Pastorale notities
1986-02-21
Laura Reedijk schrijft in Trouw pastorale notities. Meestal over het ziekenbezoek. Enkele maanden geleden had ze het over de vragen, die ziekenbezoekers aan de zieke stellen en over de antwoorden, die op o die vragen worden verwacht.- Jaargang 30
- nummer 8
Zo was er een bezoeker of bezoekster, die aan een zieke vrouw vroeg: En, hoe gaat het ermee? Het antwoord was: Slecht.
Dit stond de bezoeker niet aan.
Want dit maakt het moeilijker.
Je moet dan opeens op een andere golflengte gaan praten.
De bezoeker begon daarom te bestraffen: Je mag toch wel bedenken, dat het ook heel anders had kunnen gaan. Je knapt nu toch op?
Dat was ook zo, maar de zieke voelde zich nu eenmaal allerellendigst.
En dat zei ze.
Ik weet niet hoe het verhaalverder liep. Ik heb het niet bewaard.
Maar we denken er nog wat over na. Mag ik dan vooropstellen dat ik het niet heb over bezoeken, die ik ontvangen mocht. Ik spreek slechts uit algemene ervaring. Een ouderling komt op bezoek bij een zieke en vraagt, hoe het ermee gaat. De zieke zegt: Het gaat aardig. De ouderling zegt: U mag wel heel erg dankbaar zijn, dat alles zo gelopen is, met die operatie en zo.
Waarom krijgt de zieke daar nu de kriebels van? Hij voelt zich slap en misselijk. Hij weet wel, dat het tijdens de operatie mis had kunnen gaan, maar om nu te zeggen, dat hij zich blij en uitgelaten voelt, nou nee. Hij denkt: Ik geloof wel dat ik dankbaar ben, maar ik ben nog te ver van huis dan dat ik dat goed besef. En nu zadelt de ambtsdrager hem met een schuldgevoel op. Ja, ik moest eigenlijk vrolijk zijn, dankbaar.
Wat had de bezoeker moeten zeggen? “Wij zijn erg dankbaar dat U er doorheen gekomen bent." Zo zou de gemeente naast de zieke zijn komen te staan, in de persoon van de ouderling, om te vertolken waar de zieke nog niet aan toe kan, zijn.
Andere opmerkingen vallen ook niet prettig. Als daar zijn: Je moet zo maar denken, iedereen heeft wel eens wat. Of: accepteer het nu maar, dat ie voorlopig uitgeschakeld bent.
Ik denk; dat ambtsdragers volkomen naast de zieke moeten staan en niet moeten denken, dat ze corrigerende of vermanende opmerkingen dienen te plaatsen. Rijnsdorp heeft in "Koningskinderen" de huis- en ziekenbezoeken getypeerd zoals die op de kerkeraad gerapporteerd worden. De broeders zeggen met zekere voldoening: "We hebben d'r op gewéze... "
Het kan zijn dat een ambtsdrager zich niet rustig voelt als hij niet op één of andere manier een beetje vermanend gesproken heeft; ook tot een weerloze zieke.
Toch denk ik dat we in een goede tijd leven, vergeleken met vroeger. Toen lag de zieke te rochelen en te kreunen in een donkere bedstede, gekweld met weerzinwekkende medicijnen en aderlatingen en dan moest hij de "ziekentroost" aanhoren, een ellenlang verhaal, een "onderwijzing" in plaats van een staan naast dé zieke. De uitgevers van kerkboeken hebben deze droge preek steeds maar weer meegedrukt.
Of zou men vroeger al zo verstandig zijn geweest om maar iets uit het heerlijk Evangelie te lezen in plaats van uit die ziekencatechismus?