Jozef op de weg der vernedering

1986-03-21
  • Jaargang 30
  • nummer 12
De broers gedragen zich steeds vijandiger tegenover Jozef. Zó zeer zelfs, dat zij besluiten hem uit de weg te ruimen, wanneer hij hen in opdracht van zijn vader komt opzoeken in Dothan.
De reaktie van de broers, die hem van verre zien aankomen, doet denken aan het woord uit Joh. 1 : 11, waar van Jezus gezegd wordt: "Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen".
Van stond af aan is er de felle tegenstand. Daar komt de zoon der verkiezing aan, nee niet enkel vaders lievelingetje, maar de zoon van Gods welbehagen. En dat laatste m.n. zit hen hoog. Dat is de angel, die steekt. Dat hii de meeste van hen zal zijn.

Wie het aangrijpende lijdensverhaal van onze Here Jezus heeft gelezen en dan nog eens terug grijpt naar dit OT-ische lijdensverhaal, die wordt getroffen door de wijze waarop de lijdenden reageren. Er komt geen klacht uit hun mond. Of zoals de profeet Jesaja van de lijdende knecht zegt: "als een schaap, dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open."
Het zijn de mensen, die met Hem handelen en Hij laat hun geworden.
Zo ook de broers met Jozef. Hij laat hun geworden. Zij besluiten hem te doden, de hand aan hem te slaan, maar van Jozef horen we geen woord, Opmerkelijk is, dat twee broers zich nog moeite voor Jozef getroosten.
Ruben, de eerstgeborene, en Juda. Zij trachten ieder op eigen manier Jozef het leven te redden, zonder daarbij in konflikt te komen met de andere broers, van wie de zonen der beide slavinnen Jozefs meest verklaarde tegenstanders zijn (vs. 2).
Juda voert zelfs eerst een economisch motief aan, daarna pas een humaan motief. "Wat voordeel is er in gelegen, wanneer wij onze broeder doden en zijn bloed verbergen? Komt dan, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, doch laten wij niet de hand aan hem slaan, want hij is onze broeder, ons “eigen vlees." (vs 27) Je hebt soms het economische bitter hard nodig om het humane te kunnen verkopen. Dat merk je tot op de dag van vandaag. De mensen zijn helaas vaak meer aanspreekbaar op hun portemonnee, dan op hun naastenliefde of medemenselijkheid.
Een levende Jozef is meer waard dan een dode Jozef en tegelijk zijn de broers hem dan mooi kwijt. Zo wordt Jozef door z'n broers versjacherd aan Midianitische kooplui, die op weg zijn naar Egypte.

Tenslotte concentreert dit lijdensverhaal zich in het verdriet en de rouw van vader Jakob.
Voor vader Jakob hebben de broers Jozef dood moeten verklaren, en de bewijzen daarvoor hebben ze snel geproduceerd.
Het pronkgewaad gedoopt in het bloed van een geitebok.
Jakobs verdriet is intens. En Jakob scheurde zijn mantel, deed een rouwgewaad om zijn heupen en treurde lange tijd over zijn zoon. Al zijn zonen en al zijn dochters deden hun best hem te troosten, maar hij weigerde zich te, laten troosten, en zeide: Nee, rouwdragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen. En zijn vader beweende hem." (vss. 34,35).
Jakob is radeloos van verdriet en ontroostbaar. En je kunt je niet voorstellen, dat de broers dat hebben kunnen aanzien, dat ze het zelfs aandurfden om hun vader te troosten. Zij, die hem met eigen handen dit verdriet hebben aangedaan.
Je ziet in het verlengde van vader Jakob de vrouwen bij het graf van Jezus staan. M.n. Maria van Magdala, een zielsverdrietige Maria, voor wie de werkelijkheid zonder Jezus een hele andere werkelijkheid is geworden.
Zonder Pasen betekent Golgotha inderdaad wat Jakob zegt: Een weerzien is er alleen in het dodenrijk.
Toch, hoe zwaar dit verlies vader Jakob ook drukt, gaat hij er ook niet een beetje de tragische kant mee uit? Ik zeg dat heel voorzichtig, want het verdriet laat zich soms maar heel moeilijk penen en in hoeverre kunnen wij daarover oordelen? Maar duidelijk wordt hier toch wel, dat het in Jakobs leven helemaal gedraaid heeft om Jozef. Jozef de zoon, die hij liefhad. En wanneer Jozef sterft, dan sterft ook het hart van zijn vader.
Ik wijs in verband hiermee op vs. 2. Daar staat: "Dit is de geschiedenis van Jakob, Jozef, zeventien jaar oud - .... ". De geschiedenis van Jakob dat is: Jozef Nu weet ik wel, deze uitdrukking: "dit is de geschiedenis van .... " kom je vaker tegen in het boek Genesis als de inleiding op een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het heil. (Gen. 2 : 4, 5 : 1, 6 : 9, 10 : 1, 11: 10, 21: 12, 25: 19 en 37: 2).
Toch, hier bij Jakob en Jozef krijgt die uitdrukking wei een heel bijzonder aksent. Jakob, dat is Jozef. Zo heeft Jakob dat zelf gezien en ervaren. Jakob heeft.
alles gezet op deze zoon, die door hem boven al zijn broers verheven was.
En als Jozef er niet meer is, dan heeft ook voor Jakob het leven geen zin meer, dan kan het boek der geschiedenis wel dicht.

Is het daarom niet veel betekenend, dat het laatste zinnetje van dit hoofdstuk luidt: "De Midianieten nu verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht." Het is of de bijbelschrijver ons hier een stille knipoog geeft en zeggen wil: en toch, de geschiedenis gaat door. God heeft voor Jakob nog iets heel groots in petto.
Maar wat er met Jozef gebeurt vanaf het moment dat de broers hem uit handen gegeven hebben, dat blijft voor Jakob verborgen (en ook voor de broers), tot op de dag dat God hen dit zal openbaren.
Maar Jozef is in Gods handen en Hij doet in het verborgene grote dingen met hem.
Na Goede Vrijdag wordt het Pasen. Ook voor Jakob.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief