ONZE EREDIENST

1986-03-14
  • Jaargang 30
  • nummer 11

De aktiviteit van de gemeente

Voordat we enkele onderdelen van de eredienst nader bekijken, eerst een paar opmerkingen over de aktiviteit van de gemeente bij de kerkdienst. Ons is geleerd, dat de Reformatie een belangrijke verbetering gebracht heeft door de gemeente weer aktief bij de dienst te betrekken. De Reformatie, zo schreef dr K. Deddens in "Waar alles van Hem spreekt" heeft de gemeente uit het moeras van de onmondigheid gehaald en haar als werkelijke partij in, het verbond weer een werkzaam aandeel gegeven. Dit pogen van met name Calvijn was terecht, want het gaat bij de eredienst om een samenspraak van God met zijn volk. Dat volk van God mag niet alleen toeschouwer en hoorder zijn, maar moet ook zelf handelen.

Ook dr A. Kuyper beeft er op gewezen, dat het niet juist is, wanneer de dienst door één man verzorgd wordt. Kuyper was er dan ook voorstander van, dat de dienst door meerdere ambtsdragers verzorgd werd, Daar is na de Reformatie veel in de eredienst veranderd.
Zo werd het zwaartepunt in de eredienst gelegd in de verkondiging van het Evangelie. Men sloeg zelfs door toen men de alleenheerschappij van de prediking poneerde en tekort ging doen aan de eigenaardige plaats van het sacrament.
Een belangrijke verbetering is ook, dat de gemeente zelf weer psalmen ging zingen. Helaas is in sommige kerken dat zelfs blijkbaar een te grote last voor de gemeente, en heeft men de gemeentezang gedeeltelijk door koorzang vervangen. Iets anders is, wanneer de koorzang gebruikt wordt ter ondersteuning van de gemeentezang. Een koor in plaats van de gemeentezang is echter duidelijk een verarming, hoe mooi het koor ook mag zingen.

Helaas gaat de aktiviteit van gemeente niet verder dan bet zingen en het offeren en dat is bepaald onvoldoende.
Nu wil ik niet pleiten voor lekenpreken.
Voor de preek, de Schriftuitlegging is de predikant, mee door zijn opleiding, bij uitstek aangewezen.
Lekenprekers waren in vroeger tijden, bij gebrek aan goed opgeleide predikanten, nodig. Gelukkig is dat nu niet, meer het geval.
Wel is het jammer, dat uit de meeste kerken de voorlezer verdwenen is.
Prof. dr K. Deddens heeft bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt in Hamilton daarvoor een sterk pleidooi gevoerd.
Deddens wees erop, dat de voorlezer al in de tweede eeuw bestond.
Het was een taak die veelal door "leken" gedaan werd, zij het dan geschoolde leken.
In de derde eeuw werd deze positie tot een officieel kerkelijk ambt verheven. De synode van Dordrecht 1574 schreef voor, dat de Schriftlezing niet vanaf de preekstoel moest plaatsvinden en dat de schoolmeesters deze taak moesten vervullen.
Daar is over voorlezers vaak spottend gesproken. Er zijn ook veel anekdotes over in omloop.
Bijvoorbeeld het verhaal, dat de voorlezer zich vergiste en voorlas: de koe en de boerin zullen tezamen neerliggen.
Zelf heb ik meegemaakt, dat een voorlezer het boek Nahum niet kon vinden en zich tenslotte tot de predikant wendde met de opmerking: het staat er niet in.
Maar ook predikanten maken wel vergissingen en geven aanleiding tot hilariteit. Ik herinner me nog het onderdrukte gelach in de kerk, toen mijn vader voorlas: de vogels hebben holen en de vossen hebben nesten ....
Het was niet de enige vergissing, die hij in zijn lange predikantsloopbaan gemaakt heeft.
Het voordeel van de voorlezer is, dat men niet steeds dezelfde man en hetzelfde geluid hoort.
De afwisseling geeft aan de eredienst juist een speciaal cachet.
Er zijn naar mijn opvatting nog wel meerderen aktief bij de eredienst te betrekken. De predikant kan zich dan geheel op de prediking concentreren.
Milo wijst er in zijn eerder genoemd boek ook op, dat de gemeente zelf onvoldoende tot handelen komt. Zij heeft, zo schrijft hij, bijna uitsluitend een passieve houding.
Calvijn heeft getracht de gemeente de wet te laten zingen.
Op deze wijze werd de gemeente aktief gemaakt en hoort men de wet beter. Zoals het nu gebeurt, hoort een belangrijk deel van de gemeente door de herhaling elke zondag de wetslezing niet. Wanneer de predikant de wetslezing eens vergeet ontgaat dat aan veel gemeenteleden.
Daarom is het ook goed, dat de geloofsbelijdenis staande aangehoord wordt, Dat zou het gemeenschappelijk belijden van heel die gemeente beter tot uitdrukking brengen. Minder juist is het, dat de predikant deze belijdenis voorleest. Dr Kuyper stelde daarom voor, dat een andere ambtsdrager dan de predikant dit moest doen. Nog beter is, volgens Kuyper, dat de hele gemeente de belijdenis tezamen uitspreekt of zingt. Nu is het samen uitspreken van de belijdenis nogal lastig. Het wordt gauw een gemurmel van stemmen.
Het zingen van de belijdenis en dan bij voorkeur de onberijmde tekst verdient m.i. de voorkeur.
Ter vermijding van sleur kan men ook afwisselend de belijdenis doen voorlezen en zingen.
Daarnaast is goed om na te gaan hoe men jongeren meer bij de dienst kan betrekken. Waarom hen niet laten kollekteren, zoals in sommige gemeenten ook gebeurt?
Dit waren zo enkele suggesties om de gemeente tijdens de dienst meer aktief te maken. Kerkdiensten gaven vaak de indruk, dat men komt om alleen maar te horen. Maar de gemeente moet ook spreken.

Het publieke gebed
Vroeger was het gewoonte, dat het merendeel der broeders bij het gebed een staande houding aannam. Een minderheid, evenals alle zusters der gemeente, bleef zitten, Dat verschil in houding was niet juist. Helaas heeft men toen voor allen de (oneerbiedige) zithouding gekozen.
In de Bijbel lezen we echter, dat de gemeente staande of knielende bad.
Ook na de Reformatie was dat de gebedshouding. Later is dat veranderd.
De knielende houding is bij ons geheel in onbruik geraakt.
In elk geval zou een staande gebedshouding meer in overeenstemming zijn met de gewoonten in de eerste christelijke gemeenten.
Het is ook eerbiediger en betrekt de gemeente er meer bij.
Natuurlijk zou dat de voorganger verplichten zich ten aanzien van de gebedsduur een zekere beperking op te leggen. Dat zou m.i. geen bezwaar zijn. De Schrift geeft ons geen voorbeelden van lange in publiek uitgesproken gebeden. Wanneer het gebed tevoren goed overdacht en eventueel opgeschreven wordt, vervallen vanzelf allerlei herhalingen en uitwijdingen, die het gebed onnodig lang maken. Erg belangrijk is, dat het gebed goed wordt voorbereid.
Als student had ik met een paar vrienden de gewoonte na te gaan hoeveel herhalingen in het gebed voorkwamen. Dat was niet erg eerbiedig, maar het liet wel zien, hoe slecht de publieke gebeden vaak voorbereid worden.
Deddens schrijft, dat men vroeger gekeurd werd naar gebedsgave en voor een belangrijk deel was de lengte van de gebeden daarvoor bepalend.
Ik vrees, dat deze gedachte nog niet geheel verdwenen is.
Soberheid in het gebed is een goede zaak. Het gevaar is groot, dat het zogenaamde lange gebed ontaardt in allerlei verklaringen, mededelingen en beschouwingen, ja soms zelfs in kleine preekjes. God heeft geen behoefte aan onze preken, maar wel aan ons eerbiedig en ootmoedig gebed.
Deddens vermeldt dat ouderling Fabius, die volgens de gewoonte van die tijd stond bij het gebed, prompt weer ging zitten, als hij merkte, dat de voorganger preekte tot de HERE.
Via Deddens citeer ik nog een uitspraak van P. Biesterveld: "Slordige en dodige praat onder vorm- van gebed is vermoeiing des geestes voor de gemeente, en een walging voor God. Stukken der leer in bidvorm gieten, dat is geen gebed."
Laten we bedenken, zo is de juiste conclusie van Deddens, dat het gebed, ook het publieke gebed, het voornaamste is in de dankbaarheid, die God van ons eist.
Het gebed moet zijn een smeken tot God, waarbij de vreugde en de nood van de gemeente aan God wordt voorgelegd.
Een formuliergebed, mits in de taal van deze tijd, is daarvoor ook goed te gebruiken

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief