Op de synode van de Christ. Gereformeerde Kerken (2)
1986-10-10
Het was geen onverdeeld genoegen om in het jaar 1983 op de synode van de Chr. Geref. Kerken te Rotterdam de behandeling mee te maken van het rapport over de verhouding tot onze kerken.- Jaargang 30
- nummer 39
Vóór de discussie was er op gewezen dat onze kerken sinds jaren de a.s. dienaren van het Woord adviseren de opleiding aan de Theol, Hogeschool in Apeldoorn te kiezen met 'als gevolg, dat een jaarlijks toenemend aantal predikanten daar onderwezen is o.a. in de "predikkunde". Dit heeft niet kunnen verhinderen dat er in de discussie veel klachten over de prediking in onze kerken werden geuit.
Daarnaast waren er aanmerkingen op ons akkoord voor kerkelijk samenleven.
In het rapport van de commissie ter synode en in de besluitvorming werden de puntjes op de is gezet.
Het wekte bij ons wat irritatie en er waren momenten waarop je de indruk kreeg dat onze kerken het moesten ontgelden wegens verdeeldheid in chr. geref. kring.
Op weg naar de synode van Den Haag in september j.l, vroegen we ons af of het een herhaling van 1983 zou worden.
Er hebben zich in de Chr. Geref. Kerken de laatste jaren spanningen voorgedaan, die veel aandacht kregen in de pers, zodat ieder kan weten dat de synode voor moeilijke beslissingen komt te staan.
De moeiten zijn niet veroorzaakt 'door de samenwerking met onze kerken. Ik was daarom 'bijzonder benieuwd naar de reakties op de ' synode over samenwerking tussen de kerken in het perspectief van een éénwording.
In het rapport dat door deputaten voor de eenheid was uitgebracht was duidelijk dat de opdracht van de vorige synode strikt was uitgevoerd en onze deputaten stevig aan de tand zijn gevoeld over de predroog, akkoord van samenleven enz.
Ter synode werd ons het rapport overhandigd dat commissie IV (praeses ds K. J. Velema, rapporteur ds J. van Dijken) ter voorbereiding van de besluitvorming had opgesteld.
Treffend was dat de commissie een milde beoordeling gaf van ons kerkelijk leven en het voortzetten van de contacten hartelijk aanbeval.
Ook in dit rapport wordt gewezen op de noodzaak het gesprek over de prediking voort te zetten, maar dit gebeurt in een positieve benadering.
Als het gaat over vragen rond "de vrouw in het ambt" e.d. "menen wij dat deze zaken allereerst een zaak van de Ned. Geref. Kerken zelf zijn in haar kerkelijke vergaderingen.
Er mag vertrouwen zijn, dat kerken die willen leven naar Schrift en belijdenis hierin juist zullen handelen, wel meent de commissie dat het tot de taak van deputaten .hoort, de ontwikkeling rond deze zaken in de Ned. Geref. Kerken aandachtig te blijven volgen en zo nodig hierover met de commissie van de Ned. Geref. Kerken te spreken. Met blijdschap en dankbaarheid las uw commissie dat opnieuw werd gewezen op de bereidheid van de Ned. Geref. Kerken om bij een vereniging het Akkoord van kerkelijk samenleven te vervangen door de kerkorde van de Chr. Geref. Kerken, aldus de commissie.
Bij de bespreking van het rapport werd niet zó veel kritiek op onze kerken geuit als in 1983.
In het algemeen stelde men zich bescheiden op.
Wel werd als bezwaar ingebracht dat er Ned. Geref. Kerken zijn waar kinderen aan het Avondmaal worden toegelaten, maar de rapporteur ging niet in op incidentele zaken.
Het werd geen herhaling van 1983 en dit is een bemoediging op de moeizame weg ,tot elkander. Intussen is met de vertrouwensvolle woorden over incidentele zaken en het Akkoord van kerkelijk samenleven een wissel op onze kerken aerrokken die ons bezig moet houden.
Het is geen aangename zaak onze kerken te vertegenwoordigen in, 'binnen- of buitenland en de broeders te vérzekeren dat er een akkoord van kerkelijk samenleven is aangenomen, terwijl er kerken zijn die een binding niet aanvaarden.
Het is niet zo moeilijk duidelijk te maken dat gezien het feit dat onze kerken twee maal onder het juk van synodale heerschappijvoering zijn doorgegaan er onder ons weerstanden waren en zijn tegen het aanvaarden van een nieuw kerkverband.
Op de Landelijke Vergadering van Breukelen is door de overgrote meerderheid van kerken het akkoord voor kerkelijk samenleven aanvaard. , Maar in de zgn. pré-ambule is uitgesproken dat het al of niet aanvaarden van het kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk en verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden.
Hierin is duidelijk dat ons streven is alle kerken die in de zestiger jaren verstoten zijn, bijeen te houden, om samen een weg uit de verstrooiing te zoeken.
Wie de geschiedenis van onze kerken kent begrijpt dan wel dat wij de banden met de kerken, die het akkoord van samenleven niet aanvaarden, willen bewaren.
Maar dan wordt ons gevraagd waar de grenzen van die aanvaarding zijn.
Er is een grens aangegeven in de omschrijving: gemeenten die één zijn in geloof en belijden.
.Maar dan zijn we er nog niet en de kerken zullen zich hierover moeten beraden want er wordt in binnen-
en buitenland op toezien hoe het akkoord van samenleven gaat funktioneren.
De laatste jaren wordt er b.v. veel gesproken over de vragen rondom de vrouw in het ambt.
Daarover is in de kerken van gereformeerde belijdenis verschil van ,inzicht, ook binnen onze kerken.
Wanneer in gesprekken over de zaak die ons bezig houdt wordt opgemerkt dat er Ned. Geref. Kerken zijn waar men de vrouw in het ambt heeft gesteld, kunnen we dit niet ontkennen; wel tot zijn proporties terug brengen, namelijk, dat het zich maar in enkele kerken voordoet.
Het zijn kerken die het akkoord niet hebben aanvaard en zonder de zusterkerken er in te kennen tot deze ingrijpende verandering zijn gekomen.
Is men hier niet over de grenzen van het kerkverband gegaan werd mij in het buitenland gevraagd.
Persoonlijk ben. ik van mening dat kerken die op deze wijze handelen zich van de zusterkerken vervreemden en als dit navolging gaat vinden zullen we ons ernstig moeten beraden op-de vraag wat het kerkverband voor deze kerken en voor ons inhoudt.
Zo'n bezinning klemt te meer daar ter chr. geref. synode dankbaarheid is uitgesproken voor de bereidheid van onze kant om bij een vereniging het akkoord te vervangen door de kerkorde van de Chr.
Geref. Kerken.
Zulke toezeggingen kunnen we niet vrijblijvend doen want ze verplichten ons kerkelijk naar elkaar toe te leven.
Hoezeer het ons ernst is in het streven naar eenheid blijkt ook uit een zinsnede uit de brief, door het moderamen van de landelijke vergadering van Enschede, gericht aan de Chr. Geref. Synode:
"Intussen kunnen wij u niet verhelen dat er in onze besprekingen een ondertoon van teleurstelling viel te bespeuren over het feit dat er niet meer voortgang was in het gesprek tussen Deputaten en Commissie.
Wij zouden graag uw reaktie op het perspectief, opgesteld door de land. verg. van Breukelen 1981/82 willen vernemen. Onze vergadering hecht daar grote waarde aan en het is haar bekend, dat verscheidene plaatselijke Ned. Geref. Kerken reeds uitspraken deden in de daarin beschreven richting."
Het "perspectief" was een klemmende oproep aan de Chr. Geref. en Ned. Geref. Kerken elkaar 'te aanvaarden. (De tekst in de Akta Breukelen)
"Het spijt de commissie", aldus het rapport ter synode in Den Haag, "dat wij nog niet dè hoopvolle woorden en gedachten van Breukelen tot de onze kunnen maken.
De situatie en de ontwikkelingen waarin de samensprekingen en contacten zich op dit moment bevinden geven daar helaas te weinig reden voor."
Aan beide kerken de taak duidelij-k te maken dat het streven naar kerkelijke vereniging ons ernst is en wij bereid zijn zo nodig offers te brengen voor de goede zaak.