Vrede in de maatschappij

1986-01-31
  • Jaargang 30
  • nummer 5

§ 1. Inleiding

Vrijwel elke econoom fronst (even dan wel langdurig) de wenkbrauwen wanneer hij/zij een boek in handen krijgt, dat over sociaaleconomische vraagstukken gaat, maar dat door een ethious geschreven is.
Wat moeten we nu, weer voor fraais aanhoren, denkt vrijwel elke econoom in een dergelijke situatie; wat voor verstand heeft een ethicus van economie. Hij/zij herinnert zich dan meestal nog wel het boek "Ethiek van de inkomensverdeling" (1973) van prof. P. J. Roscam Abbing (dat veel kritiek heeft uitgelokt) en het vooroordeel is ontstaan: het zal wel weer niets wezen wat van enig belang is; veel ethisch geschreeuw, maar weinig bruikbare sociaal-economische wol.
Echter, ethiek en economie zijn geen natuurlijke vijanden van elkaar.
Ethiek dient een plaats te hebben in de economie en heeft dat ook altijd gehad; het zou niet best zijn wanneer dat anders, was, Er bestaat per onderdeel van de.economischestudie (althans aan de VU), dat ethiek van het economische leven heet. De vader der economie, Adam Smith, was zelfs voor al1es moraal-filosoof.

Vanuit een zeker vooroordeel ben ik het boek "Vrede in de maatschappij" (1985) van prof. J Douma, ethicus te Kampen, niettemin gaan lezen. Hij heeft het boek geschreven in opdracht van het Geref. Maatseh. Verbond, een vrijgemaakte werkgevers- en werknemers-organisatie.
Binnen het OM ontstond enige jaren geleden de behoefte aan een hernieuwde – vooral ethisch-sociaal-economische studie naar de op de Bijbel gefundeerde uitgangspunten voor sociale- en maatschappelijke vraagstukken, waarmee het GMV bij het uitvoeren van het praktische werk dagelijks in aanraking komt.
"Vrede in de maatschappij" wil in deze behoefte voorzien; het wil' een '(gereformeerde) handreiking zijn voor sociale- en maatschappelijke vraagstukken, die cirkelen rond thema's als arbeid, eigendom en inkomen.
Een greep uit de onderwerpen: beroepskeuze, werkloosheid, arbeidsduurverkorting, al of niet recht op particuliere eigendom, beoordeling van inkomensverschillen, medezeggenschap, staking en ontwikkelingssamenwerking.
Vanuit bijbels standpunt zijn gelijkheid en ongelijkheid onder de mensen even serieus te nemen - iets wat tot heel andere conclusies leidt dan er in het socialistisch- of liberalistIsch denken getrokken worden. Verklaard wordt ook waarom vrede het sleutelwoord in een christelijk sociaal program kan zijn, al weet een christen, dat door sociale hervormingen geen heilstaat op aarde. tot stand komt, aldus lezen we op de omslag van het boek.
De studie van Douma is door een werkgroep van het GMV, voorbereid. Deze werkgroep heeft een hoeveelheid studiemateriaal aangedragen, dat door Douma in het boek is samengebracht.
Hij draagt voor het boek de (eind)-verantwoordelijkheid, lezen we in het voorwoord.
Ik ben dus (zoals het volgens mij ook behoort) begonnen mijn wenkbrauwen te fronsen, toen ik Douma's boek ter hand nam, maar dat was niet langdurig.
Voor een ethicus heeft hij een redelijk goed boek geschreven over onderwerpen, waarover ook of in de eerste plaats in het vakgebied van de economie het nodige geschreven is en wordt. Hij blijkt redelijk op de hoogte te zijn van de economische problematiek, die bij de, door hem behandelde onderwerpen aan de orde is; hij is niet gevallen in de valkuil van het ethioisme, waarin bijvoorbeeld Roscam Abbing terecht is gekomen, omdat deze ethicus het economisch aspect der werkelijkheid in zijn boek dermate verwaarloosd heeft, dat zelfs van een negatie van de economie moet worden gesproken.
Douma is 'een gereformeerd man en dat is de reden, dat hij in zijn boek eenzijdige, onwerkelijke of ideologische stellingname( s) heeft weten te vermijden. Hij is in staat gebleken zinnige dingen te, zeggen over sociaal-economische (of maatschappelijke) vraagstukken, door hem "het sociale vraagstuk" genoemd. Naar mijn mening een ietwat verouderde term, maar dat daar gelaten.

§2. Vrede in een dubbéle betekenis: De opdracht beeld van God te zijn

In de maatschappij dient volgens Douma vrede te zijn in een dubbele betekenis: vrede met God, die wij in Christus ontvangen, maar ook vrede met onze naaste, door hem sociale vrede genoemd.
Voor een christen is alles aan de eerste vrede ondergeschikt.
Als christenen dienen wij niet alleen naar de vrede met God te streven, maar ook naar de vrede met onze naaste, door hem ook wel maatschappelijke vrede of heel gewoon sociale gerechtigheid genoemd. Wat is vanuit bijbels standpunt sociale gerechtigheid, dat is het wat Douma met zijn boek wil aangeven.
Geen eenvoudige opgave, dat is zeker. Met betrekking tot de genoemde onderwerpen wil hij dat dus aangeven. Hij doet dat op een wijze, die niet bij voorbaat het economisch aspect der werkelijkheid onder tafel veegt, verwaarloost. Zijn analyse is opgezet vanuit de opvatting dus, dat vrede in genoemde dubbele betekenis aanwezig moet zijn in de maatschappij en vandaaruit tracht hij ethische normen te formuleren voor ons handelen en denken in een reeks sociaal-economische vraagstukken.
De mens dient in de maatschappij dus naar vrede te streven.
Wie is die mens? Douma sluit zich t.a.v. wie de mens is aan-bij de bijbelse opvatting, dat de mens weliswaar naar Gods beeld geschapen is, maar dat na de zondeval er onderscheid gemaakt moet worden tussen de mensen wat het beeld Gods betreft.
De mensen zijn na de zondeval niet alle meer fundamenteel gelijkwaardig want de mens, die zijn eigen zin doet, zonder dus op verantwoorde wijze zijn/haar goddelijke opdracht beeld van God te zijn te vervullen, is volgens Douma, geen beelddrager Gods. De mens heeft aan zijn/haar hoge afkomst te beantwoorden.
Hij/zij heeft de opdracht echt beeld van God te zijn. Voor de bezinning op het sociale vraagstuk neemt hij zijn uitgangspunt in deze opdracht.
Het is volgens hem dan ook niet juist over fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen te spreken, wat bijv. Roscam Abbingowel doet (en waarin deze is vastgelopen), Douma wil (en terecht volgens mij) liever spreken van gelijkheid en ongelijkheid van de mensen, die volgens hem beide even fundamenteel zijn.
Volgens mij hebben gelijkheid en ongelijkheid echter niets met fundamenteel te maken; het zijn scheppingsgegevens;' maar dat schrijft Douma verderop ook.
Gelijk zijn alle mensen hierin, dat allen van God de opdracht hebben gekregen beeld van God te zijn. De term fundamentele gelijkwaardigheid kan beter vermeden worden; er is in de praktijk met mee te werken; de term roept alleen maar misverstanden op.
Zowel gelijkheid als ongelijkheid zijn dus volgens Douma in de schepping gegeven; vandaar dan ook, dat hij de egalisatie-opvattingen van Roscam Abbing (terecht) afwijst. Hij kan, nu verder zinnige dingen zeggen, omdat hij zich daardoor het zicht op de werkelijkheid niet heeft ontnomen.
