het voorwoord van de in 1985 bij Omega Boek te Amsterdam verschenen Nederlandse vertaling van het volledig herzien een gecorrigeerde boek van Hayek, Prijs f 49,50.
Hayek is van geboorte (in 1899 te Wenen) een Oostenrijker, maar J:!.ijis' in 1938 genaturaliseerd tot Engelsman. Van 1931 tot 1950 was hij als hoogleraar economie verbonden aan de London School of Economics en daarna aan de Universiteit van Chicago in de Verenigde Staten.
Hij is een invloedrijke aanhanger van de monetaire conjunctuurtheorieën hij heeft een behoorlijk aantal boeken en andere publicaties op zijn naam staan, waarvan de Weg naar Slavernij wel d~ bekendste is. Hij is winnaar van de Nobelprijs economie. Hij woont thans in Zuid-Duitsland, in de leeftijd dus van 87 jaar.
1. Het concurrentiesysteem versus het centrale planningsbeginsel
De kern, van Hayek's boodschap is, dat ordening van het economisch leven door middel van het concurrentiesysteem verre te prefereren is boven ordening hiervan door middel van centrale planning door de Overheid, omdat laatstgenoemde ordening op den duur altijd zal uitlopen op onvrijheid, op slavernij. Eerstgenoemde ordening werkt volgens Hayek ook veel efficiënter dan een planning van de economie van bovenaf al schrijft hij ook, dat centrale planning ons wel in staat stelt, een juistere en billijker verdeling van de welvaart te bereiken, (blz. 119).
Maar het blijft volgens hem een open vraag in hoeverre de prijs, die wij voor de verwerkelijking van iemands ideaal van gerechtigheid moeten betalen, meer ontevredenheid en meer verdrukking tot gevolg zal hebben dan er ooit werd veroorzaakt door het vrije spel der economische krachten.
Havek is een overtuigd voorstander van de markteconomie, maar dat betekent niet, dat hij van mening is, dat de Overheid in het economisch leven weinig te doen zou hebben; alles maar over moet laten aan de burgers. In geen enkel stelsel, dat op rationele wijze verdedigd kan worden zou volgens hem de staat zich bepalen tot nietsdoen, (blz. 54). Een doelmatig stelsel van vrije concurrentie vereist een met verstand ontworpen en voortdurend aangepast samenstel van wetten, evengoed als elk ander systeem. Zelfs het allereerste vereiste voor haar goed functioneren, het voorkomen van bedrog en misleiding (met inbegrip van uitbuiting van onwetendheid) verschaft een groot en geenszins nog volledig uitgeput onderwerp van wetgevende activiteit. De Overheid heeft volgens Havek tot taak door middel van wetgeving een geschikt raamwerk te scheppen voor het goed functioneren van het concurrentiesysteem. Zij moet de concurrentie volgens door haar van tevoren vastgestelde regels het werk laten doen of het aanvullen (ook door middel van wetgeving), maar niet de concurrentie geheel en al vervangen. Het centrale planningsbeginsel echter is gericht tegen het concurrentiesysteem en op vervanging daarvan door middel van rechtstreeks ingrijpen van de Overheid in het economisch leven. Tegen deze vervanging .verzet Hayek zich, omdat het resultaat volgens hem zal zijn, dat de concurrentie (= vrijheid) dan vervangen wordt door (staats)monopolie (= dwang).
En Hayek verdedigt in de economie de concurrentie en niet de monopoliepositie van wie dan ook.
Hij bestrijdt voorts, dat er een middenweg is tussen het concurrentiesysteem en het centrale planningsbeginsel.
De Overheid, die het economisch leven in de greep wil hebben en/of door middel van 'rechtstreeks' ingrijpen in het economisch proces een wat men wel noemt rechtvaardige samenleving tot stand wil brengen, zal volgens hem van de ene bemoeienis met het economisch leven in de andere vallen, hetgeen de praktijk in de gehele wereld na de Tweede Wereldoorlog ook te zien heeft gegeven.
Hayek gaat In zijn opvattingen over de ordening van de economie uit van de marktvorm der volledige mededinging (of vrije concurrentie). De tegenstanders van de markteconomie zetten hun kritiek meestal op dit punt in. Ze beweren o.m. dat nu juist daar de schoen wringt. Deze marktvorm doet zich in de praktijk volgens hen in zijn zuivere vorm slechts in geringe mate voor. Er zijn in de economie vrijwel altijd markt (of machtsposities ontstaan, waardoor het ruilproces in de praktijk anders verloopt dan bij de marktvorm der vrije concurrentie aangegeven wordt. Deze kritiek IS slechts ten dele juist, (voor de korte termijn nl.). In de visie van Hayek dient de overheid door middel van wetgeving monopolievorming in de economie tegen te gaan of te voorkomen door bijvoorbeeld de toegang tot de bedrijfstak, waarin de monopolievorming zich voordoet of gaat voordoen open te houden of te bevorderen. Monopolies van particuliere ondernemingen, die het ruilproces dus kunnen vervalsen, het prijs- en marktmechanisme buiten werking kunnen stellen, hebben voorts doorgaans een partieel en tijdelijk karakter. In de long run (op de lange termijn) tendeert de situatie in de markteconomie wel degelijk naar de situatie van vrije concurrentie. Overheidsmonopolies daarentegen zijn vrijwel altijd van blijvende aard. Maar het lukt geen enkele onderneming blijvend een monopoliepositie op te bouwen op een wijze, dat zij het prijs- en marktmechanisme blijvend buiten werking kan stellen, mits uiteraard de Overheid hierop attent blijft en zo nodig door middel van wetgeving daaraan een eind maakt. Op de korte termijn echter kunnen er wel machtsposities ontstaan, die het ruilproces (tijdelijk) verstoren en de consument uitbuiten.
2. Het gaat niet alleen om de economie, oftewel regulering van de productie van goederen en diensten betekent regulering van het menselijk leven zelf.
Vaak houden de voorstanders van centrale planning ons voor, dat de politieke democratie zeer goed kan blijven voortbestaan, indien deze zich bepaald tot alle aangelegenheden behalve economische zaken. Dit vertrouwen ontlenen deze voorstanders volgens Hayek aan het geloof, dat de macht, uitgeoefend over het economisch leven, er één is over zaken van slechts secundair belang, waardoor men de bedreiging van de economische vrijheid niet zo zwaar hoeft op te vatten. Maar er zijn geen zuiver economische doeleinden, die afgescheiden zijn van al het andere streven van het leven, schrijft Hayek (blz. 105). Strikt genomen bestaat er volgens hem geen “economisch motief”, maar zijn het slechts economische factoren, die ons streven naar andere doeleinden bepalen. Wat in de omgangstaal op misleidende wijze wordt uitgedrukt als “economisch motief” betekent niets anders dan het verlangen naar algemeen gunstige mogelijkheden, die begeerte naar macht om ongenoemde doeleinden te verwezenlijken. Een en andere betekent volgens hem dat economische categorieën, ook al is men van mening, dat deze op zich minder belangrijk zijn voor al onze overige doeleinden van het leven, niettemin belangrijk zijn voor al onze doeleinden van het leven. Gereguleerd te worden in onze economische bezigheden betekent nl. ook altijd gereguleerd te worden in al onze overige doeleinden. Economische planning, die “slechts” onze economische belangen treft,tast ook onze fundamentele levensvoorwaarden aan, aldus Hayek (blz. 110). Centrale economische planning zal dus niet slechts die grensbehoeften van ons treffen, hoeften van ons treffen,die wij in gedachten hebben als wij smalend spreken over het louter economische. Het zou er in werkelijkheid op neer komen dat het ons als individuen niet langer is toegestaan te beslissen over wat wij als marginaal beschouwen. De Overheid - die onze economische activiteit zou Ieiden, zou niet alleen dat deel van ons leven beheersen dat zich met ondergeschikte zaken bezighoudt; nee, zij zou de besteding van onze beperkte middelen voor al onze behoeften moeten reguleren. En hij, die elke economische activiteit reguleert, heeft meteen de beheersing over de middelen tot behoeftebevrediging en moet daarom beslissen welke bevredigd zullen worden en welke niet. Dit vormt werkelijk de kern van het probleem. Economische regulering betekent niet alleen beheersing over een sector van het menselijk leven, die geïsoleerd kan worden van de rest, het is de beheersing over al onze middelen tot behoeftebevrediging in de ruimste zin. En wie dan ook over de uitsluitende beheersing beschikt, moet eveneens vaststellen welke behoeften bevredigd zullen worden, kortom, waarin de mens zou moeten geloven en waarvoor hij zou moeten strijden, aldus Hayek (blz. 111). In een geleide economie waar de Overheid de doeleinden die zij nastreven in het oog houdt, is het volgens Hayek zeker, dat zij haar macht zal aanwenden om de realisatie van bepaalde doeleinden mee te werken, doch die van andere zal voorkomen (blz. 113). Politieke vrijheid heeft volgens hem daarom geen betekenis zonder economische vrijheid. Hayek’s boek is meer nog een politiek dan een economisch geschrift.
De economische vrijheid is een voorwaarde voor elke andere vrijheid, dat is het wat Hayek ons duidelijk wil maken. In de westerse wereld verfoeit men het nationaalsocialisme en het fascisme. Maar, schrijft Hayek, nationaalsocialisme en fascisme waren het onvermijdelijke resultaat van de socialistische stromingen in de periode, die aan de opkomst van deze gehate tirannieën voorafging. Ik weet, schrijft Hayek, (blz. 23), dat velen van mijn Engelse vrienden soms geschokt werden door de semifascistische opvattingen die zij bij tijd en wijle door Duitse refugies hoorden verkondigen, waarvan de oprechtheid van hun socialistische overtuiging niet in twijfel kon worden getrokken. Maar terwijl deze Engelse waarnemers dit toeschreven aan het feit dat zij Duitsers waren, is de juiste verklaring, dat zij socialisten waren, wier ervaring hen reeds verschillende stadia verder had gebracht dan het stadium, dat door de socialisten in Engeland en Amerika was bereikt. Het is natuurlijk waar dat Duitse socialisten veel steun in hun land hebben ondervonden van zekere trekken van de Pruisische traditie en deze verwantschap tussen het Pruisendom en het socialisme, waarop in Duitland beide groepen prat gingen, verleent aanvullende steun aan onze voornaamste stelling. Maar het zou onjuist zijn te geloven dat veeleer het specifiek Duitse dan wel het socialistische element het totalitarisme tot stand heeft gebracht. Niet het Pruisendom, maar het overwicht der socialistische denkbeelden had Duitsland- gemeen met Italië en Rusland. Het nationaalsocialisme ontstond uit de massa's en niet uit de klassen die doordrenkt waren van Pruisische traditie. Nationaalsocialisten hebben volgens Hayek dit gemeen met alle andere socialisten, dat zij alle het collectivisme in hun vaandel hebben geschreven, (blz. 190). De steun, die het nazisme kreeg kwam in Duitsland niet van de bourgeoisie, maar kwam uit het socialistische kamp, schrijft hij (blz. 191).
Het nazidom had krachtens zijn collectivistische aard volgens hem dus socialistische grondslagen. Het was gelijk elke socialistische stroming tegen het individu gericht. Het socialisme heeft in de Angelsaksische landen een andere ontwikkeling doorgemaakt dan dat in Duitsland, Maar alle socialisten zijn collectivisten; dat hebben ze gemeen. En collectivisten zijn altijd onderdrukkers van het individu. Natuurlijk zijn er schakeringen en gradaties. Nationaalsocialisten en fascisten waren onderdrukkers met kwade bedoelingen; de socialisten in de Westerse wereld zijn volgens Hayek evengoed onderdrukkers, maar dan onderdrukkers met goede bedoelingen Hayek ons vertellen.
Voor het individu maakt dat op den duur niet veel uit.
(slot volgt)