De betekenis van de reformatorische beweging van de jaren '30 voor het Gereformeerde leven (6 - slot

1986-02-28
  • Jaargang 30
  • nummer 9
13) Het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde kerken.

Zo is in de jaren '60, temidden van een grote kerkelijke verwarring, de kerkelijke overmacht voor een aantal vrijgemaakte kerken gebroken.
Voor ze het goed beseften, werden een aantalverbijsterde, boven eigen inzicht uitgrijpende, vrijgemaakte gemeenten, delen daarvan of losgeraakte enkelingen in een vrijheid gesteld waarvan doelen strekking moeilijk viel te vatten, Gods kerkelijke weg was voor velen donker in die dagen, maar het licht van de Schrift voor het gehele leven ontbrak niet.
De feiten wezen uit dat het roemen in kerkelijke heerlijkheid onmogelijk was geworden. De gemeenten moesten met de Schriften tevreden zijn. In de jaren '30 was het echter daarom begonnen. Zij zullen met de Schrift ook de gevaren van de snel voortschrijdende ontkerstening hebben te trotseren.
Deze "vrijgemaakte kerken buiten het verband" hebben in een aantal Landelijke Vergaderingen, waar alle gemeenten vertegenwoordigd waren, een nieuw Accoord van Kerkelijk Samenleven uitgewerkt. Daarin is gestreefd, door een Schriftmatige herziening van de Dordtse Kerkenordening, een aantal regels te formuleren voor een Ordelijk kerkelijk samenleven zonder heerschappij van de ene gemeente over de andere. In 1979 hebben ze de naam "Nederlands Gereformeerde Kerken" aangenomen.
Zij zijn niet geroepen tot modieuze veranderingen die van deze tijd zijn, maar om open te staan voor wat naar de Schrift is.

14) De roeping van de christelijke gemeenten in deze tijd

Tot de Nederlands Gereformeerde kerken, evenals tot alle andere christelijke gemeenten komt o.i. thans het Woord van God met het geweldige, het wereldgebeuren doorlichtende, uitzicht op de toekomst van Christus. De terugkeer van Israëls Koning, Davids grote Zoon, Jezus Christus onze Heer, die het Hoofd is van de gemeente die Zijn lichaam is, komt in de gezichtskring van het geloofsoog. Elke tijd heeft zijn eigen grote heilsvragen om mee bezig te zijn. Het grote onderwerp van Gods gemeente van deze tijd is ongetwijfeld de in zicht komende terugkeer van haar Heer. Het gehele wereldgebeuren roept er om, voor wie het horen kan. De kerkelijke instituten in de wereld verkeren bijna overal in ernstige crises en het oude Israël, dat 6.000.000 doden beweent, heeft tegen haast aller verwachting in, 2500 jaar na koning Nebukadnezar, weer een zelfstandig volksbestaan ontvangen. In dezelfde tijd is de Islam uit een eeuwenoude slaap ontwaakt, evenals het oude China en zijn de in enkele jaren van hun eeuwenoude koloniale rijken losgemaakte Europese moederlanden begonnen zich als een eenheid te organiseren. De drie huidige apocalyptische grootmachten: het Westen, Rusland en China bewapenen zich tegen elkaar en tegelijk bewapenen in wedloop het Midden-Oosten, met het oude Israël in liet centrum. De vraag is klemmend geworden in de gelovige christenheid: wat zegt de Schrift in een tijd die dit beeld te zien geeft over de roeping in Gods heilsplan van de gemeente en die van Israël?
Het opgroeiend geslacht vraagt er naar. Wij moeten dat weten, wil de gemeente van Christus wakker zijn en niet slapen als de Heer haar roept. Niet een tijdloze eeuwigheid nadert, dat is een Griekse gedachte, maar de toekomende eeuw, waarover Jezus en de apostel Paulus hebben gesproken. Dat alles is vol rijke beloften voor de gemeente en voor Israël. waarvan de Here op zijn tijd en wijze de bedekking zal wegnemen. Van de gemeente die het lichaam· van Christus is, zegt de apostel Paulus dat zij wordt toebereid om in de hemelse gewesten in de toekomende eeuwen de overweldigende rijkdom van Gods genade bekend te maken (Efeze 2 : 6, 7) en ook om met Hem te regeren (2 Tim. 2 : 12). Terwijl het bekeerde Israël geroepen wordt om in de toekomende eeuw de uit de eindgerichten overgebleven volken te doen opgaan naar Israëls koning te Jeruzalem (Zach. 14: 16), De gemeente en Israël hebben hun eigen roeping ,in Gods heilsplan te vervullen, totdat Jezus Christus aan het einde der eeuwen Zijn koningschap overdraagt aan God de Vader, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen (1 Cor. 15 : 24-28). Om ons slechts fot deze Schriftplaatsen te beperken.
Het moet ons niet verbazen dat deze vragen als nieuw tot ons komen. De Here bestuurt Zijn heilsplan, In 1517 werd op Gods tijd Luther geroepen de rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder enig menselijk werk, terug te vinden in de Schriften, waar ze altijd had gestaan.
Ze was na Augustinus weer 1100 jaar bedolven geraakt onder de wetsgerechtigheid en priesterdienst van de Roomse kerk. Thans gaat het om de vervulling van de christelijke hoop van alle tijden, de terugkeer van de Zoon van God, die de erfenis op Golgotha verworven, gaat aanvaarden en allen die in Christus ontslapen zijn, zal doen opstaan van tussen de doden uit.
Daarop hebben de gelovigen van alle tijden gehoopt.

15) Tot besluit
De schrijver van deze artikelen heeft de verdieping van zijn inzicht in de plaats en de toekomst van de gemeente en die van Israël in de heilshistorie als een grote geestelijke verrijking ervaren.
Men zal misschien tegenwerpen, dat de belijdenis geschriften toch niet de verwachting vaneen komende regering van Christus op aarde kennen.
Art. 37 van de Nederlandse geloofsbelijdenis weet daar toch niet van? "
Inderdaad, dat is zo. Het is ook zo, dat het opkomen voor confessionele trouw een belangrijk goed kan zijn en de ijver: daarvoor zeer te begrijpen is temidden van de grote verwoesting die de moderne theologie aanricht.
Ook de kerken uit de Afscheiding hebben de confessie hoog geacht in de kerkelijke turbulenties van hun dagen. Schrijver is zelf afkomstig uit een geslacht met grote eerbied voor het Woord van God, met respect voor de belijdenisgeschriften van de voorgeslachten en met verbindingen aan de Afscheiding van 1834.
Maar mogen de belijdenisgeschriften het laatste woord hebben?
Confessionalisme, dat in de praktijk de belijdenis boven de Schrift stelt, is een groot kwaad. Het versteent de kerk evenzeer als de autonome theologie dat doet. Confessionalisme is ook geheel in strijd met art. 7 van de Nederlandse geloofsbelijdenis.
Dat artikel zegt, dat men geen menselijke geschriften, hoe heilig ook, gelijk mag stellen aan de Goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet, noch de mening van de meerderheid, nooh die van de oudheid, noch die van de conciliën, enz. Dat zegt de oude confessie. Ook Calvijn, hoewel hij inzake de toekomstverwachting duidelijk een kind van zijn tijd is, was niet confessionalistisch.
A. Janse beschrijft in zijn "Uit de geschiedenis der kerk", 1966, blz. 142, hoe de jonge Calvijn pertinent weigerde de oude geIoofsbelijdenis van Athanasius te ondertekenen, toen men hem in 1537, op een synode, aan bepaalde termen als “Drieëenheid" en “Persoon" dreigde te binden, Hij zei in dat verband ook, dat de geloofsbelijdenis van Nicea niet geheel vrij was van het spelen met woorden. Daar was geloofsmoed van de jonge Calvijn voor nodig, die met zijn 28 jaar nog niet veel gezag had. Ds J. van Andel, onbetwist de bekwaamste exegeet die de kerken uit de Afscheiding hebben voortgebracht, liet in zijn "Handleiding der Gewijde Geschiedenis" (1892), terwijl dr Kuyper en prof. Bavinck op het hoogtepunt van hun gezag stonden, uit de . Schriften zien dat Israël zou terugkeren naar het beloofde land en dat Christus dan koning over Israël zou zijn. Wie achtte een dergelijke terugkeer toen mogelijk?
Ook dr A. Kuyper was niet confessionalistisch.
In het boek "Van de Voleinding", 1929, blz. 214-217, bespreekt hij art. 37 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, dat handelt over de wederkomst des Heren. Hij zegt zakelijk kritisch: "in dit artikel is bijna alles wat men destijds omtrent de Voleinding met kennis van zaken beleed, dicht ineengestuwd"

Even later merkt hij op: "dat Guido de Brays zich van het verloop en de opeenvolging der laatste dingen (wereldbranden het oordeel, A.K.) geen geheel klare voorstelling heeft gevormd, en deze vernieuwing van de oude wereld (om haar te zuiveren, A.K.) slechts vluchtig heeft ingedacht, om aanstonds tot wat hem hoofdzaak was, d.i. tot het laatste oordeel, te kunnen over gaan".
Dr Kuyper komt tot de slotsom: "maar verheeld mag niet, dat dit artikel meest in vage algemene termen hangen blijft, en bijna.in niet een der grote geschilpunten partij kiest".
En weer iets later: "dogmatisch scherpen rijk is dit artikel niet. Men gevoelt zo, dat in de dagen der Reformatie niet over dit stuk des geloofs het hoofdverschil liep".
Dr Kuyper gaat vervolgens over tot de bespreking van wat de Catechismus over dit 'Onderwerp zegt en merkt dan op: "In onze Catechismus ligt de zaak niet anders". Enzovoort.
Het stellen van de Schrift boven de belijdenis geschriften is geen gevaar voor de kerk, maar een zegen. Want het vereist kennis van de Schriften en dat is de sterkste beveiliging tegen Schriftkritiek die er is. Kennis van het Woord van God raakt echter steeds meer in verdrukking. De televisie heerst alom. Alleen de kracht van de Schrift zelf in de prediking kan er tegen op.
Intussen komt het koninkrijk van Christus op aarde en het vol worden van Zijn gemeente die met Hem regeren zal (2 Tim. 2: 12), naderbij, al behoeven wij die dagen niet te berekenen. Dat blijde evangelie wordt echter in veel Schriftgelovige kerken haast niet gehoord. Terwijl het gehele wereldgebeuren er mee samenhangt.
Het is alsof de kerken wat de toekomst betreft dooreen diepe slaap zijn bevangen. Terwijl er In het benarde Israël ritseling van nieuw leven is.
Het is niet te verwonderen dat kerken zonder die concrete christelijke hoop steeds meer moeite hebben met de boodschap voor deze tijd, het vele goede, vaak zware werk, dat in ambtelijke trouw wordt verricht, niet te na gesproken. Het aankomende geslacht kan echter niet zonder die concrete christelijke hoop uit de Schrift. Waar die gepredikt wordt, daar trekken velen heen.
Het is ook niet nodig in al deze grote dingen gelijk te denken.
Ook in dezen blijft ons kennen ten dele. Maar onmisbaar is wel Schriftuurlijk zicht op de toekomst van de gemeente en die van Israël.
Een nieuwe reformatorische opleving in onze Nederlands Gereformeerde kerken en in alle andere kerken, die oog heeft voor de naderbij komende vervulling van het grote verlossingswerk van Christus Jezus, de Heer, is af te bidden, tot eer van Gods grote naam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief