Eerstgeboorterecht - geen handeltje
1986-01-31
Een eerstgeboren zoon - en wie heeft dat in eigen hand? - had oudtijds de oudste en de meeste rechten. Onder Israël is dat "wettelijk" vastgelegd (Deut. 21 : 17).- Jaargang 30
- nummer 5
Zelfs wat (later) wettelijk is vastgelegd, blijkt geen automatisme, laat staan een wet van Meden en Perzen te zijn (Gen. 49 : 3, 4).
Waarom ook?
Daarmee zijn we terug in de tenten van Izaäk en Rebekka.
Na twintig jaar wachten, hopen en bidden is daar een tweeling geboren. De eerstgeborene heet Ezau (de harige); de jongste had zijn broer bij de hiel vast: daarom heet hij Jacob. En toen?
"Toen de jongens opgroeiden, werd Ezau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar, Jacob was een huiselijk man. die in tenten woonde."
(NV).
“De jongens werden groot en Ezau werd een ervaren jager, die het liefst in het open veld rondzwierf, Maar Jacob hield van een geregeld leven, hij bleef bij de tenten." (GNV). "Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman, maar Jacob werd een oprecht man, wonende in tenten" (St.V.).
Wat is typerend?
Je ziet hoe een vertaling, met wat we erbij fantaseren, het beeld beïnvloed. Ezau wordt de ruige, harige, sterke jager: een gevaarlijk beroep, dat spreekt tot de verbeelding en wekt sympathie.
Maar Jacob is een huiselijk, rustig man (CV en WV) die houdt van een geregeld leven: een huismus (huisman bijna!), die bij moeders pappot zit en geen risico's neemt - en vergeleken bij zijn grote broer ongetwijfeld een miezerig, min, zwak kereltje. En te vertrouwen is hij ook niet....
We moesten onze beeldvorming maar herzien.
Medisch is allang uitgemaakt, dat harig dan wel glad niets te maken heeft met lichaamskracht.
Een jager schijnt een riskant beroep te hebben, maar denkelijk kwam hij thuis met... vogels en gazellen. U ziet Izaäk toch geen leeuwe- of berebout verorberen - die man -die zich laat bedriegen met het vlees van een paar geitebokjes (27: 9 v.v.)?
En wat is meer riskant: een jager die wild probeert te vangen of een herder (dat was Jacob) die desnoods met zijn blote handen de, kudde moet verdedigen tegen rovers en wilde dieren?
Een herder heeft bij wijze van spreken het lokaas altijd bij zich.... Uiteraard zijn voor een herder (Izaäk was rijk en had veel vee, vgl. 26 : 12-14) de tenten de dagelijkse "thuishaven", Een deel van de verwarring is te herleiden tot de vertaling van het hebreeuwse woord "tam".
De St.V. leest "oprecht", maar erg oprecht lijkt Jacob nu ook weer niet, gezien zijn bedriegen van Izaäk. Weergaven als rustig, van geregeld leven, huiselijk suggereren een tegenstelling tot Ezau's zwervend jagersbestaan.
Maar het woord is in Gods mond karakteristiek, voor ....
Job (1 : 8; 2 : 3) en geeft geen psychologische maar een religieuze kwalificatie. Het hebreeuwse woord betekent in feite ongecompliceerd, en dat "gaat in de richting van het ongedeelde hart: niet verstrooid naar alle kanten, niet beheerst door allerlei (tegenstrijdige, P.) motieven .... resoluut .... consequent" (B. Holwerda, a.w.
pag. 40). Het tegendeel van wat Jacobus typeert met "innerlijk verdeeld, ongestadig op al zijn wegen" (Jac. 1 : 5-8).
Wat geeft de doorslag?
De beide jongens moeten van hun ouders Gods "voornemen"
vernomen hebben. Jacob blijkt dat serieus te nemen. De manier waarop hij de Godsspraak denkt te verwerkelijken is kwalijk.
Maar zijn hart is ongedeeld als het gaat om de vraag of je Gods beloften serieus kunt nemen.
Jacob is "innerlijk strak geconcentreerd op de belofte, Ezau is innerlijk gebroken .... " (ib.) Zijn huwelijk met. twee Hethietische vrouwen ligt in het verlengde (26 : 34 v.).
God "roept" door zijn Woord.
Wat is de reactie? Hoor: Ezau komt uitgehongerd van de jacht thuis, ziet de linzensoep en wil maar één ding: alles naar binnen schrokken. Hij is geconcentreerd op.... eten. Jacob legt het eerstgeboorterecht op tafel - wil sjacheren. Ezau verraadt zijn instelling: wat koop ik daarvoor? Ik ga toch sterven .... En wat heb je dan aan een belofte?
Hij ziet er geen brood in of liever niet meer dan een schaal soep en een stuk brood. Jacob kan 't bijna van hem cadeau krijgen. Maar Jacob wil dat wel even goed vastgelegd zien: zweer mij eerst - roep God als getuige aan. En na die transactie ....
laat de verteller ons iets van het "schrokken" horen: hij at, dronk, stond op, ging weg, verachtte het eerstgeboorterecht ...
Wie geeft de doorslag?
Jacob schijnt nu het beloofde recht in handen te hebben, maar met wat God belooft valt niet te sjacheren. "Jacob hééft het recht niet verkregen; juist omdat hij (het? P.) uit de verkiezing is, uit de roepende en niet dank zij zijn eigen gesjacher .... , Ezau heeft zijn rechten verspeeld, zónder dat Jacob echter iets heeft bereikt. Het eerstgeboorterecht is dus nu bij God vacant .... De beslissing in deze strijd komt niet voort uit de strijd tussen vlees en bloed, tussen geweld en list, maar uit de verkiezing" (a.w. pag. 49 v.). Dat blijkt later.
Wanneer krijgt Jacob metterdaad wat God beloofde? Wanneer hij eerst terug is naar af (Paddan-Aram; bij Laban) en wanneer God hem "aan de heup geslagen heeft" (32 : 22-32).
Dus wanneer hij zichtbaar en "naar het vlees" (lichamelijk) de mindere is. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. En dan gaat het a.h.w. geruisloos (36 : 6, 7). De aanvangen der kerk zijn leerzaam - ook voor de voortgang. Waardoor ontstaat en bestaat de kerk op aarde? Door de kracht van het Woord, het Woord van Hem, die roept zonder aanzien des persoons. En niet door wat mensen vermogen, dus niet door de "werken". De weg van de kerk is de weg van "Gods onverdroten heilswil".