Gerard Walschap (3)

1986-03-07
  • Jaargang 30
  • nummer 10
De psychologische romans waarmee ik u in de vorige aflevering bezighield, betekenden voor het Nederlandse taalgebied een vernieuwing.
Walschap ziet de mens niet als iemand die langs vooruit te berekenen paden gaat. De mens is onberekenbaar, beladen met angst en schuld, maar eigenlijk hunkert hij naar bevrijding daaruit.
Ook de eerste twee nu te bespreken romans kunnen we tot bovengenoemd genre rekenen.

"Trouwen"
In 1933, hetzelfde jaar waarin "CarIa" verschenen was, kwam ook "Trouwen" uit. In het inleidende artikel van de serie liet ik u een paar alinea's uit dit boek lezen.
Dat die twee boeken met elkaar te maken hebben, is duidelijk: zoals Carla een dominerende figuur is, zo is ook de vrouw met de wonderlijke naam Mie Zaterdag; de eigenschappen van Carla keren in haar terug: "fier, moedig, koppig, werklustig en onuitsprekelijk moederlijk", zoals iemand zei. In beide verhalen gaan beide vrouwen door lijden heen tot ze het geluk in de liefde vinden.
Het boek zou, zo is dikwijls gezegd, de lof van het huwelijk bezingen.
En zo is het ook door Walschap bedoeld: "Slechts man en vrouw is een volledig mens" staat in het boek ergens. Geen van beiden bezit alleen de volledige menselijkheid. De som van hun vermogens, en dan in coöperatie, geeft pas de ware mens te kennen.
In "Trouwen" draait alles om de Iotgevallen van Rik, een bedorven en slechte jongeman, gebukt onder de verderfelijke opvoeding van een paar oude tantes.
Bij het opgroeien gaat het hoe langer hoe kwader. Hij wordt enkele malen weggejaagd van school, hij verleidt meisjes, hij staat zijn vader naar het leven: "De eerste seconden was van zijn ogen niets dan het wit te zien en de volgende stond zijn zoon, zijn Rikske vóór hem met de schoenmakershamer gereed om te slaan. Met de schoenmakershamer die Mgr. de vicaris-generaal eens in zijn handen genomen had: een handig hamerken Antoine, goed gerief, had hij gezegd. Ja, Monseigneur, goed gerief, hij gebruikte het nu al vijf en dertig jaar en nu heeft zijn enige zoon er nog dienst van, het brengt zijn intrest op.
"Halt", zegt Toon, ( ... ) "Halt, stade gij met een hamer vóór uw vader?"Uit het diepste punt van zijn bestaan, als hij denkt niet verder te kunnen leven, wordt hij opgehaald door een vrouw, Mie Zaterdag.
En dat, terwijl deze Mie in de ogen van het dorp een verworpene is. Ze woont dan ook buiten het dorp, buiten de gemeenschap. (Overigens: Walschap ziet dikwijls zo'n groepje mensen buiten de gemeenschap van het dorp als waarachtiger dan de gevestigde burgers; ook Carla woonde buiten het dorp.) En daar, juist daar, begint zich door de huwelijksvruchtbaarheid van Mie en Rik een nieuwe "kolonie" te ontwikkelen van tuinders, van scharrelaars en handelaars.
En de welvaart stijgt. En Rik stijgt mee, hij wordt zelfs voorzitter van "ons" kerkfabriek.
In het' laatste hoofdstuk doet Walschap hetzelfde als in "Carla": wij zijp erbij. Het lijkt alsof de auteur het zelf alles meebeleeft.
"Ja, toekomende maandag hebben we dus een grote begrafenis. Ah, onze brave Rik van Oepstal - ik vertel u die geschiedenis maar omdat het zo'n prachtig bewijs is voor onze christelijke opvoeding.".
"Trouwen", een heerlijk boek, vol dreigend en uitgevoerd kwaad, Vol erbarmend redden, vol liefde, geschreven in de beste stijl van Walschap.

"Celibaat"
Ik wil nog wijzen op het volgende boek, één jaar later geschreven.
"Celibaat", de volkomen tegenhanger tot in de titel toe van "Trouwen". Dit boek, over het vrijgezelle kasteelheertje André D'Hertefels, volstrekt vereenzaamd in zijn gruwelijke verminking uit de oorlog, dit boek toont juist aan, dat de mensalleen niet kan zonder een liefdevolle naaste. André wordt door het lijden vermenselijkt en tot menselijkheid bekeerd. De hoofdpersoon doet in zijn afwijkingen denken aan "De familie Roothooft", terwijl ook in het slot zich een verheffing uit de ellende voordoet.

"Een mens van goede wil"
Het in 1936 gepubliceerde 'boek met bovenstaande titel is misschien wel Walschaps bekendste boek geworden. Het is immers enkele jaren geleden in een bewerkte versie op de televisie verschenen. De hoofdpersoon is Thijs Glorieus, beschreven vanaf zijn schooltijd tot zijn dood. Thijs is de onbegrepene, die meer dan rechtvaardig is, die eerlijk blijft tot in het ongerijmde, die opkomt voor minder bedeelden ook als dit niet gewenst wordt, die zich verzet als hij vernederd en die zich vernedert als hij bewonderd wordt. Hij is dan ook een vreemdeling in een wereld die zijn goedheid niet begrijpt en ook niet wil en eigenlijk ook niet waard is. Thijs is, jawel, afkomstig uit het gehucht buiten het dorp en veracht door het dorp.
En ook in dit boek komen de "hogere" standen er minder goed af. B.V. het officiersgezin waar Thijs als ordonans onder dak is, is een voorbeeld van decadentie. Na veel wederwaardigheden - naar goed Walschappelijk gebruik spoedt dit boek zich met haast voort keert Thijs in zijn dorp terug, nu geëerd net als Rik van Oepstal in "Trouwen".
En ook op zijn oude dag is hij, maar nu in het groot, degene die rechtvaardigheid zoekt voor de anderen. En opnieuw worden wij als lezers bij dit alles betrokken, deze keer zelfs vanaf het begin van het boek in de schoolklas: “Wij zullen het nooit vergeten, wij juichen Thijs toe - Toen wij "s middags in de rij stonden, verscheen opeens Thijs Glorieus" - tot aan zijn einde in de brand: "Gesnikt hebben wij - Nog luisteren wij naar zijn vrouw".
Misschien lijkt u het verhaal niet al te reëel als u het leest, toch zijn de mensen wonderwel echte mensen geworden. Het is een optimistisch boek, echter zonder zoveel diepgang en karakterontwikkeling als de hiervoor genoemde verhalen en zeker niet zoveel zeggend als de romans die nog zullen volgen.
Daarover dus de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief