Het Liedboek
1986-10-10
Lied 371- Jaargang 30
- nummer 39
Al meteen aan het begin van dit Lied, eveneens afkomstig van een dichter uit de christelijke oudheid (Prudentius), is het duidelijk dat we ook hier te maken hebben met een morgenlied met de haan in 't middelpunt. "Alleen Prudentius is in zijn gedicht veel verder gegaan dan Ambrosius. De haan is hier niet meer enkel de heraut van de dag, de aankondiger van het dagelijkse leven, maar van het eeuwige leven." (Cornp. p. 835).
In de loop der eeuwen zijn uit de oorspronkelijke, zeer lange, dichtwerken enkele gedeelten gekozen en tot nieuwe hymnen gemaakt: "daarbij zijn strofen en zelfs afzonderlijke regels uit het geheel uitgelicht en weer aaneengeplakt."
Het is een erg primitief gedicht geworden, dat o.i. niet meer past in deze tijd. Blijkbaar is de gedachte dat het oude mystiek beleefd moet worden de opzet geweest om dit.
lied een plaats te geven.
De melodie' van waarschijnlijk vóór-middeleeuwse oorsprong, is goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Liecl372
Het thema van dit Lied is hetzelfde als van de beide voorgaande: de tegenstelling licht en duister als duidelijk aansprekende beelden.
Hoewel de tekst wel beter is dan van de beide voorgaande liederen (370 en 371) blijft het bezwaar tegen het zwart-wit-schema toch nog bestaan, zij het in mindere mate.
De melodie is dezelfde als van lied 371.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 373
De gedachte die ook in dit Lied weer duidelijk tot uiting komt is de eenzijdige duisternis-licht-visie, zoals die o.m. in strofe 1 wordt verwoord: "God zij geloofd, dat Hij vannacht, ons heeft bewaard voor satans macht." Overigens is de combinatie van strofe 2 en 3 niet duidelijk: de laatste 2 regels van strofe 2 passen niet op deze plaats. Het gedicht is verder wel iets beneden de maat: "doorschijn geheel ons doen, geheel ons zijn" is te veel "rijmachtig" en het woord "spiegelglans" (strofe 3) is niet mooi.
De melodie, een van de 9 in het Liedboek opgenomen zangwijzen, is van de componist Vulpius, wiens kerkliederen "tot de schoonste van alle tijden behoren."
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 374
De tekst van dit Lied achten weook dichterlijk - voor een kerklied aan de lage kant. Zo is b.v. meteen het begin al wat "alledaags": "De zon gaat op in gouden schijn, laat ons de hemel dankbaar zijn" en evenzo: "weer van ons, trouwe toeverlaat, al wat ons naar het leven staat" (strofe 4). Voorts bevat het lied diverse zgn. "stoplappen", zoals b.v. in strofe 3: "rondom ons heen in deze nacht" en is te "rijmelachtig" van karakter. Mogelijk heeft een en ander te maken met het doel, nl. ,,om in de behoefte aan liederen die bij gemeenschappelijk dagbegin b.v. op scholen en in dagkampen kunnen worden gebruikt, te voorzien. Ook t.a.v. het, voorgaande lied (373) geldt deze opmerking." (Cornp. p. 839).
Maar "kinderlijk" betekent o.i. toch niet dat het beneden de maat behoeft te zijn. De liederen van o.m. Hanna Lam tonen dit wel voldoende aan.
De buitengewoon mooie melodie staat ver boven de tekst van dit lied.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 375
Zowel naar inhoud als vorm is dit Lied vergelijkbaar met het voorgaande: enigszins moralistisch van karakter en de dichterlijke vorm grenst aan een simpel "gerijmel".
Ook op de tekst zelf is nog wel een en ander aan te merken: zoals b.v. de 1e regel van strofe 4: "daartoe gaf God uw ogen 't licht." Dit lijkt ons niet juist gezegd en we plaatsen ook een vraagteken bij de laatste regel van strofe 5: "dan kan Uw heil ons niet ontgaan." Vergelijking van dit lied met b.v, Psalm 8 leidt zonder meer tot de conclusie dat de laatste belangrijk beter is.
De melodie is mooi en tamelijk goed bekend.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 376
Gemeten naar de inhoud kan dit , gedicht van Revius wel als Lied worden geaccepteerd, maar taal en stijl zijn dermate verouderd dat het voor onze tijd niet meer als kerklied kan functioneren. Het spreekt totaal niet meer 'aan ook met betrekking tot de symboliek.
Wat de zangwijs aangaat: "het is een charmant melodietje", alsdus het Compendium. (p. 842).
Tekst: (uit oogpunt van taal en stijl) I; melodie: 3.
Lied 377
Ondanks de herdichting zijn ook taal en stijl van-dit Lied, als tamelijk verouderd aan te duiden. Over 't geheel genomen is de' inhoud aanvaardbaar.In 't bijzonder vertolken enkele strofen zeer goed diverse bijbelse gedachten. "Dat het lied vol toespelingen op bijbelplaatsen zit, zou, dunkt mij, gemakkelijk aan te tonen zijn. .Maar hun onopvallendheid en onnadrukkelijkheid behoort m.i. tot de grootste deugden van het lied", aldus de bewerker. (Cornp. p. 843).
De melodie past uitstekend bij de tekst. , Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 378
Centraal staat in dit Lied "het licht", waarvan in vrijwel elke' strofe sprake is. Het bevat pastorale aanwijzingen met betrekking tot taak en plaats van de gelovige kinderen Gods, zoals deze het begin van elke dag mede bepalen. De eerste strofe valt door zijn iets te vlakke inhoud wat uit de toon van het geheel.
Door de melodie wordt het karakter van het lied wat meer gedragen hetgeen het geheel wel ten goede komt.
Tekst: 3; melodie: 3. Lieel379 De gezwollen taal en stijl van dit Lied (een gedicht van Jan Luyken uit het einde van de 17e eeuw) zijn dermate verouderd, dat het thans als kerklied niet meer aanvaardbaar is. Dat de inhoud daarbij een ouderwets "stichtelijk" karakter draagt en bovendien mystieke elementen niet ontbreken (b.v. strofe 2) versterkt nog deze afwijzing. .
De melodie is die van Psalm 25.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 380
Een morgenlied (bewerking van een Engelse hymne) met weinig inhoud, een zwak gedicht met een alledaagse stijl: daarmee in dit Lied voldoende getypeerd. Als illustratie diene een aanhaling van strofe 5 en 6.
,,Houd dan de hemel in het oog, maar hef uw hart niet al te hoog. Op aarde hier, op aarde thans, ziet gij een bovenstaande glans.
De kalme gang, de kleine taak, zijn ruim genoeg voor Godes zaak.
Onzelf verliezen in ’t gebod brengt ons daaglijks nader ons tot God.
De melodie is tamelijk onbekend, maar niet moeilijk.
Tekst 1; melodie; 3.
Lied 381
Een andere en belangrijk betere bewerking' van dezelfde Engelse hymne (als 380) vinden we in dit Lied. En dan nog toevallig ontstaan ook! De dichter vertelt hierover namelijk dat hij van de NCRV een opdracht kreeg voor het vertalen c.q. bewerken van een tiental morgenliederen uit andere landen. "Zo viel het oog van bewerker dezes op deze hymn, niet beseffend, dat daarvan reeds een Nederlandse bewerking bestond van de hand van J. J. Thomson (strofe 1, 2, 6 en 7 van lied 380).
Zo zijn van eenzelfde lied twee 'bewerkingen ontstaan, die een geheel verschillend karakter dragen.
In dit morgenlied worden de gewone themata van morgenliederen aangeslagen: dank voor bewaring in de nacht (hier met een paar woordspelingen in strofe 1), gebed om bewaring voor de zonde, kracht en wijsheid voor de taak van de nieuwe dag en uitzicht op het komend koninkrijk." (Comp. p. 853).
De melodiè is dezelfde als van lied 380.
Tekst: 3; melodie: 3.