Uit breder kring

1986-10-10
  • Jaargang 30
  • nummer 39
Democratiseringsvoorschriften,in maatschappelijke organisaties
Het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken heeft zich omtrent bovenstaande regelgeving met een brief van 26 september j.l. gewend tot de minister van Welzijn, Volksgezondheid, en Cultuur.

Gelet op de verstrekkende mogelijkheden, die (kunnen) voortvloeien uit de bestuurlijke democratisering, welke in de diverse provinciale verordeningen' wordt voorgeschreven, menen wij er goed aan te doen deze brief in extenso te publiceren.

INTREKERKEUJK CONTACT IN OVERHEIDSZAKEN

Secretariaat:
telefoon 04110-1418
Postbus 154 5270
AD Sint Michielsgestel

26 september 1986

Zijne Excellentie
Mr Drs L. C. Brinkman,
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Postbus 5406, 2280 HK Rijswijk.

Excellentie,
Namens het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (C.LO.) vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Op 21 mei j.l. mocht een delegatie van het C.I.O. met u en enige ambtenaren een overleg voeren over vraagstukken in het kader van de herziene Wet op de Bejaardenoorden.
Met name werd uitvoerig van gedachten gewisseld over democratiseringsvoorschriften en provinciale verordeningen. Refererend aan dit nuttige overleg op 21 mei j.l. heeft het Contact gemeend over en naar aanleiding van deze democratiseringsmaatregelen u het volgende schriftelijk te moeten voorleggen

Het Contact constateert met zorg dat verschillende provinciale verordeningen in het kader van de Wet op de Bejaardenoorden, democratiseringsvoorschriften gaan inhouden, die niet alleen afwijken van de voorstellen van de AMvBdemocratisering, maar ook de vraag opwerpen of en in hoeverre bedoelde democratiseringsregelingen van de provinciale wetgevers aanvaardbaar zijn.

Vooraf merkt het Interkerkelijk Contact op dat het streven naar optimale democratische verhoudingen in maatschappelijke organisaties als een positieve zaak wordt beschouwd en ook van harte bevordering verdient.
In democratiseringsprocessen moet echter ook het recht van burgers' en collectieven van burgers op godsdienstvrijheid en de daarin besloten vrijheid van inrichting worden gewaarborgd, indien een groep van burgers geen meerderheid vormt.

Het Contact koesters nu gevoelens van bezorgdheid over een democratisering, zoals deze door provinciale verordeningen wordt verlangd, en wil deze niet verhelen ..

a. In de afgelopen tientallen jaren hebben vele kerkelijke instellingen in het kader van maatschappelijke ontwikkelingen enm.n. van de toename van over heidszorg, taken en bevoegdheden op diverse maatschappelijke terreinen overgedragen aan burgerlijke stichtingen en verenigingen.
Daarbij zijn statutair waarborgen geschapen voor de religieuze grondslag of identiteit.
Het- Interkerkelijk Contact constateert dat door de bestuurlijke democratisering zoals deze in verschillende provinciale verordeningen wordt voorgeschreven, deze grondslag kan worden aangetast.
Genoemde verordeningen scheppen onvoldoende .waarborgen dat de doelstellingen en identiteit door bestuursleden van identiteitsgebonden instellingen onderschreven en ook werkelijk op dat punt bevorderd worden.
Dit geldt bijvoorbeeld in het bijzonder voor instellingen, waarop kerkrechtelijke verhoudingen een bepalende invloed hebben. Deze betreffen regels over de wijze van benoeming van bestuursleden en de eisen, die aan een -te benoemen persoon wordt gesteld.

b. De provinciale verordeningen of voorstellen daartoe kunnen dwingen tot aanpassing van statuten, waardoor ook een statutair vastgelegde doelstelling gevaar loopt in het gedrang te raken, zodat feitelijke ontkrachting het gevolg is.
De provinciale verordeningen komen hierdoor op gespannen voet te staan met Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij moet worden geconstateerd dat aan de provinciale verordeningen geen lex specialis van gelijkwaardige orde ten grondslag ligt.

c. In het licht van de herziene Grondwet rijst ernstige twijfel of een democratiseringsregel via een provinciale verordening de op artikel 6 van de Grondwet en atikel 9 van het Verdrag van Rome gebaseerde vrijheid .van inrichting mag beïnvloeden, laat staan beperken.
Artikel 6 van de Grondwet vereist dat de vrijheid van godsdienst slechts ingevolge een wet in formele zin en op bepaalde gronden beperkt kan worden.

Het Interkerkelijk Contact bepleit een algemene, landelijke, wettelijke regeling, waarbij voor een aanvaardbaar democratiseringsmodel binnen confessionele instellingen, de volgende punten geregeld moeten worden.

1. De instelling van cliëntenraden.
Dit begrip, ontleend aan de terminologie van de stuurgroep D.F.I., wordt in de sector bejaardenzorg 'vertaald in "bewonerscommissies", bij de gezondheidszorg -in "patiëntenraden" en bij het onderwijs in “medezeggenschapsraden"
De onderwerpelijke raden/commissies dienen zodanige 'bevoegdheden te verwerven dat verwacht mag worden dat op grond hiervan een goede bijdrage aan het bestuursbeleid van de instelling gegeven kan worden.
In beginsel moet de bevoegdheid bestaan om gevraagd en ongevraagd - afhankelijk van de zwaarte van het onderwerpadvies te geven over alle onderwerpen, die het bestuursbeleid betreffen.
Daarnaast kan worden bepaald dat het bestuur van een instelling verplicht is over een aantal zaken advies of eventueel instemming te verkrijgen.

2. In beginsel is te volstaan met de instelling van een cliëntenraad en met personeels medezeggenschapsorganen, zoals de ondernemingsraden (in de onderwijssector "de medezeggenschapsraad").
Deze beide organen waarborgen de inspraak van de direct belanghebbenden in het beleid van instellingen: bij een goed functioneren van deze raden en adequate gebruikmaking van bevoegdheden kan het democratiseringsproces zich positief ontwikkelen.
Ben bestuurlijke democratisering stuit soms op ernstige bezwaren, waarvan slechts genoemd worden: rolverwisseling en het niet verdedigen van bestuursbesluiten tegenover de achterban, waardoor conflicten met vertegenwoordigende bestuurders niet uitgesloten zijn.
Indien het democratiseringsproces verlangt dat een aanbevelings- of voordrachtsrecht voor bepaalde bestuursleden aan bepaalde groeperingen in een instelling wordt toegekend, meent het Contact dat alsdan bij formele wet zou moeten worden vastgelegd, dat een bestuur niet behoeft te benoemen wanneer een doelstelling 'en/of identiteit door de aanbevolen of voorgedragen persoon niet wordt onderschreven.
In zo'n geval kan een nieuwe aanvulling of voordracht worden gedaan. Indien opnieuw de aanbeveling of voordracht op dit punt niet voldoet, dient het bestuur de vrijheid te hebben zonder een nieuwe voordracht over te gaan tot een benoeming.

3. Een wettelijke regeling om de in de statuten vastgelegde doelstelling en daartoe strekkende statutaire bepalingen inzake identiteit en grondslag te waarborgen in de zin van de artikelen 1 en 6 van de Grondwet.
Het institutioneel vastleggen van de identiteit en grondslag laat onverlet dat de overheid eisen van democratisering kan stellen, zoals dat ook in het kader van de vrijheid van onderwijs mogelijk is.
Zo'n wettelijke regeling zou moeten inhouden dat een bestuur in zijn beleid moet kunnen afwijken van uitspraken van de cliëntenraad en/of ondernamingsraad, wanneer de doelstelling en/of identiteit in het geding zijn. Een bestuur bchoeft geen medewerking te verlenen aan ontwikkelingen, die in strijd zijn met de doelstelling en de grondslag, zoals deze in de statuten zijn vastgelegd.
De Wet moet het mogelijk maken dat desgewenst statutair wordt bepaald dat leden van de cliëntenraad en/of ondernemingsraad schriftelijk verklaren de grondslag te onderschrijven, c.q. te respecteren.

In de hoop dat u aan het bovenstaande grote aandacht wilt besteden en bereid bent het een en ander ter kennis te brengen van andere betrokken bewindslieden tekenen, met de meeste hoogachting,

Prof. Mr I. A. Diepenhorst, Voorzitter; Mr F. H. M. van Spaendonck, Secretaris

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief