Jongeren en geloof (1)
1986-03-07
Het maandblad 'Dienst' (uitgave van het Comité voor de Centrale Diakonale Conferentie van de Gereformeerde Kerken) publiceerde in het nummer van januari/februari 1984 een studie onder deze titel.- Jaargang 30
- nummer 10
Ze gaat over 'de beleving van het christelijk geloof bij jongeren uit de Gereformeerde Kerken' en is resultaat van een onderzoek van 2 gereformeerde studenten, die zich aan de Rijksuniversiteit te Groningen met ontwikkelingspsychologie bezig hielden. Het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap verleende steun aan dit onderzoek, terwijl de redaktie van genoemd tijdschrift het belang van deze aktiviteiten onderstreepte. Een werkstuk dus, dat in de kring van onze vrijgemaakte familie een plaats inneemt.
Dat is terecht, naar ik meen. Het is zeker de moeite waard er aandacht aan te besteden. Wat ter tafel is gebracht lijkt ook voor onze kerkelijke gemeenschap (en niet enkel voor haar alleen) van betekenis.
Doel
De auteurs zeggen: 'Met ons onderzoek wilden wij proberen te achterhalen welke zaken de jongeren vooral bezighouden. Verder wilden wij nagaan op welke manieren de jongeren over deze zaken spreken en hoe ze hun geloof hierbij betrekken. Wij hopen dat de jongeren er zelf door geholpen worden als ze weten wat hun leeftijdgenoten bezighoudt, en dat ook de ouderen binnen de kerk de jongeren beter zullen gaan begrijpen'.
Middelen
Hoe hebben ze gepoogd dat doel te bereiken? Ze hebben in 1982/3 een enquete gehouden onder 137 jongeren in de leeftijd van 15-25 jaar, die over heel Nederland verspreid wonen. Ze legden hen een lijst met 85 vragen ter beantwoording voor en zeiden daarbij dat ze liever geen ja- of nee-antwoorden wilden, maar reacties uitgedrukt op een schaal, die loopt van "altijd/heel vaak" via "vaak/meestal" over "bijna nooit" tot "nooit".
111 jongeren (meisjes zowel als jongens) reageerden. Een vijfde deel van hen was dooplid, bijna 70% belijdend lid en een aantal gaf hierover geen informatie.
Zó kwamen ze in het bezit van een schat van gegevens, mede omdat vele vragen onderverdeeld waren. Meer dan 10.000 antwoorden!
Resultaten
De gemiddelde leeftijd, waarop belijdenis is gedaan, bleek 18 jaar te zijn. 2/3 van deze jongeren woont bij de ouders; 3/5 had geen vaste intieme relatie, 2/5 wel (getrouwd, verloofd, verkering).
Een kwart volgde onderwijs op een gereformeerde en 1/7 op een algemeen-christelijke of openbare school. 1/6 was HBO-leerling, de rest had een baan.
Welke vragen legden de studenten aan deze jongeren voor en hoe waren de ontvangen reacties?
Ze rapporteerden dat het blijkt ‘dat de jongeren vooral bezig zijn met de volgende zaken:
vrijetijdsbesteding,
relaties tot en gesprekken met anderen,
sexualiteit,
houding t.a.v. de Bijbel,
geloofsbeleving,
bidden,
uitkomen voor je geloof,
houding t.a.v. de kerk,
geloof en school of werk en houding t.a.v. de toekomst.'
In een aantal hoofdstukken werkten ze de ontvangen gegevens verder uit. We kunnen dat alles hier niet volledig weergeven, want dat zou leiden tot een overdruk van de studie (ze telt 49 bladzijden en is heel zakelijk en gecomprimeerd opgezet).
Daarom beperk ik me tot het aanstippen van enkele globale conclusies en wel voor een drietal van de genoemde onderwerpen.
M.b.t. relaties en gesprekken bleek dat tweevijfde van de ondervraagden geen problemen had. Ze konden goed met ouders, vrienden en/of vriendinnen praten; minder of zelden over hun persoonlijke problemen met de dominee of met ouderlingen.
Een grotere groep (3/5) kan wel met de ouders opschieten, maar een gesprek over persoonlijke problemen is er niet bij. Ze zeggen niet begrepen te worden.
Gesprekken met anderen vinden ze niet "behulpzaam". De helft van deze groep heeft echter wèl problemen.
Over belangrijke vragen t.a.v. de Bijbel zegt de helft van de ondervraagden doorgaans te begrijpen wat er staat, te geloven dat het ook voor hen geldt en dat bijbellezen bij persoonlijke problemen helpt. De andere helft leest zelden of nooit voor zichzelf uit de Bijbel en heeft er ook problemen mee: moeilijk te begrijpen, je weet er eigenlijk te weinig van, je staat t.o.v. een ongelovige vaak met een mond vol tanden.
Wat de houding t.a.v. de toekomst betreft, zegt 60% geen problemen te hebben. Je leest de volgende, uitspraken: optimistisch over verkering, huwelijk en de situatie voor christenen in de toekomst; over het kiezen van een beroep en niet bang voor eenzaamheid; 'we mogen genieten van wat we hebben’ en 'als christen ga je een mooie toekomst tegemoet'. Maar anderen blijken met zorgen rond te lopen: 'het is een rotwereld' zeggen ze, 'ik voel me machteloos ten aanzien van de ellende om me heen'; 'de overheid laat teveel dingen toe, zoals abortus, euthanasie'; 'ik heb moeite met de visie van de samenleving op het huwelijk'.
Conclusies
Na de ontvangen antwoorden gerubriceerd en weergegeven te hebben, trachtten de auteurs uit dat vele materiaal enkele hoofdlijnen te trekken en daaraan (heel voorzichtig en terughoudend) enkele conclusies te verbinden. Ze deden dat vanuit het gezichtspunt van 'de religieuze volwassenheid'. Een greep uit dat grotere geheel:
- Jongeren, die belijdenis hebben gedaan - zeggen ze - geloven vaker dat wat in de Bijbel staat voor hen geldt, ervaren vaker rust en dergelijke gevoelens door te bidden, kunnen vaker vrijuit over geloof praten met buren, voeren vaker gesprekken met ambtsdragers, hebben vaker het gevoel dat ze de zondag goed besteed hebben en maken meer voorstudie voor de Bijbelstudievereniging;
- problemen op allerlei gebied nemen toe naarmate het tijdstip van belijdenis doen langer geleden is;
- jongeren uit kleine gemeenten zijn er beter aan toe dan die uit grote; deze laatste bieden bij de vorming van het geloof een minder gunstig 'ontwikkelingsklimaat';
- jongeren met een vaste relatie hebben betere contacten met ambtsdragers dan alleenstaanden;
- de leeftijd van belijdenis doen en van trouwen is van invloed op het in geloof beleven van intieme relaties;
- meisjes ervaren - in vergelijking met jongens - minder een gevoel van religieuze volwassenheid.
Tot zover de weergave van deze scriptie. De lezer zal daarmee een indruk van het werkstuk hebben gekregen.
Wat nu over opzet van dit werk te zeggen? Dat bewaren we voor de volgende week.