Waarover spraken zij?
1986-02-28
De vorst hield Nederland stevig in de greep toen de 9e zitting van de Landelijke Vergadering in Enschede gehouden werd. Een goedgevulde publieke tribune deed vermoeden dat er op deze 22e februari 1986 een onderwerp zou worden behandeld dat in de kerken meer dan gewone belangstelling heeft.- Jaargang 30
- nummer 9
Na de Schriftlezing uit Psalm 23 en het gebed sprak de voorzitter
broeder Meulink - zonder het bij naam te noemen - van een bijzonder moeilijk punt op de agenda. In zijn openingswoord stond de praeses tevens stil bij het overlijden van broeder D. de Roode. Hij sprak zijn waardering uit voor de wijze waarop deze broeder als vroom christen en als penningmeester van de Landelijke Vergadering de kerken heeft gediend.
Soemba
Het eerste punt op de agenda was 'Soemba', Vorig jaar heeft de Landelijke Vergadering aan de “kommissie voor kontakt en samenspreking" de opdracht gegeven om zich te buigen over onze verhouding tot deze kerken in de Indonesische archipel.
Broeder Schuurman uit Breukelen voerde namens deze kommissie het woord op de Landelijke Vergadering. In het advies van de kommissie ligt sterk de nadruk op de zelfstandige positie van deze kerken. Dit uitgangspunt heeft gevolgen voor de rest van het advies. De gemeenten op Soemba worden 'officieel' erkend als onze zusterkerken en ds P. P. Goessens is predikant van deze gemeenten.
Ook wordt aan de Soembanese kerken geadviseerd - indien noodzakelijk - zèlf financiële steun te vragen aan de (individuele) Nederlands Gereformeerde Kerken (d.w.z.: er wordt niet - door b.v. de Landelijke Vergadering - een omslag per lid bepaald). Te zijner zijd zou ook een verzoek om een bezoek vanuit Nederland gehonoreerd kunnen worden, maar ook dan weer als een bezoek aan één van de zusterkerken in het buitenland, en niet (meer) primair als een bezoek aan een zendingsgemeente.
De instanties en personen die in verleden en heden kontakten onderhielden met Soemba (de kerk van Den Haag, het zgn. 'Convent van Kerken', de vereniging S.O.S. en ds Goossens) konden zich vrijwel geheel vinden in het advies van de kommissie. Hetzelfde bleek het geval binnen de Landelijke Vergadering. De Soembanese kerken zijn zelfstandige zusterkerken die - als zij dat nodig achten - een beroep kunnen doen op de Nederlands Gereformeerde Kerken.
De vrouw in het ambt van diaken
Ongetwijfeld was de vergadering daarmee toegekomen aan een agendapunt waar met veel belangstelling, maar anderzijds ook met zorg, naar was uitgekeken: de vrouw in het (diaken- )ambt.
Aanleiding tot dit punt was een voorstel van de kerk van Amsterdam-Centrum "dat de Landelijke Vergadering zal uitspreken dat het een zaak van Christelijke vrijheid is als een plaatselijke kerk onder biddend opzien tot de Heer een zuster tot het diakenambt roept". De Landelijke Vergadering had al geruime tijd geleden een kommissie ingesteld met als opdracht zich te bezinnen op de vraag of het Schriftuurlijk verantwoord is zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk".
Deze kommissie bleek uiteindelijk niet tot een eensluidende konklusie te kunnen komen. Er was sprake van een meerderheids- en een minderheidsrapport, en misschien gaf deze uitkomst al wel direkt aan hoe verschillend de meningen binnen onze kerken liggen ten aanzien van deze kwestie
Meerderheid en minderheid
Zoals al gezegd: er was sprake van een meerderheidsrapport (br. J. F. Arends, Enschede; ds F. van Deursen, Apeldoorn; en ds J. D. Janse, 's-Gravenhage) en van een minderheidsrapport (zr. C. M. Breman, Amsterdam en ds A. M. van Leeuwen, Deventer).
Misschien is het goed om ter verduidelijking de beide standpunten (heel beknopt) weer te geven.
Het meerderheidsrapport werd toegelicht door ds J. D. Janse.
In dat rapport wordt ervan uitgegaan dat de zusters in de gemeenten van het Nieuwe Testament zich op allerlei wie verdienstelijk maken, maar dat het niet duidelijk noch waarschijnlijk lijkt dat deze zusters ook tot het specifieke diakenambt werden geroepen. De konklusie van het meerderheidsrapport is dat de ambten van ouderling en "voorzover wij zien" ook van diaken ambten waren waarvoor broeders werden gekozen. "Als wij zusters roepen tot het diakenambt, dan gaan wij ineen richting waarin onze Heer en zijn apostelen ons niet zijn voorgegaan".
Het minderheidsrapport werd toegelicht door ds A. M. van Leeuwen. In dat rapport wordt gesteld dat op grond van 1 Tim. 3: 11 en Rom. 16: 1 met zekerheid gesteld kan worden dat de Schrift de vrouwelijke diaken kent. Vervolgens wordt de gevolgtrekking gemaakt dat de' Nieuwtestamentische gemeente de vrouwelijke diaken als ambtsdrager heeft gekend. Tenslotte wordt in dit minderheidsrapport geschreven" dat de Schrift ook nergens normerend spreekt over het al dan niet man of vrouw zijn van diakenen. Daarom zijn de opstellers van het minderheidsrapport van mening dat het Schriftuurlijk verantwoord is om zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het ambt van diaken.
Een verschil in konklusie op basis van dezelfde Bijbelteksten ...
Bladeren in de Bijbel
Toen de praeses vroeg welke afgevaardigden het woord wilden voeren kondigde zich een grote rij sprekers aan. De eerste spreker was broeder Holwerda (Tehuisgemeente) die - zo zou je het kunnen noemen - een college gaf over de exegese van enkele relevante Bijbelteksten. Er werd dan ook in de aula van De Hoeksteen flink gebladerd in de Bijbel, in Oude en Nieuwe Testament.
Broeder Holwerda was het duidelijk oneens met de konklusies van het meerderheidsrapport, Aan de hand van verschillende Bijbelteksten legde hij voor een , aandachtig gehoor uit dat er z.i. bijvoorbeeld bij Phebe (Romeinen 16 : 1) gesproken moet worden over een status, een funktie, en niet ('slechts') van een aktiviteit.
Met andere woorden: de Nieuwtestamentische gemeente kende de vrouw in hei diakenambt.
In gebruik hetzelfde als norm?
Hoewel de rapporten als zodanig wel waardering oogstten bleken verschillende sprekers toch niet uit de voeten te kunnen met de konklusies en gevolgen. Dat lag overigens ook aan de beperkte opdracht die de kommissie mee had gekregen van de Landelijke Vergadering en aan de vraagstelling van de gemeente van Amsterdam-Centrum (gericht op het diakenambt). Ds Bouma uit Sliedrecht vond het een onjuiste zaak dat de ambten van ouderling en diaken op deze wijze uit elkaar worden gehaald.
De konklusles van het meerderheidsrapport werden door hem bestreden, zijn inziens lagen er binnen dat rapport zoveel zaken (nog) open dat de konklusie van het rapport niet gerechtvaardigd was. De Sliedrechtse predikant was van mening dat de Schrift zich niet duidelijk uitspreekt tegen de vrouw in het ambt, er is geen sprake van een verbod. Sommige passages in de Bijbel wijzen wel op het gedrag van de vrouw binnen de gemeente, maar daarmee wordt het ambt voor de vrouw nog niet gesloten.
En - zo zei hij - als het een gebruik was dat mannen ambtsdragers waren, wil dat dan zeggen dat dat gebruik ook een norm moet zijn? Zijns inziens mogen we in de christelijke gemeente de ruimte gebruiken die de Bijbel ons in dit opzicht biedt. "We zijn niet geroepen om te heersen, maar om te dienen. En daarin zijn veel zusters de broeders al voorgegaan, daarvoor mogen we hen ook eren".
Vrijheid
Diezelfde vrijheid bleek ook andere sprekers bezig te houden.
Broeder Van Helden uit Apeldoorn - die tevens, een voorstel op de tafel van de praeses. deponeerde - vroeg zich af of er in de kerken niet te zwaar wordt getild aan het ambtsidee. De ambten zijn er als middel om het geloof in stand te houden (NGB art. 30) en daarvoor heeft God aan mannen en vrouwen gaven gegeven. Broeder Van Helden was van mening dat de individuele gemeenten zich hierover mogen uitspreken. Broeder Van der Mark uit Eindhoven vroeg aandacht voor de motieven die er binnen de gemeente toe leiden een vrouw tot het ambt te roepen. Als de Schrift ons niet zegt dat het niet mag en de motieven goed zijn is dat een zaak van vrijheid voor de gemeenten, aldus deze broeder die zijn betoog afsloot met een anekdote uit het rijke gereformeerde catechetisch onderwijs.
Gereformeerde gezindte
Aanzienlijk voorzichtiger in zijn stellingname was ds K. H. de Groot uit Amstelveen. Hij had moeite met de 'zekerheid' die er uit het 2e rapport zou spreken.
Ds De Groot wees erop dat veel exegeten op dit punt juist heel voorzichtig zijn met hun konklusies.
Ook vroeg de Amstelveense pastor aandacht voor de positie van de Nederlands Gereformeerde Kerken binnen de gereformeerde gezindte. Hij vroeg zich enigszins bezorgd af of het toelaten van de vrouw in het ambt ons niet in een hoek zou brengen waar we zelf niet heen willen. En, als die vrijheid er is, mag je daar dan wel gebruik van' maken, als er veel negatieve gevolgen aan vastzitten?
Kader voor de diskussies
Met deze standpunten en de daarop volgende beantwoording, door de predikanten J. D. Janse en A. M. van Leeuwen was het kader voor de diskussie grotendeels aangegeven.
Algemeen was men van oordeel dat er met voorzichtigheid moet worden gesproken over de konklusies vanuit de Bijbel ten aanzien van de vrouw in het ambt.
Hoe leg je de teksten uit?
Maar. . . . als het waar is dat de "Schrift zich hierover niet duidelijk in- normatieve zin uitspreekt, mogen wij dan wèl of niet die vrijheid gebruiken? En hoe taxeren we de ambten binnen de kerken? Is er in de Bijbel bij mannen en vrouwen sprake van een zekere struktuur ten aanzien vim het ambt, die tevens grenzen geeft aan de vrijheid? (ds J.D. Janse). Wat dringt ons (nu) om de vrouw in het ambt toe te laten? En is dat wel verstandig, gezien de verhoudingen binnen onze kerken en naar buiten toe (de gereformeerde gezindte)?
Als we de vrijheid menen te mogen gebruiken, waarom doen we dat dan? Zijn het feministische/ emancipatorische overwegingen ("de tijdgeest") of laten we ons leiden door geloof en gebed?
Voorwaar geen gemakkelijke vragen ("je zou er een conferentie over kunnen beleggen"), waarover niettemin in een harmonieuze toonzetting met elkaar kon worden gesproken.
Verslag van de middagvergadering
In de middagvergadering werd, alvorens met het vervolg van de diskussie over de vrouw in het diakenambt door te gaan, ingestemd met het verzoek van de kommissie voor kontakt en samenspreking met andere kerken om een aantal mutaties aan te brengen, Uit de kommissie gaan: ds G. v. d. Brink, ds J. C. Janse en br, P. Ouwerkerk. In de kommissie zijn benoemd; br. T. Bouterse, ds P. J. H. Krol, ds H. J. van der Kwast, ds K. Muller.
De tweede diskussieronde opende met ds Smit (Barendrecht, uit het moderamen) die zich afvroeg of wij wel een goede basis hebben om een besluit te kunnen nemen. Hij stelde, dat christelijke vrijheid nooit een uitkomst mag zijn van onzekerheid.
Omdat hij gekonstateerd had, dat in de vergadering het verschil tussen ambt en gaven soms vergeten werd, gaf hij de drie aspekten aan, die met het ambt onlosmakelijk verbonden zijn: a. een publieke roeping van de Here; b. een publieke erkenning van de gemeente; c. er is continuïteit (in tegenstelling tot Ananias, die slechts één opdracht buiten het ambt om ontving).
Ds Smit ontraadde het voorstel van br. Van Helden en verzocht toch nadrukkelijk de beperking tot het diakenambt aan te houden.
Ds Smit (Maastricht) vond de rapporten te beperkt (door de opdracht) om op basis hiervan een besluit te kunnen nemen.
Voor het verstaan van wat de Here van ons wil, dienen toch ook de niet in de rapporten behandelde teksten 1 Cor. 14 (het zwijggebod) en 1Tim. 2 inzake de scheppingsorde aan de orde tie komen. Hij stelde voor, omdat er nog te weinig gestudeerd was op deze vragen, dat eerst een commissie met een bredere opdracht zou worden ingesteld, alvorens een besluit te nemen.
Tenslotte beantwoordde hij de vraag: "Wat dringt ons?" (uit het meerderheidsrapport) door te stenen dat de gave van de Geest in sommige situaties bij vrouwen beter tot z'n' recht komt dan bij mannen. Br. Krop uit Vlaardingen stelde als alternatief voor, om de funktie "diakones" in de stellen: de "diakones" zou aan de kerkeraad verantwoording schuldig zijn.
Ds De Groot konkludeerde dat het verstandiger zou zijn om op de dieperliggende vragen door te studeren, aangezien op dit moment de onzekerheid centraal staat. Aansluitend op de vragen van ds Smit (Maastricht) vroeg hij zich af of wij de verhouding tussen man en vrouw, zoals die in de Bijbel beschreven wordt, tijdgebonden achten.Ds De Jong (Amsterdam) relativeerde de exegetische diskussie door erop te wijzen, dat een ouderllng van 24 jaar toch ook niet goed te verantwoorden valt met het gebruik in Israël, waar "oudsten" aangesteld werden.
Amsterdam hanteert als motief voor de vrouw in het diakenambt het zgn. nevenschikkingsmodel.
Die nevenschikking valt ook op te maken uit de lijn in de Bijbel dat in het O.T. alleen de jongens besneden werden en dat in het N.T. zowel jongens als meisjes gedoopt worden.
Omdat Amsterdam het nevenschikkingsmodel als motief hanteert zal duidelijk zijn, dat dit verzoek van Amsterdam bewust bescheiden is gebleven om de eenheid te bewaren.
Br. Huisman (van Kampen) kon zich in het meerderheidsrapport vinden. Hij vroeg aandacht voor de mogelijk kwalijke gevolgen in de N.G. Kerken, die met een positieve beantwoording van het verzoek van Amsterdam zouden kunnen gaan optreden.
Ds Stuij was dankbaar voor de goede verstandhouding en de goede sfeer, waarin overlegd kon worden. Daarom stelde hij, moeten we nu nog geen besluit nemen omdat dan deze bezinning afgekapt zou worden. De vraag "Wat dringt ons" kun je niet beantwoorden met "er zijn te weinig mannen beschikbaar" want dan zul je zien dat ditzelfde probleem (maar dan t.a.v. vrouwen) zich over een aantal jaren weer zal voordoen. Ds Stuij stelde daarom voor om de konklusie van het meerderheidsrapport te aanvaarden en daaraan toe te voegen, dat we mild moeten zijn t.o.v. die gemeenten die de vrouw reeds tot het diakenambt hebben toegelaten.
Ds Roukema pleitte voor het bewaren van het eigene van de N.G. Kerken (de winst van de 30-er jaren) namelijk dat wij bij alle beslissingen toch steeds weer het "wat zegt de Schrift" laten prevaleren. We moeten dus streven naar éénstemmigheid in de leer boven éénvormigheid in de uiterlijke dingen.
Ds Mooiweer was opgevallen, dat beide rapporten het over één ding eens zijn: ze waarschuwen er beiden voor, dat een besluit tot openstelling van het diakenambt voor vrouwen, verderstrekkende gevolgen zal hebben.
Hierbij is ook het gezag van de Schrift aan de orde, een niet geringe zaak dus. Daarom adviseerde hij de besluitvorming uit te stellen, tot het moment, waarop er meer duidelijkheid is inzake: a. de funktie van het diakenambt, b. de betekenis van het kerkverband, c. de gevolgen van "het tot de vrijheid der kerken rekenen".
Namens de "meerderheidskommissie" adviseerde ds v. Deursen, dat de meningsvorming binnen de gemeenten bevorderd zou moeten worden. Dan is er ook gelegenheid om meer duidelijkheid te krijgen over de betekenis van de tekst "de man is het hoofd van de vrouw" alsmede over de vraag of en hoe deze tekst in verband gebracht moet worden met het leidinggevende aspekt van een kerkeraadsfunktie.
Konklusie
Aan het eind van de diskussie gekomen, konkludeert de voorzitter dr Meulink, dat de vergadering tendeert naar het instellen van een kommissie met een bredere opdracht. Open blijft dan de vraag hoe Amsterdam geantwoord moet worden.
Ds Mooiweer adviseerde, dat de L.V. niet voldoende vrijmoedigheid heeft gevonden om deze zaak tot de vrijheid der kerken te rekenen.
Ds Smit (Barendrecht) stelde voor Amsterdam te adviseren "het" niet te doen. Een benoeming tot het diakenambt is echter een verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkeraad en we kunnen niet zeggen, dat het niet tot de vrijheid van de kerken behoort.
Uiteindelijk wordt besloten, dat de afgevaardigden anderhalve week gelegenheid krijgen om schriftelijk voorstellen in te dienen, en dat D.V. op 22 maart hierover besluitvorming zal plaatsvinden.
Na dit agendapunt wordt nog het bezwaarschrift van de brs. De Rijk en Gort inzake Zwolle behandeld.
Tenslotte wordt de vergadering, na eindiging met dankgebed, gesloten.