Aan het beeld van God zijn volgens Douma vier facetten aktueel.
De mensis geplaatst onder God, tussen mensen, in bepaalde verbanden en voor de opdracht als rentmeester de aarde in cultuur te brengen, welke opdracht na de zondeval is blijven bestaan. Vanuit zijn uitgangspunt dus beeld van God te zijn in de maatschappij, gaat Douma een confrontatie aan met het liberalisme, het socialisme en met opvattingen in christelijke kring.
Het uitgangspunt echt beeld van God te zijn d.w.z. het streven naar vrede in genoemde dubbele betekenis in de maatschappij brengt met zich, dat steeds naar de Bijbel moet worden verwezen en van daaruit argumenten moeten worden aangedragen. In heel wat sociaal-economische problemen is dat niet direkt te doen, zodat Douma ook vele heel gewoon praktische argumenten aanvoert om zijn standpunt te funderen (wat ik niet bezwaarlijk vind). Niet alleen de Schrift, maar ook de natuur is voor ons bron van kennis. Er zijn dingen, aldus de apostel Paulus in 1 Kor. 11 : 14, "die de natuur zelf ons leert".
Omdat dit artikel anders te lang wordt, stip ik slechts een enkel, probleem aan, dat Douma bespreekt .
Op blz. 29 van zijn boek schrijft hij over het liberale uitgangspunt, dat eigen vrijheid voorop stelt en alleen deze vrijheid wil inperken als ze die van anderen schaadt. Douma vindt dit te negatief geformuleerd. Onze vrijheidsbeleving moet juist op anderen gericht zijn in plaats van alleen maar door die anderen beperkt te worden in geval van botsing, schrijft hij. Dat moge ethisch waar zijn (en het is ethisch waar), maar hoe wil hij dat in de maatschappij bereiken?
Door middel van wetgeving, zoals Roscam Abbing dat voorstaat?
Dit is weer zo'n punt, waar de ethicus uitspraken doet die juridisch of economisch (beter: maatschappelijk, voor de maatschappij als geheel) niet te verwezenlijken zijn dan vrijwel alleen door middel van dwang, waar het verhaal van Roscam Abbing dan ook op uitloopt.
Douma gaat zover niet. Ethisch redeneren en maatschappelijk redeneren zijn twee aparte' min of meer gescheiden zaken, naar mijn mening. Dit is ook de reden waarom ethici en economen niet van elkaar houden: ze vinden elkaars argumenten niet relevant n.l. liberalen hebben voor het verschil in ethisch en maatschappelijk redeneren altijd heel goed oog gehad en nog.
Douma maakt zich met genoemde uitspraak zwak voor mogelijke aanvallen van Roscam Abbing, die zover gaat, dat hij het individu een egoïst noemt indien deze niet de gemeenschap (de anderen dus) wil dienen op een door de gemeenschap vastgestelde wijze. Van het standpunt van Roscam Abbing hebben we in ons land al genoeg sociaaleconomische ellende ondervonden.
Men kan er de meest verschrikkelijke dingen mee uithalen, hetgeen in bijv. Rusland ook gebeurt. Nu wil Douma geen dwang, zoals genoemd, maar hij kiest voor de norm van overreding. In een gesaeculariseerde samenleving welhaast een onmogelijke opgave.

§3. Rechtvaardige en onrechtvaardige inkomens

Bij het lezen van de blz. 142 t/m 145 over rechtvaardige en onrechtvaardige inkomens gingen mijn wenkbrauwen nog het meest te keer. "Ieder het zijne" moet volgens Douma aangevuld worden met "Samen het onze".
Prachtig is dat, maar zelfs een liberaal zal dat onderschrijven.
Ook een aanhanger van" de markteconomie neemt deze uitspraak voor zijn rekening. Maar wat doe ie er in de praktijk mee? Douma doet er het volgende mee. De één mag volgens hem best een beter inkomen hebben dan de ander, indien dat maar tot voordeel strekt van de gemeenschap, met name van behoeftige mensen en instellingen.
Dit standpunt is dat van de bekende John Rawls in diens boek "A Theory of Justice", London, 1973. In een moderne samenleving dienen volgens Douma minimum-lonen en uitkeringen gegarandeerd te zijn, waarbij de hoogte ervan kan variëren samenhangend met de economische situatie. (Grote) inkomensverschillen mogen er volgens Douma dus alleen zijn, indien deze de zwakken in de samenleving ten goede komen. Een pracht theorie (van Rawls dus), maar hoe wil hii dat in de praktijk meten? Welke inkomensverschillen komen allen wel ten goede en welke niet? In de praktijk is dat zo goed als niet te bepalen.
Er wordt ook wel gesteld, dat alle inkomensverschillen een economische achtergrond hebben en dat een andere inkomensverdeling dan de inkomensverdeling, die de markt tot stand brengt de grootte van de nationale koek (het nationaal inkomen) negatief beïnvloedt.
Ook op dat standpunt valt overigens wel af te dingen.
Verschillen in sexe en nationaliteit mogen volgens Douma niet tot, inkomensverschillen .leiden, evenmin als verschillen in traditie, en macht. Waarom niet, vraag ik mij af. Stelt U zich eens voor een kousenfabriek ergens in Nederland. Er is bij de fabriek veel vraag naar vrouwelijke personeelsleden.' Mannen wonen er in de wijde omgeving van de fabriek genoeg, maar niet genoeg vrouwen. Wat zal er met de lonen van de vrouwen bij deze fabriek, gebeuren? De prijs van de arbeidskracht van vrouwen zal stijgen, wellicht tot zelfs boven die van mannen in overigens gelijksoortige funkties.
Is dit onrechtvaardig? Natuurlijk niet. In Douma's boek vind ik niets over de wet van vraag en aanbod, ook niets over het feit, dat inkomensvorming prijsvorming is van menselijke arbeidskracht. En prijsvorming heeft te maken met schaarste.
Daarmee is natuurlijk niet alles gezegd, maar daar hebben we wel van uit te gaan. Simultaan daarbij komt de ethiek, maar ethiek en economie moeten we niet tegen elkaar uitspelen. Ik zal niet beweren, dat Douma dat doet, maar wel, dat men niet over inkomensvorming kan schrijven zonder eerst na te gaan welke betekenis de wet van vraag en aanbod in de economie heeft. We zijn weliswaar niet aan deze wet overgeleverd, maar deze wet vervult wel een belangrijke sturende en selecterende funktie in het economisch leven.
Men kan m.b.t. de werking wel allerlei zgn. ethische beperkingen aanleggen, maar werkt deze dan nog wel? Echte ethiek houdt rekening met het eigene van het vakgebied, waarbinnen deze zich beweegt. Ik beweer niet; dat Douma met het eigene van de economie geen rekening houdt, maar naar mijn mening niet voldoende.
En dat komt, omdat hij van professie geen econoom is.
Ethici 'hebben geen gemakkelijke baan, wanneer men leest waar zij zich allemaal mee bezig houden. Naar mijn mening dient een ethicus zich tot één vakgebied te beperken en van dat vakgebied zeer veel en zeer grondig kennis te hebben, wil hij/zij zich met het ethisch aspect in dat vakgebied bezighouden en over publiceren. Nogmaals, de ethiek is direkt verbonden met het eigene van het vak, waarop men zich heeft toegelegd.
Zo zijn voor de vorm van economische ordening markteconomie geheten ook ethische argumenten aan te voeren; de markteconomie heeft ook een ethische grondslag – mensen worden verantwoordelijk gesteld voor hun èigen doen en Iaten - een economie werkt het beste, wanneer de Overheid de mensen de dingen zoveel mogelijk zelf laat doen - deze beantwoordt het meest aan de menselijke natuur eigen belangen na te streven, binnen zekere grenzende ethiek is hier direkt verbonden met het sociaal-economisch proces, zoals dat zich in de praktijk voordoet.
Heel wat "ethisch" bedoelde maatregelen blijken in de praktijk erger te zijn dan de kwaal.
Douma heeft daarvoor ook wel weer oog, wanneer hij schrijft, dat er veel zaken zijn die weliswaar politiek-juridisch niet te remmen zijn of afgeremd moeten worden, terwijl ze daarom ethisch nog wel bedenkelijk zijn.
Ethisch zou in de vorige zin ook tussen haakjes geplaatst moeten worden, omdat het ook wel eens geen échte ethiek zou kunnen zijn in wat Douma bedoelt in deze zin.

§ 4. Enkele slotopmerkingen

Op de blz. 90 t/m 93 schrijft Douma over de "vreemdeling en de bijwoner” in ons land.
Voor de onder Israël wonende vreemdeling gold, dat hij zou zijn als een "onder u geboren Israëliet".
Men moest hem liefhebben, omdat men ook zelf vreemdeling was geweest in Egypte. (Ex. 22 : 21, Lev. 19: 34). Hetzelfde recht moest gelden voor Israëliet en vreemdeling (Lev. 24: 22). De zwakke positie van laatstgenoemde, die hij gemeen had met de weduwe en de wees" accentueerde dit, recht. (Deut. 1 : 11 ,en 27 : 19).
Het is duidelijk, schrijft Douma, dat we niet zomaar: een is-teken kunnen zetten tussen de positie van ,de vreemdeling destijds e de buitenlandse werknemer nu.
Toch ligt het volgens hem in de lijn van het bovenstaande wanneer ook wij ons inspannen aan de vreemdeling in ons midden een tehuis te bieden. Dat moge allemaal waar zijn en het is waar, maar betekent dat, dat wij met elk vreemdelingenbeleid akkoord moeten gaan?
Ook dat vreemdelingenbeleid, dat er op uit is zoveel mogelijk vreemdelingen te importeren.
Voor een dergelijk beleid is naar mijn mening geen steun te vinden in de Bijbel; de Bijbel zegt dat n.l. nergens.
Douma laat dit vraagstuk liggen; hij schrijft alleen maar, dat we de vreemdelingen gelijk moeten behandelen als de eigen mensen, maar wie zal dat bestrijden?
Vreemdelingen worden in onze samenleving een probleem, wanneer met behulp van een (te) optimistische bevolkingspolitiek zoveel mogelijk ervan in ons land worden toegelaten, ongeacht de aktuele economische situatie.
Overigens is het nog de vraag of wij alle vreemdelingen een blijvend tehuis in ons land moeten bieden: dat hangt o.a. af van de afspraken, die met de vreemdelingen gemaakt zijn.
In deze boekbespreking heb ik slechts op een enkel probleem in het boek van Douma kritiek geuit. Er is nog wel meer kritiek uit te brengen. Dit betekent echter niet, dat Douma geen goed boek geschreven heeft.
Over onderwerpen als, arbeid, eigendom, sociale verhoudingen, het renteverbod van vroeger (dat volgens hem in onze samenleving terecht uit de tijd is), het basisinkomen, arbeidstijdverkorting en de verzorgingsstaat, schrijft hij goede dingen. Een en ander zou hier en daar beter economisch onderbouwd kunnen worden, dat wel.
Nu beweer ik niet, dat voor elke ethische uitspraak in economische aangelegenheden een grondige kennis van de economie nodig is.
Zo zijn er situaties, die duidelijk onchristelijk, duidelijk in strijd met de bijbelse ethiek zijn, die iedereen kan vaststellen. Zo kwam het circa een halve eeuw geleden in de Haarlemmermeer (en ook wel elders, denk ik) nog voor, dat een boer des zaterdags na 18.00 uur zijn arbeiders nog een vol uur liet wachten voor hij deze het loon uitbetaalde. Deze arbeiders werkten zes dagen per week van de vroege morgen tot ver in de avond meestal. Des zaterdags "mochten" deze mensen om 18.00 uur met de arbeid stoppen, maar stonden daarna dus nog een uur op het loon te wachten. Sommige boeren deden dat wel om hun macht te tonen. Ik denk, dat Douma soortgelijke situaties ook wel kent dan wel van gehoord heeft in het Groningerland.
Sociale vrede is dan duidelijk afwezig, dat is zonneklaar. Het is ook maar goed, dat er arbeidswetgeving gekomen is om aan deze sociale ongerechtigheid een eind te maken. Wetgeving, die dan wel marktconform moet zijn, d.w.z. het prijs- en marktmechanisme niet uitschakelt.
Douma heeft een duidelijke manier van schrijven. Het boek is zeker aan te bevelen aan mensen, die iets meer van economische ethiek willen weten.

Vrede in de maatschappij.
Uitg. GMV, postbus 547, 8000 AM Zwolle,
tel. 038-218649.
1985.
Prijs f 21,50 (excl. portokosten).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief