Normatieve van zelfsprekenheid (2-slot)
1986-10-03
Volgens mij geeft Veling precies de kern aan Waar het in de art. 27 t/m 29 NGB omgaat, In deze artikelen wordt normatief uitgegaan van de ware kerk tegenover de valse kerk. Vanzelfsprekend is er normatief maar één ware kerk, maar de NGB belijdt nergens, dat de praktijk van de kerkelijke verdeeldheid, niet een andere kan zijn dat bij elke kerkelijke afscheiding of breuk er een ware en een valse kerk tevoorschijn komt. Dit laatste leiden vrijgemaakten af uit de artikelen 27 t/m 29, maar het volgt er niet zonder meer uit. En daarmee is naar mijn mening door het standpunt heen geprikt, dat een (groot) 'aantal vrijgemaakten altijd heeft ingenomen dan wel nog Inneemt, dat er maar één ware kerk is en dat eenwording of samenwerking met andere christenen in één en dezelfde christelijke organisatie bij de huidige kerkelijke verdeeldheid om redenen aan deze belijdenisartikelen ontleend niet mogelijk zou zijn.- Jaargang 30
- nummer 38
De artikelen 27 t/m 29 'Zijn van groot belang voor ons kerkelijk leven, dat is zeker, en wel omdat het in het kort de richtlijnen (de voorwaarden) aangeeft, die voor elke kerk, elke gemeente gelden wil deze aanspraak maken op de naam ware kerk 'of gemeente des Heren.
Elke gemeente, elke kerk dient de drie voorwaarden - de zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten en van de kerkelijke tucht, dit laatste om de zonden te straffen - in artikel 29 genoemd serieus te nemen wil deze werkelijk 'oecumenisch bezig zijn en blijven.
Natuurlijk moeten deze voorwaarden aan de kerkelijke gemeente gesteld worden; deze worden elke kerk, elke gemeente normatief voorgehouden om naar te leven. Alleen via deze weg (het serieus nemen door allen van de artikelen 27 t/m 29 NGB dus) wordt de kerkelijke eenheid gediend, aldus het standpunt, dat bij voorbeeld prof. K. Schilder altijd heeft ingenomen en naar mijn mening nog steeds terecht. Kerken, die elkaar geen valse kerk noemen, dienen met elkaar kontakt te zoeken en de kerkelijke eenheid ook in concrete, organisatorische vorm na te streven.
De artikelen 27 t/m 29 hebben het over de normativiteit van het kerk-zijn en niet over, de feitelijkheid ervan (het gemeente zijn). Ook niet over het feit van de kerkelijke verdeeldheid en wat de consequenties daarvan precies zijn. De ware kerk zoals gedefinieerd in art.
29 is natuurlijk licht te onderscheiden van de valse kerk; ook dat volgt uit de aard van de omschrijving van één en ander.
De artikelen 27 t/m 29 bevatten dus geen andere richtlijnen voor elke kerk of elke gemeente dan de genoemde voorwaarden of eisen om Werkelijk gemeente van Christus te zijn.
En alzo te streven, naar kerkelijke eenheid, want die weg ligt open, indien elke kerk, elke, gemeente zich daaraan houdt, daarnaar streeft.
Maar de praktijk is gecompliceerd en weerbarstig; in elk kerkelijk of religieus conflict spreekt ook de Satan een danig woordje mee en heeft menigmaal beide partijen in zijn greep. Men heeft in elke kerkelijke afscheiding of breuk te maken met de artikelen 27 t/m 29 NGB, maar het is beslist niet zo dat er in dergelijke gevallen na de afscheiding 'of breuk altijd een ware en een valse kerk tevoorschijn komt.
En wat zegt de opgebroken avondmaalstafel in de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerk met betrekking tot de Nederlandse Gereformeerden? Zijn hier de Vrijgemaakten fout of de afgescheidenen (beter degenen, die achtergelaten werden dan wel werden uitgestoten), de Nederlands Gereformeerden?
Zeggen de Nederlands Gereformeerden van de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerken, dat deze na de breuk valse kerken zijn geworden?
En zeggen de Vrijgemaakten, dat de. Nederlands Gereformeerde Kerken valse kerken zijn? Geen van deze kerken zegt dat van de ander.
Dat vindt zijn oorzaak hierin, dat, wil men een kerk valse kerk noemen, er meer aan de hand moet zijn dan een aan tal verschillen van inzicht rond de uitleg en de betekenis van de artikelen 27 t/m 29 NGB. Een kerk wordt ook geen valse kerk, wanneer deze één of meerdere dubieuze of onbijbelse opvattingen niet of niet voldoende bestrijdt. Want-dan zou er geen enkele ware kerk in de wereld bestaan.
Er moet met de drie genoemde voorwaarden - met de zuivere prediking van het Evangelie en/of de zuivere bediening van de sacramenten en/of de kerkelijke tucht - het êên en ander aan de hand zijn wil men deraag kunnen beantwoorden of een kerk valse kerk is geworden.
De NGB spreekt zich nergens in concreto uit wanneer een kerk dat is geworden. Deze belijdt alleen, dat de ware kerk aan een aantal voorwaarden moet voldoen en dat de valse kerk aan die voorwaarden niet voldoet. In de praktijk is het een kwestie van taxatie van het conflict, van de achtergronden daarvan en van de gebeurtenissen, die zich in de kerkelijke strijd hebben afgespeeld op grond waarvan gelovigen tot de conclusie komen dat ,,hun" kerk geen ware kerk meer is.
Meestal worden ze uit "hun" kerk gestoten, naar de kerkgeschiedenis leert en dat is dan voor 'hen het meest duidelijke signaal. Ze kunnen dan ook niet veel anders doen dan 'een "eigen" kerk beginnen; ze hebben in dat geval ook de taak, de opdracht deze te "stichten" willen ze- naar Gods Woord blijven Ieven, Zelfs dan is het de vraag of de kerk, die gelovigen dit aandoet dan meteen valse kerk wordt en dat voortaan/ ook altijd zal blijven.
Dat is in de praktijk, in het ons bekende verleden (in ons land) doorgaans we het geval geweest, maar ook dit verloopt niet automatisch.
Mag er met betrekking tot de drie genoemde voorwaarden geen enkele afwijking zijn in de (ware) kerk? Wanneer in een kerk de prediking ietwat onzuiver is is de kerk dan meteen valse kerk geworden? Idem dito met de twee andere voorwaarden.
Niemand gelooft dat toch.
Er moet dus wel het één en ander volledig fout zitten wil de kerk valse kerk geworden zijn. En dat blijft (nogmaals) een kwestie van taxatie; daaraan is naar mijn mening niet te ontkomen. Bovendien; is het altijd zo eenvoudig om aan te geven wanneer de prediking onzuiver is?
Het onderscheid ware/valse kerk is van belang voorde normering van het eigen kerkelijk leven, maar het is zeer de vraag _of het te gebruiken is in een kerkelijk conflict, waar het op een afscheiding of breuk uitloopt anders dan de art. 27 tlm 29 NGB het doen, namelijk het zich bewust zijn, dat de ware kerk aan drie voorwaarden voldoet en dat "onze" kerk daaraan ook moet voldoen en dat de valse kerk aan deze voorwaarden niet voldoet. En natuurlijk dient men zich niet bij de valse, maar bij de ware kerk te voegen.
Naar uit de genoemde 'artikelen van Trimp en Veling te concluderen zou zijn begint in de vrijgemaakte kring meer begrip te komen voor het standpunt, dat met andere christenen wel samen te werken is en dat dit ook geboden is. Nu werken vrijgemaakten al sinds jaren samen met andere christenen, bij voorbeeld in het kader van de EO en de Evangelische Hogeschool. Maar in een toch wel specifieke vrijgemaakte organisatie als het GPV ligt dit minder duidelijk. Sommige niet-vrijgemaakten worden als lid wel geaccepteerd, maar dergelijke leden behoren tot de uitzonderingen en hebben ook niet zonder meer toegang tot alle bestuursfunkties, al thans daarop komt de praktijk neer.
De grondslag van het GPV is de Bijbel en de drie formulieren van enigheid. Ten aanzien van de artikelen 27 t/m 29 NGB gaat men er in het GPV vanuit, dart de vrijgemaakte kerken de ware kerken in Nederland zijn.
Over andere kerken laat men zich in het GPV niet uit. Christelijk Gereformeerden worden vlot als lid van het GPV geaccepteerd, maar met Nederlands Gereformeerden heeft men in het GPV enige moeite, al zal men deze hier en daar in den lande ook wel als lid van een GPV-kiesvereniging' hebben geaccepteerd. Het GPV is in feite een kerkelijk gesloten partij. Op grond van wat ik in het voorgaande heb doorgegeven van Trimp en Veling en-ook op grond van hetgeen ikzelf in het voorgaande inzake uitleg en betekenis van de artikelen 27 t/m 29 NGB naar voren heb gebracht, zou ik het GPV in overweging willen geven alle gelovigen als lid te accepteren, die zich op de grondslag van de drie formulieren van enigheid willen stellen, op de grondslag dus van het GPV, ongeacht hun kerklidmaatschap. Het gaat naar mijn mening niet aan gelovigen, die inzake de uitleg én de betekenis van de artikelen 27 t/m 29 een andere opvatting hebben dan in de vrijgemaakte kerken gangbaar is dan wel door velen aldaar wordt gehuldigde n dientengevolge lid zijn van een andere kerk dan een vrijgemaakte kerk, niet meer als gereformeerden te beschouwen.
De grondslag van de drie formulieren is de garantie, dat men niet allerlei ongereformeerde gelovigen binnenhaalt.
Gelovigen, die niet gereformeerd zijn of willen zijn vinden de drie formulieren van enigheid een barrière voor toetreding; dat is mij in de discussies rond de grondslag in de RPF wel gebleken.
Ik heb destijds in de RPF voorgesteld ook de drie formulieren van enigheid als grondslag van deze politieke federatie 'te nemen: Naar aanleiding van een mijnerzijds daartoe strekkend verzoek aan het federatiebestuur is in 1979 een grondslagcommissie in de RPF ingesteld, die pas jaren later (in 1985) met haar definitieve rapport kwam.
Men heeft niet tot aanneming van de drie formulieren van enigheid als grondslag van de RPF kunnen besluiten met als gevolg, dat het reformatorisch karakter van deze politieke partij niet duidelijk uit de verf komt. Men heeft in de RPF de zogenaamde evangelischen niet van zich willen verwijderen, maar nu heeft men door het min of meer evangelisch karakter van deze politieke partij vele reformatorische christenen van zich verwijderd.
Er is in ons land naar mijn mening plaats en behoefte aan een christelijke politieke partij naast het CDA. Het GPV zou, de politiek in ons land een dienst bewijzen wanneer zij haar poorten openzet voor alle Gereformeerden in ons land. Dat zijn er namelijk nog heel wat. De versnippering binnen "klein rechts" is niet nodig en niet gewenst.