Pastorale notities
1986-01-31
Misschien was ik pas een jaartje dominee, toen ik preekte over de vraag van Johannes aan de Here Jezus: "Zijt Gij Degene die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten". Ik legde uit, dat Johannes niet twijfelde, maar zich ergerde. Ik deed niet verstandig met die preek. De gemeente liet zich door zo'n jonge dominee toch niet van' haar standpunt afbrengen en die geschiedenis met Johannes de Doper was een geliefd verhaal, want men meende zich te kunnen herkennen in Johannes; met z'n twijfel. - Jaargang 30
- nummer 5
Er waren in de gemeente nogal wat, die aan hun verkiezing twijfelden en zie, ook Johannes, zelfs Johannes, was een twijfelaar.
Zondag voor een week heb ik nog weer een dominee voor de radio die voorspelbare draai horen maken: Kent ook U die twijfel, luisteraar?
Ik denk dat ándere mensen zich in Johannes mogen herkennen.
De Joden, in de oorlog, in de vernietigingskampen. De Christenen, die gevangen zaten of zitten vanwege hun getuigenis.
Gaat God achteloos aan ons voorbij? Waarom worden wij niet bevrijd?
Dat het bij Johannes geen twijfel was, kan duidelijk zijn. Als ik eraan twijfel of iemand wel degene is voor wie hij zich uitgeeft, dan vraag ik hèm daar niet over, want hij zal z'n bedrog volhouden. Johannes zou tot God gebeden hebben om een antwoord op zijn vraag. Als het tenminste twijfel was. De Here Jezus heeft trouwens naar aanleiding van Johannes' vraag nadrukkelijk ontkend dat Johannes twijfelde: hij is geen riet dat door de wind heen en weer bewogen wordt. En Jezus sluit het antwoord aan Johannes met een vermaning af: Zalig wie - aan Mij niet geërgerd wordt: Dáár zat dus de fout. En dan zegt de traditionele exegese dat Johannes zich ergerde aan de stijl van Jezus' optreden. Die is zo zachtmoedig" terwijl Johannes meer een man was van "de beuk erin". Ook dat geloof ik niet. Johannes kende Jesaja 61; al voordat Jezus daar de vinger bijlegde. De Geest des Heren HEREN is op mij, om voor gevangen en vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis .
Nu dan. Het stáát er toch. Bènt U dat nu of moet ik maar naar een ander omkijken, zo vraagt Johannes zich geërgerd af.
Blinden worden ziende, en wat is het voor U een kleine moeite om mij hieruit te halen; uit deze kerker. Soms bent U in de buurt. Ik verwacht U dan.
Heer, ik ben Uw knecht, slaak Gij mijn banden.
Er komt een antwoord. Je moet je niet aan Mij ergeren, Johannes.
Ik weet niet hoe Johannes hierop gereageerd heeft. Misschien heeft hij korte tijd daarna, toen hij voetstappen hoorde op de trap en in de gang, gedacht: Daar is Hij! Voor gebondenen opening der gevangenis! Toen de deur eindelijk open was, bleek het de beul te zijn.