De dichter Revius (5)

1986-10-10
  • Jaargang 30
  • nummer 39
Langzamerhand moeten we toewerken naar een "einde van deze reeks over Revius. Mijn bedoeling is vandaag nog wat te zeggen over zijn geestelijke poëzie en enkele gedichten over te, nemen waarvan ik hoop dat ze zullen "overkomen" zoals dat tegenwoordig heet. De volgende en voorlopig laatste keer kunnen we ons dan nog bezig houden met vaderlandse gedichten van Revius.

Eerst krijgt u nu enkele gedichten die betrekking hebben op de ambten in de kerk. We beginnen maar met dat over de dominee, Revius zet het zelf ook voorop:

Predikant
Zult gij wezen predikant,
Wacht uw beurt van hoger hand.
Zet laat-dunken aan een kant.
Biddet God gedurig, want .
Hij moet kweken wat gij plant.
Voor de waarheid hoqdet stand,
Waarheid is een edel plant.
Strengelt vast der liefde band,
Liefde toch de krone spant.
Ziet gij een geveinsde kwant,
Dreigt hem met der hellen brand.
Die in openbare schand'
Leven, uit de kudde bant.
Van den wolve aangerand,
Toont hem dapper uwen tand.
Volget niet des werelds trant,
Of gij wordet overmand.
Bouwet nimmer op het zand,
Maar op Christus die u zand.
Weest zo doende predikant.

Ouderling
Zult gij wezen ouderling,
Zellef u niet in en dring.
Oordeelt recht van alle ding,
Van de lere zonderling. (in het bijzonder)
Vrede is een vaste ring,
Houdet vrede onderling.
Onderwijst den nieuweling,
Dat hij niet te rugge spring.
De godlozen heftig dwing
En met haar u niet verming.
De bedroefden troost aanbring.
Weest de zwakken niet te string,
Denkt hoe Christus ons omving,
Toen hij aan den kruise hing
En Hij in zijn schoot ontving
't Schaapken dat er dolen ging.
Tegen goede ordening
Niet en worstel noch en wring.
Acht uw leraars niet gering.
Weest zo doende ouderling.

Diaken
Zult gij wezen een diaken
En Gods zegeninge smaken,
Neemt in goed doen uw vermaken.
Alle sturigheid wilt staken, (norsheid)
Weest van minnelijke spraken.
Laat haar nood uw harte raken,
Die de middelen ontbraken.
Spijst de hongerige kaken,
Drenkt ze die.van dorste blaken,
Troost die naar de adem snaken, (happen)
Helpt de naakte onder 't laken,
En de vreemde onder daken.
Luiaards laat u niet genaken,
Welker vingers zijn als haken
En haar harten God verzaken.
Zijt getrouw voor alle zaken,
Past goed rekening te maken, (zorg ervoor)
Willet bidden en de waken,
Godes loon hebt voor een baken,
Weest zo doende een diaken.

Het is niet zo zeer omdat ik onder de indruk ben van de literaire prestaties die Revius hier -levert, dat ik deze "gedichten" overneem, maar in een blad als Opbouwzijn ze toch wel een beetje op hun plaats. In een bloemlezing zult u ze niet zo gauw aantreffen en wie weet, kunnen ze nog eens dienst doen bij de bevestiging van ambtsdragers! Alhoewel, het is misschien toch beter ze dan maar in kleinere kring voor te lezen en niet tijdens een kerkdienst. Op een kerkeraadsvergadering bij voorbeeld? Een glimlach of een licht gegrinnik kan heel bevorderlijk zijn voor de sfeer.
Het is maar een gedachte van me, maar wie weet wat iemand er nog aan kan hebben. Lees Opbouwen je steekt nog eens wat op!

Er zijn nog twee gedichten waarvoor ik vandaag uw aandacht wil vragen.
Het eerste is:

Aanvechting
Ik heb om Uw genad'Ogrote God, gebeden,
Maar och, Gij hebt ze mij in mijnen druk ontzeid.
Ik heb geroepen om Uw milde goedigheid,
Maar heb ze niet gevoeld in mijn ellendigheden.
Ik heb om Uwe liejd' geworsteld en gestreden,
Maar hebbe te vergeefs daar lange naar gebeid.
Ik heb be dik gezocht uw mededogendheid,
Maar en verneem ze niet tot op de dag van heden.
Hoe licht kon Uw gena bekeren mijn gemoed,
Uw liejd' en goedigheid mij trekken tot het goed'.
Uw mededogendheid van 't kwade mij bevrijden.
Eilaas, wat zeg ik, Heer! Dewijl mijn harte tracht
Naar uwe zoetigheid, zo heeft daarin gewracht
Uw goedheid, Uw gena, Uw liefd', Uw medelijden.

(Toelichting: gebeid naar = gewacht op; dik = dikwijls, dewijl = omdat; zoetigheid = goedertierenheid, genade; gewracht = gewerkt)

Dit gedicht is waard meer dan één keer gelezen en overdacht te worden.
Het is ook echt een gedicht van een herder en leraar die de christen pastoraalonderwijst en troost. Die "ik" in het gedicht is iedereen die met dit probleem worstelt, en wie kent géén aanvechtingen? Wat Revius hier schrijft, zou èen grote steun kunnen zijn voor mensen zoals Maarten 't Hart die beschrijft in zijn laatste roman, "De Jacobsladder", de tobber, de me'nsen van de "zwarte-kousen-kerk". "Ben ik wel uitverkoren?" Dàt is daar de grote vraag en in de meeste gevallen blijft het antwoord uit, of is het negatief. (Maar over dat boek krijgen we het nog wel.) Natuurlijk kende Revius als theoloog het werk van Calvijn en van zijn opvolger in Genève, Beza. En juist Beza heeft de gelovige die worstelt met de vraag van de uitverkiezing, geholpen door te wijzen op de resultaten van de wedergeboorte: het besef van onze zonden drukt ons neef, wij willen die zonde ook niet verder, wij bidden om Gods genade en hulp en dat is op zichzelf al een bewijs dat God met ons bezig is, dat Hij ons wil redden! Ziehier een stuk gereformeerde dogmatiek dat dichterlijk verwerkt is tot een steun, een troost voor de mens die ten onrechte bezig is met vragen die hem in wezen niet aangaan. We geloven niet in onze uitverkiezing, we geloven in onze redding door de Here Jezus. En dáárvoor danken we. Dan wordt ons ook duidelijk wat Revius in een ander gedicht als volgt onder woorden brengt:
Het goede dat ik heb,O Heere, is van Dij.
en al wat anders is, dat is helaas van mij.

Ook dat geloof is een gave van God. En dàt bewijst dat Hij ons uitverkoren heeft. Maar wat onze eindconclusie mag zijn, moeten we niet als uitgangspunt willen gebruiken!
Het laatste gedicht voor vandaag is het heel bekende:

Hij droeg onze smarten
't En zijn de Joden niet, Heer Jezus, die U kruisten,
Noch die verraderlijk U togen voor 't gericht,
Noch die versmadelijk U spogen in 't gezicht,
Noch die U knevelden en stieten U vol puisten.
't En zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten
Den rietstok of den hamer hebben opgelicht,
Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
Of over .uwen rok saam dobbelden en tuisten. (gokten)
Ik ben 't,0 Heer, die U dit heb gedaan,
Ik ben de zware boom die U had over/aan,
Ik ben de taaie streng waarmee gij gingt gebonden,
De nagel en de speer, de gesel die U sloeg,
De bloed-bedropen kroon die Uwe schedel droeg,
Want dit is ál geschied, helaas, om mijne zonden.

Toelichting is, denk ik, overbodig. Het gedicht is inderdaad erg bekend, maar ik meen toch dat het in deze reeks niet mag ontbreken. En opnieuw wil ik opmerken dat ook dit geen aanleiding kan zijn om te spreken over de "typisch calvinistische dichter Revius". Alsof besef van persoonlijke schuld niet juist echt algemeen - (d.i. "katholiek") christelijk is!
Hierbij moeten we het vandaag maar weer laten. Nog even dit: natuurlijk berust een deel van wat ik heb geschreven op wat door anderen is gepubliceerd, maar met opzet heb ik geen wetenschappelijke indruk willen wekken door al die publikaties te noemen. Eén uitzondering wil ik maken: vooral het werk van professor Strengholt doet naar mijn idee Revius volledig recht. Zijn studies zijn gebundeld onder de titel: ·"Bloemen in Getsemané", een uitgave van Buijten en Schipperheijn.
Tot de volgende keer!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief