De vrouw in het ambt van diaken (2)

1986-03-21
  • Jaargang 30
  • nummer 12

J. F. Arends, F. van Deursen, J.D. Janse

Meerderheidsrapport

Diakenen en vrouwen
In het kader van deze vereisten voor diakenen vinden we nu echter ook een verwijzing naar "vrouwen". Vs. 11 (letterlijk weergegeven): "Vrouwen insgeIijks waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles."

Hoe hebben we dit te verstaan?
Moeten we hieruit konkluderen dat er dus ook vrouwelijke diakenen waren? Het staat nog te bezien of de apostel hierop werkelijk doelt. Bekend is de opvatting, waarvan onze gebruikelijke Bijbelvertaling van het NBG ook blijk geeft, dat hier gedoeld wordt op de echtgenotes van genoemde diakenen. Bij de vereisten die hen persoonlijk betreffen komt dan nog, dat ook "de vrouwen". (in de zin van: hun vrouwen, vgl. 2 : 8 en 9: de mannen – evenzo de vrouwen) moeten delen in hun waardigheid, soberheid, tong in bedwang ....
Voor Uw vergadering, voor het merendeel uit ambtsdragers bestaande, behoeft het geen betoog dat het wat uitmaakt hoe “de vrouw” is!
Deze opvatting is bepaald niet verouderd te noemen of per se ingegeven door vrees voor "de vrouw in het ambt": ook de Groot Nieuws bijbel, die toch zeer bij de tijd is, die het apostolische "broeders" geregeld (en terecht) weergeeft met: broeders en zusters, kiest hiervoor en heeft: "hun vrouwen moeten ... ".
Waarbij dan ook het vervolg heel passend lijkt aan te sluiten. "Diakenen moeten van eem vrouw de man zijn ... " vs. 12.

Evenwel, deze uitleg vindt niet aller instemming. Er staat toch maar niet “hun vrouwen", maar enkel "vrouwen". En het is moeilijk in te zien waarom nu juist bij de diakenen en niet bij de opziener de vrouw moet genoemd.
En, met verwijzing naar Rom. 16: 1 (waar Febe toch ook "diakones" van de gemeente te K. heet) geeft men dan de voorkeur aan de mening dat de apostel hier wel zal doelen op de vrouwelijke collega's van de diakenen, hun vrouwelijke medediakenen.
Deze krijgen hier dan nog even apart te horen, dat zij aan soortgelijke eisen moeten voldoen. Hetzelfde wat van de (mannelijke) diakenen is gezegd, geldt ook de vrouwelijke.
Deze interpretatie vindt ook binnen de commissie verdediging. In dit rapport willen we toch met nalaten twijfel uit te spreken of hier wel juist wordt gezien. Te vragen valt: als het om niet meer en nu iets anders zou gaan dan vrouwelijke diakenen waarom moeten deze nog apart genoemd? Zij vallen dan toch onder de diakenen; héten dan ook "diakonos", ze kunnen in het Grieks met dezelfde termen worden aangeduid. "Diakenen moeten waardig zijn .... " vs. 8 v.v., daarin zijn zij dan toch álle begrepen, mannelijke en vrouwelijke!
Waarom moet dit voor de laatsten nog eens herhaald en waarom worden zij 'als vrouwen" aangeduid, ja onderscheiden van diakenen"? In vs. 12 heet 't opnieuw "Diakenen .... "
en dan blijken dat weer zonder meer mannen te zijn!
Het valt te verstaan dat er onder hen, die menen dat niet bedoeld kan zijn "de vrouwen ván de diakenen", nog een andere opvatting wordt gevonden. Namelijk deze: dat men hier te denken heeft aan vrouwen die zonder dat zij zelf het diakenambt bekleedden, wel met de diakenen samenwerkten. Met "vrouwen evenzo .... " zou dan een derde kategorie in het oog gevat worden:
vs 2 vv: "de opziener moet ...
vs 8 vv: "diakenen evenzo moeten: .. "
vs 11 : "vrouwen evenzo moeten ... "
De hervatting van diakenen ... in vs. 12 wordt dan daarbij wel uitgelegd als een opmerking achteraf; waarin diakenen die goed hun diakenambt vervullen of hebben vervuld uitzicht wordt geboden op een stapje verder: opziener worden.
Hoe dit zij, vrouwen die diakonaal werk doet, vinden we verderop in de brief inderdaad geremd (5 : 9 v.v.): de weduwen.
Zij moesten ook aan bepaalde vereisten voldoen en worden dan “ingeschreven" .
Vrouwen, die onder leiding van diakenen werkzaam zijn in de bediening - het past ook bij het beeld van Hand. 6: de zeven mannen die over de dagelijkse bediening werden gesteld waarin ook weduwen een rol speelden.

Diakenambt uitzondering?
Vanwaar nu dit hele betoog?
Wel, om uw vergadering ervan te doordringen dat het niet zo evident is, dat het beeld dat de Schrift geeft nl. voor een ambt worden mannen gekozen (apostelen? de zeven, de oudsten) ten aanzien van het diakenambt ànders is, doorbroken wordt en dat voor dit ambt normaliter ook vróuwen werden geroepen.
Wel is duidelijk, dat de zusters in de gemeente zich op allerlei wijze verdienstelijk maken, meewerken, meezwoegen (zie Rom. 16), zo dat ook een Febe diakonos " van de gemeente " kan heten, gezien de diensten die zij daar verrichtte. En dat 1 Tim. 5 wijst op vrouwen, i.c. weduwen die voor deze dienst ook werden aangesteld, waartoe ze zelfs een belofte aflegden.
Maar dat tot het specifieke diakenambt, naast dat van de opzieners uitgeoefend, evenzeer vrouwen als mannen werden geroepen, is niet duidelijk, noch lijkt het waarschijnlijk. Gezien ook het feit, dat in de christelijke literatuur van de oude kerk dit direkt. aanleunt tegen het NIeuwe Testament (de zgn. "Apostolische Vaders") keer op keer sprake is van die ambtsdragers (opzieners)/oudsten/diakenen), maar altijd blijken dat dan mannen te zijn. Wel worden ook daar de "weduwen" genoemd, maar dan aan de zijde van de gemeente (Ignatius' brief aan Smyrna, ± 100: Groeten aan de opziener-oudsten-diakenen "man voor man", anderzijds aa~ de "gezinnen van mijn broeders met vrouwen kinderen en de ongehuwden, die weduwen worden genoemd." 12 : 2 en 13 : 1).

En zo is ook onze kerkelijke praktijk: Tot de ambten (Dienaar des Woords, ouderling, diaken) worden de zusters niet geroepen. Dat zij zodoende werkeloos moeten toezien, is daarmee geenszins gegeven. Ook veel broeders worden niet geroepen tot 't ambt en kunnen (moeten) hun gaven toch gebruiken “ten nutte en ter zaligheid der andere (vervolg op pag. 86) lidmaten". De ambtsdragers zullen er zelfs op moeten toezien dat ze de gemeenteleden stimuleren en inschakelen. Zeker ook de zusters. Aanstelling van "weduwen" kennen wij niet meer.
Zou het aanbeveling verdienen zusters aan te stenen voor bepaalde hulpdiensten in de gemeente, als een soort "diakonessen"?
In feite zijn ze er al: menige zusters of zusters-gezamenlijk, die zich geven in allerlei zorg en dienst en medewerking.
Soms daartoe ook uitdrukkelijk aangezocht. Gaven zullen we niet mogen veronachtzamen.
Toch impliceert dit nog niet zonder meer dat wij ook, zusters gaan roepen om de last van helt ambt te dragen. Als dit toch overwogen wordt, dan zal men zich goed rekenschap moeten geven wat de motieven daartoe zijn. En zal men zich moeten realiseren dat dit niet in de lijn is van het beeld dat de Schrift ons biedt. Daar zijn het de mannen, die tot de ambtelijke leiding en zorg' voor de gemeente worden geroepen.
Dat in dit opzicht het diakenambt een uitzondering is en van dit patroon afwijkt, is niet onomstotelijk uit de Schrift aan te tonen. De kerk van Amsterdam-C. spreekt dan ook voorzichtig, Van kiezen voor een bepaalde uitleg van 1 Tim. 3: 11, van: een andere opvatting, die op zijn minst mogelijk is. Daarbij komt deze kerk dan met als ander argument: “Bij ons is er een duidelijk onderscheid tussen het ambt van diaken aan de ene en dat van ouderling aan de andere kant." Het komt ons voor dat deze redenering niet geheel relevant is. Zeker heeft de diaken een andere taak dan de ouderling, meer in de sfeer van zorg voor hulpbehoevenden. Maar is het zo - en als het zo gaat is het juist - dat diakenen daarmee eigenlijk los staan van de gezamenlijke zorg van de ambtsdragers voor de gemeente? Betekent de roeping tot het diakenambt ook niet dat de geroepene met de andere ambtsdragers samen een bijzondere verantwoordelijkheid voor de gemeente draagt?
Zo stelt ons Accoord het in art. 15: "De ambtsdragers tezamen vormen de kerkeraad, die belast is met de leidingen verzorging van de gemeente." 't Lijkt ons toe, dat we hiermee in de lijn van de Schrift zijn, en dat we deze eenheid van ambtsdragers, die samen belast zijn met een bijzondere verantwoordelijkheid voor de gemeente, niet moeten losmaken.

Konklusie
U legde ons ter advies de vraag voor: "of het Schriftuurlijk verantwoord is zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk."

Om het bovenstaande samen te vatten: als we de Schrift nagaan, dan vinden we daarin veel over de grote rol van zusters in de gemeente, maar de ambten van ouderling en voor zover wij zien ook van diaken waren taken, waarvoor broeders werden gekozen, aangewezen, aangesteld. Als wij zusters daartoe roepen, tot het diakenambt, dan gaan we in een richting waarin onze Heer en zijn apostelen ons niet zijn voorgegaan. Waarin zij ons niet hebben gedrongen. Wat dringt ons dan wel? Daarover zullen wij onszelf en elkaar dan rekenschap hebben te geven. En daarbij zal dan meer aan de orde moeten komen dan alleen het diakenambt. Dit punt te isoleren van de andere vragen, we zeiden het al in het begin, is niet goed mogelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief