Pastorale notities
1986-03-07
De zwarte uren, dat is in de Bijbel de nacht. Ps. 91 spreekt van de verschrikking van de nacht en in de nacht spookt de pest rond. In de nacht slaan de dieven hun slag en de demonen.- Jaargang 30
- nummer 10
De nacht is de tijd voor de werken der duisternis. Daarom werden, tot voor korte tijd, in het Midden-Oosten de deuren stevig vergrendeld als de nacht inviel en een gezin in die streken zou nooit in het donker gaan slapen. Het was de taak van de vrouw des huizes om ervoor te zorgen, dat de lamp 's nachts niet uitging. (Spr. 31 : 18). Ik denk dat dit alles de laatste tijd wel veranderd zal zijn met de komst van de Westerse technieken van electra enz., maar vroeger was het zo, dat men zich wapende tegen de nacht. Ook in ons land. De blinden voor de ramen werden gesloten; de deuren soms gebarricadeerd.
Kinderen en zieken hebben nog de angst voor de nacht. Een zieke kan zich dan zo eenzaam voelen. Iedereen slaapt en je wilt niemand storen in die slaap, door bijv. het licht aan te doen.
Ook daarin is wel wat veranderd, want vroeger kon een patiënt die slapeloos was, moeilijk een poosje in de kamer gaan zitten lezen. De kachel was immers uit. Nu, met de c.v., is dat veranderd. Ie kunt een warm plekje vinden en het licht aandoen, zonder dat je iemand hindert. Veel van de verschrikkingen, de verlatenheid of zelfs het gevoel van verlorenheid is daardoor weggenomen. Wat mijzelf betreft, onze goede God heeft mij wel helemaal verwend.
Ik kijk uit op de Nieuwe Waterweg, de ingang van de grootste haven van de wereld. De gehele nacht door varen de grote schepen voorbij en ik ben dus bevoorrecht boven hen die in een stille slaapstraat wonen.
Dat neemt niet weg, dat ook ik nog huiver ken voor de nacht, de lange nacht tot de dag van Jezus' wederkomst en daarom schrijf ik dit stukje. Misschien heeft iemand er wat aan, die de verschrikkingen van de nacht kent. Ik moet nogal eens denken aan een vers van Willem de Mérode: Ik heb Hem heel den dag gewacht / En tot mijn pooplend hart gezeid: / Verdubbel uwe lijdzaamheid / Hij komt wel vóór de nacht.
Dat vers wijst heen naar de Emmaüsgangers en het herinnert jezelf aan gebeurtenissen, waarin je bevreesd was voor de nacht. Ik was bv. nog maar een dag of twee op Borneo, toen ik met een transport bouwmaterialen vast kwam te zitten.
Later zou me dat niet hebben kunnen schelen, maar toen dacht ik: Straks alleen in het oerwoud, in de nacht. Maar tegen elven zag ik door de bomen heen de olielampen van hen die me kwamen halen. Zo denk ik ook nu meer dan eens: Hij komt wel vóór de nacht.