De twee bekers
1986-03-14
Bij meer dan één gelegenheid heb ik u op de avondmaalszondag gesproken over de beker. En ik ga dat ook nu weer doen.- Jaargang 30
- nummer 11
Misschien herinnert u het zich nog wel dat we het een tijdje geleden gehad hebben Over ‘de beker der dankzegging' en bij de vorige avondmaalsviering nog over het woord: "deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed". Nu vanmorgen wil ik er op wijzen en er bij stilstaan dat onze Here Jezus in de buurt van het avondmaal over nog een andere, een héél andere beker gesproken heeft.
Als u in het evangelie naar Mattheüs leest over de beker van het avondmaal, behoeft u maar twaalf verzen door te lezen en u komt die andere beker tegen.
Zo dicht staan die twee bekers in het evangelie bij elkaar.
Ik moet zeggen dat ik me dat zelf ook nooit zo gerealiseerd heb, dat in het evangelie de beker van het avondmaal zo dicht in de buurt van die andere beker zich ophoudt, die andere beker, die genoemd wordt in een lang niet onbekend woord van onze Heiland, Het is dit woord, dat Hij gesproken heeft in de hof van Gethsémane: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbij gaan. Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt".
Van de avondmaalsbeker heeft onze Here volgens een andere evangelist (Lukas 22: 17) gezegd: laat deze beker bij u rondgaan, en van de beker in de hof bad Hij; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar hij ging, niet voorbij. Jezus moest hem drinken.
En Hij heeft het ook gedaan, gehoorzaam: niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
Als we de evangelisten onderling met elkaar vergelijken, moeten we zeggen dat Jezus voor Zich de avondmaalsbeker niet gedronken heeft.
Hij gaf wel de opdracht: neemt, drinkt allen daaruit, maar Zelf dronk Hij niet.
"Ik zal hier en nu van de vrucht van de wijnstok voorzeker niet drinken, tot op de dag dat Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders".
Jezus dronk dus aan de tafel niet.
In de hof, dáár begon Hij te drinken. Dáár werd Hèm de beker gereikt. Van de Vader Zelf.
Zo worden deze twee bekers, die van het Avondmaal en die van de hof, nog dichter bij elkaar gebracht.
Het is immers alsof we onze Here aan de tafel bij het rondgaan van de beker horen zeggen: Nee, dank je. Ik drink straks wel. Dit is jullie beker; straks komt de Mijne.
Zo legt het evangelie verband tussen beide bekers.
Maar, zegt u, die beker in de hof, dat is beeldspraak. En u hebt gelijk. Daar moet ik het nu over hebben.
Om dan meteen maar een misverstand af te snijden: de beker waarvan Jezus vraagt of die aan Hem voorbij mag gaan, is niet een symbool van lijden, van leed, pijn en dood, Althans niet op zichzelf.
De lijdensbeker, dat behoort niet tot de bijbelse beeldspraak.
Dat hoort meer thuis in de Griekse cultuur van die tijd.
In het oude Griekenland werden mensen wel ter dood veroordeeld in die zin dat ze de gifbeker moesten drinken. Socrates, een heel bekende Griekse wijsgeer, heeft zo de gifbeker gedronken.
En daar komt het wel vandaan, dat de beker bij ons nog symbool is van lijden en dood.
Die betekenis heeft de beker in Gethsémane niet.
Tenminste, dat leed, dat lijden, het staat niet voorop.
AIs het in de beker meekomt, dan slechts als gevolg van iets anders. Van wat anders? Als u terugdenkt aan wat we voorafgaande aan de tafel gezongen hebben, kunt u het weten: "elke zondaar ... drinkt de droesem van de wijn, drinkt de (toorn met bittere mond, slurpt Zijn gramschap tot de grond" (psalm 75: 6, berijmd).
De beker, zo blijkt hier, is beeld van de toorn, van de gramschap van God.
De beker uit Gods hand aannemen en die leeg drinken, dat wil zeggen: Gods toom over je heen laten komen; jezelf daaronder stellen. Leed, lijden, is daarvan het gevolg; zelfs de dood. Maar dat is niet het eerste en ook niet het ergste.
Het ergste in dat lijden is dan dat God er met afgewend gelaat bij staat; dat je uit Zijn gunst gevallen bent.
Er is in de profeten een hoofdstuk waarin heel duidelijk wordt hoe we die beker van God moeten verstaan. Het is Jeremia 25: 15 e.v. waar de vertalers boven gezet hebben: de beker der gramschap.
En dat gaat zo: "Want aldus heeft de HERE, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker met de wijn der gramschap uit Mijn hand en geef die te "drinken aan alle volken, tot welke Ik u zend, dat zij drinken en waggelen en, dol worden tengevolge van het zwaard dat Ik onder hen zend".
Moet u zich dat eens proberen in te denken, gemeente, dat de volken, één voor één, de beker van de toorn Gods moeten drinken.
Verderop in dat stuk van Jeremia lezen we: "Als zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, zeg dan tot hen: drinken zult ge ... " (vers 28).
Je ziet het als het ware voor je: de neus dicht knijpen en net zo lang de beker aan de mond houden totdat die opengaat.
Wat is dit? De realiteit! De realiteit, ook zoals we die vandaag om ons heen zien.
Dat God ziedend is op Zijn wereld om wat de wereldbewoners met al Zijn gaven en weldaden, met Zijn schepping en alles wat er in is, hebben gedaan.
Ziedend van toorn.
En Hij wil dat de mensen dat merken. Ja, zo moeten wij dat zeggen: Hij wil dat ze het mèrken.
Want er is geen sprake van dat de Here God héél Zijn toorn, héél Zijn wangunst over Zijn wereld uitgiet. Nee iets, meer niet.
"Een ogenblik duurt Zijn toorn", zegt de. psalm (30: 6) en Jesaja sprèekt zelfs van 'een kort ogenblik' (Jesaja 54 : 7).
Want als ze er iets van merken, dan gaan hun zielen open voor het ontzaglijke wonder van het evangelie. Tenminste, zo bedoelt de Here dat.
We mogen zeggen dat al het erge dat er gebeurt - dat God het in Zijn grote liefde als een zweep gebruikt om de mensen paar Christus toe te ranselen.
Want Hij wil niet dat we verloren gaan. Hij wil dat van niemand, hoort u dat: van niemand, ook niet van degene die u diep van binnen haat.
U moet dat woord over de beker in de hof in verband brengen met dat profetenhoofdstuk, gemeente.
Dan krijgt u dit beeld: de volken, stuk voor stuk, krijgen van God de beker van Zijn toom aangereikt.
Ach, wat erg! En de mensen ook, ieder afzonderlijk, "drinken zúlt ge!" Verschrikkelijk!
Maar telkens is daar ook Christus.
En Hij zegt: "Liever niet, Vader, liever niet! Maar toch, geef hem Mij maar! Dan drink Ik hem tot de bodem leeg.”
En dan neemt Christus de beker hun uit handen en geeft hun geeft ons - in tuil de avondmaalsbeker.
Laat die beker maar bij jullie rondgaan. Zo heeft er een ruil plaats van die twee bekers, die van het Avondmaal en die van de hof: Christus de beker van de toom, wij de beker van de dankzegging.
Christus de beker van de gramschap, wij de kelk des heiIs.
Christus de beker van de wangunst van God, wij de bokaal van het nieuwe verbond.
"Zie, Ik neem uit uw hand de beker der bedwelming; de kelk van Mijn grimmigheid zult gij niet langer drinken" - lezen we bij de profeet Jesaja (51:24.).
Christus zegt dat. Hij neemt die beker voor Zichzelf...
En wie deze ruil weigert, gemeente, die moet het zelf weten.
Van hem geldt wat we in psalm 75 gezongen hebben: "drinkt de toom met bittre mond, slurpt Zijn gramschap tot de grond". Buiten Christus is er de toom tot het einde.
Thuis heb ik een kostbaar boek in de kast staan. Avondmaalszilver uit de provincie Groningen", van mijn schoonvader geërfd, die in die provincie predikant was. Er staan veel avondmaalsbekers in. Prachtig bewerkt. Dat is gedaan 'pia manu', met vrome hand.
Ik word altijd weer stil van de liefde die er uit spreekt.
Wat hebben de mensen die zulke dingen maakten de Here toch intens lief gehad!
Dat denk ik ook als ik door oude kerken loop: Wat een liefde in hout en steen!
Ik weet wel, hoor, er zijn ook christenen die andere gevoelens krijgen. Die lopen bijvoorbeeld hoofdschuddend door een oude kerk en zeggen: wat onrendabel!
Of: dat geld had beter aan de armen gegeven kunnen worden.
En dat hoeft niet altijd een Judasopmerking te zijn.
Maar zie het zo toch ook eens: dat zo'n kostbare avondmaalsbeker gemaakt is (of: kan zijn) door iemand, die rilde bij de gedachte aan de beker in de hof en die met zijn vakmanschap zei: broeders, deze beker hebben we daarvoor in de plaats gekregen! En daarom gaan we nu zingen uit psalm 116, die het heeft over de 'kelk van 's Heren heil'.
We komen bij psalm 75 vandaan, die zingt van de beker van Gods toom. Maar nu gaan we naar psalm 116. En juist tegen de achtergrond van psalm 75 is psalm 116 zo mooi.
Juist tegen de achtergrond van de beker uit de hof is de beker van de tafel zo'n wonder van genade.
Of, zoals de vrome Von Zinzendorf zei:
De liefde is een drank zo zoet, zo fijn!
Mijn God kent die als bloed, en ik als wijn!