Het nieuwe is er al
1986-02-07
Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. (2 Cor. 5: 17) - Jaargang 30
- nummer 6
Dr F. A. Schaeffer vertelt in één van zijn boeken iets over een grafsteen die iemand neergezet heeft, ergens aan de kust valt de oceaan in Californië. Er staat onder meer op:
De oceanen stierven in 1979.
De Here heeft gegeven,
de mens heeft genomen,
de naam des mensen zij vervloekt.
Met zoiets mag je bij de mannen van Greenpeace op bijval rekenen.
De dood van de oceanen is er alleen wat laat gedateerd.
Ik weet wel: het is allemaal in een enorme stroomversnelling geraakt.
In mijn jongensjaren zwom je nog in elke boerensloot en nu bekijk je argwanend het zwembad, maar toch: de oceanen gingen al eerder dood. Al heeft de Here God het in zijn goedheid allemaal sterk vertraagd: de oceanen gingen dood tegelijk met de mens. Ik bedoel dood dan in de bijbelse zin van: dood in zonde en misdaden.
Voor de andere geschapen dingen betekent dat: aan de vruchteloosheid onderworpen en dienstbaar aan de vergankelijkheid.
Wij zouden er de schepping een enorme dienst mee bewijzen als wij een goed zicht zouden behouden op de verhouding tussen de dood van de mens en de dood van de rest van de schepping.
Er varen soms toch wel vreemde gedachten door de mensheid over de geschapen dingen. Ook door christenen. Ik denk aan dat verschrikkelijke Gezang 400, waar God wordt geloofd om zuster maan, broeder wateren, moeder aarde en zelfs om zuster dood. Een hymnologisch bedrijfsongeval is dat. De wind is mijn broeder niet en de aarde is niet mijn moeder en de dood zeker niet mijn zuster. Wat wind en water en maan met mij gemeen hebben is dat wij tot dezelfde schepping behoren.
Is de relatie in Gezang 400 mij dan te nauw, de afstand te klein?
Liever zeg ik dat de afstand hier te groot is. Zelfs als we de mens 'kroon der schepping' noemen begrijp ik, dat wel, maar ook dan suggereren we een te grote distantie.
De relatie tussen mens en schepping is eerder die van wortel tot plant. Elke huisvrouw met een vensterbank weet dat haar dierbare planten ten dode zijn opgeschreven als hun wortel dood is.
Zo is het gegaan tussen de mens en de schepping. De mens heeft zich 'van God die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden' (Ned. Gel. Bel.) en zo de dood gevonden. En met hem de gehele, schepping. Dat het aardrijk door de Here God is vervloekt is maar niet een door de Here God daaraan toegevoegd oordeel om het kwaad dat de mens bedreef, maar zo zat de schepping in elkaar. Gaat de wortel dood, dan gaat de plant dood. Er bestaat oorzakelijk verband tussen de dood van de scheppingen de dood van de mens.
Ik weet wel: deze dingen laten zich ook met andere woorden zeggen. Je kunt hier spreken over het verbond, waarin aarde en hemel met de mens zijn betrokken.
En wortel en plant doen hier dienst als beelden maar toch: beelden die een werkelijke stand van zaken recht doen. En had de mensheid die stand van zaken altijd in heroog gehouden; dan zou Greenpeace vermoedelijk nooit in het leven zijn geroepen.
De mens zou God gezocht hebbenen de gehele schepping zou daarmee zijn gediend. De schepping zelf heeft er, zoals Paulus ons vertelt, besef van dat zij er bij gebaat is dat de mens bij God het leven zoekt, daarom wacht zij reikhalzend op het openbaar worden der zonen Gods.
Omdat de dood in de mens greep kreeg op de gehele schepping moet het verlossend werk van God ook radikaal zijn. In het woord radikaal zit het woord radix (= wortel). In de herschepping voorziet de Here God de schepping van een nieuwe wortel. Het O.T. is er om ons te vertellen hoe de Here dat probeert met de mens. Het O.T. is het verhaal van, onze mislukkingen.
Toen is God nog één keer opnieuw begonnen in zijn Zoon.
'God van zegen, onzentwegen hebt G' Uw Zoon geplant.'
In Christus kreeg de gehele schepping een nieuwe wortel. Niet maar de mensheid, maar de gehele schepping. De mens heeft de ontzettende mogelijkheid om het leven dat er voor Hem is in die nieuwe wortel af te wijzen, maar wie in Christus is, is een nieuwe schepping.
Wat veelzeggend is dat woord schepping hier.
Niet maar een nieuw schepsel.
Dat zou alleen zeggen dat er hier en daar, los van elkaar nieuwe stukjes schepping op aarde aanwezig zijn, maar wat heeft de gehele schepping daaraan?
Wat zegt dat in verhouding tot de grondeloze nood waarin nu het geschapene verkeert?
Maar in Christus is er een nieuwe schepping.
Met minder dan scheppend handelen kon God niet toe. Het nieuwe kon niet gemaakt worden uit restanten aan goede dingen die nog in de mens over waren gebleven. Dat is het vermoeiende op het gebied van alle menswetenschappen.
Algemeen gaat men er van uit dat zij ruimte moet maken voor het goede dat de mens in zich heeft, maar zo komt er niet iets dat werkelijk nieuw is.
Het nieuwe moest van God komen.
Niet uit delfstoffen in de mens. Want los van zijn wortel is de mens echt dood. 'Hartstikke dood' heb ik in een preek gezegd.
Merkwaardig dat we dan even schrikken van hartstikke maar niet zo erg van dood.
'Het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.' Hoor ik dat nu goed?
De apostel komt niet terug op wat hij zei over de nieuwe schepping, maar hoor ik nu goed dat het vervolg wat voorzichtiger klinkt: het nieuwe is gekomen.
Meer niet, Het gaat wat in de richting van de woorden die God sprak door Jesaja: (en waaraan Paulus vermoedelijk ook wel dacht): 'zie, Ik maak iets nieuws; nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan?’
Ook bij Jesaja zijn het voorzichtige woorden, die God spreekt: het spruit uit. Je moet er wel op letten.
Want het oude is voorbijgegaan en we nemen dat ernstig, maar wat heeft dat de schijn tegen.
Soms schijnen dood en verderf en mislukking en zonde machtiger dan ooit.
Toch is het anders geworden op aarde.
Zoals het leven in de laatste oorlogswinter het leven anders gekleurd werd doordat we wisten: de bevrijding is er al, hef front ligt al in onze zuidelijke provincies. Soms kwam er iemand door de linies. Dan kreeg je chocolade of sigaretten.
Tekenen van de bevrijding.
Naar zulke tekenen mag je nu toch zeker zoeken?
Ik bedoel niet in tekenen die wij proberen op te richten, maar dingen waarvan we beseffen: dat kwam niet van ons. We hadden dat niet in ons, maar 'dit alles is uit God'. Dan spruit de nieuwe schepping toch uit, heel dicht bij, in je eigen leven? En is het geen feestelijke gedachte en moed gevend ook om te weten dat nieuwe leven is voor de gehele schepping bedoeld. Dan moet het toch mogelijk zijn om de ondergangstemming van nu te ontkomen?
'Open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan' (Gez. 479), die hebben we wel nodig.