Nederlands Gereformeerde identiteit (1)

1986-10-17
  • Jaargang 30
  • nummer 40
Onze identiteit
Ik wil beginnen met mijn meningen naar voren te-brengen en daarna gelegenheid geven tot tegenspraak. Meningen zijn natuurlijk erg persoonlijk: deze heeft mening zus en een ander mening zo; dat hangt samen met de vraag: hoe kijk je tegen de werkelijkheid van de Nederlands Gereformeerde kerken aan? En op welke plaats ben je in die kerken gesteld? Het is goed, dat u zich dat realiseert. U krijgt te maken met een persoonliike kijk van iemand' uit de Nederlands Gerei. kerken. Natuurlijk heb ik getracht zo te spreken, dàt naar ,voren te brengen, dat ik op zoveel mogelijk instemming kan rekenen, natuurlijk probeert een mens dat. Maar ik waarschuw u toch maar, dat u te maken krijgt met de persoonlijke kijk van iemand uit de Ned. Geref. kerken. En wanneer u een ander had uitgenodigd, dan zou dat niet anders zijn geweest. Ook dan: een mening, afwijkend van de mijne wellicht, niettemin: een mening. Daar valt gewoonweg niet aan te ontkomen.

De identiteit dus van de Ned. Geref. kerken. Laten we ons eerst eens bezighouden met de vraag of het onderwerp wel goed is. Mogen wij als Ned. Geref, kerken eigenlijk wel een eigen identiteit hebben? En gesteld, dat die er is: Mag je er dan eigenlijk over pratoen?
Bevordert dat die identiteit niet, die er dan eigenlijk niet zou mogen zijn? Wat kan de identiteit van een christelijke kerk eigenlijk anders zijn dan dat ze van Jezus Christus is, dan dat ze luistert naar het Woord van Hem. Echter, als dat zo zou zijn, als dat de enige legitieme identiteit zou zijn, dan melden zich, moeten we ons realiseren, eigenlijk alle kerken aan, want elk van hen zegt, dat ze dat wil zijn: Een kerk die luistert naar het Woord van haar Heer. En dat brengt ons dan weer tot de vraag: Waarom zijn al die kerken dan niet één ,als ze toch allemaal hetzelfde bedoelen? Met andere' woorden, sta je die noodzakelijke eenheid van Christus' kerk niet ,in de weg door te gaan spreken over de identiteit van de eigen' kerk? Kun je dan niet beter zeggen: Er mag maar één kerk zijn, om dan vervolgens met die stelling Of de Vrijgemaakte kant uit te gaan Of de Roomse Of de oecumenische. De Vrijgemaakte kant: er mag maar één kerk zijn n.l. onder de Belijdenis; de Roomse kant: er mag maar één kerk zijn, n.l. onder de paus; of de oecumenische kant: er mag maar één kerk zijn en die pluraai georganiseerd. Nu, het moet toegegeven worden dat het spreken over eigen identiteit inderdaad iets gevaarlijks heeft; dat dat kan ontaarden in het oppoetsen van eigen veren, zelfstreling, zelfgenoegzaamheid, afsluiting van anderen, energieverbruik voor een inwendig doel. Maar het hoeft niet.
Het spreken over eigen identiteit kan ook een andere wortel hebben en een ander doel dienen.
Dat je namelijk het hele volk van God voor ogen stelt 'en je zelf de volgende vraag stelt: Hoe zouden wij het eigene dat wij gekregen hebben, heel Gods volk ten goede kunnen laten komen? - Het eigene dat we gekregen hebben: Inderdaad hebben wij iets eigens. Het helpt niet dat te ontkennen. Alle kerken hebben iets eigens. Als ik de radio aanzet en ik maak een kerkdienst mee, dan weet ik al heel gauw, uit welke hoek de wind waait, en van welke kerk die dienst afkomstig is. Dat merk je gewoon, omdat elke kerk haar eigen nestgeur meebrengt. De kwestie is dus niet: hebben wij een identiteit, en ook niet: mogen wij er één hebben, maar er éénmaal één hebbend, wat doen we ermee? Poetsen we haar op, om ons zelf te behagen of proberen wij er het geheel mee te dienen, het geheel van Gods kerk?

Maar wat is dan onze identiteit? Ik: mag dus nu niet meer antwoorden: Onze identiteit is, dat we in alles willen luisteren naar het Woord van God. Want we zouden daarmee immers uitspreken, dat andere kerken dat niet doen, of zelfs niet willen doen. Nee, het gaat er nu om te zoeken naar iets dat wij zeer duidelijk, in onderscheiding van andere kerken hebben.
En met 'zeer duidelijk' bedoel ik, dat dat gemakkelijk kan worden opgemerkt door een buitenstaander.
Welnu, dan denk ik hier aan, dat wij een kerk zijn met weinig traditie 'en weinig traditiegebondenheid.
En ik hoop, dat u daaraan merkt, dat ik inderdaad probeer naar eigenschappen te zoeken die u zelf ook kunt controleren.
Weinig tradities en weinig traditiegebondenheid.
Wij zijn de kerken die de meeste traditiejasjes hebben uitgetrokken. Bij de Afscheiding één, bij de Doleantie één, bij de Vrijmaking één en bij de Buitenverbandstelling één. Ik zeg dat niet triomfantelijk, ik zeg dat ook niet klagerig, het gaat me nu gewoon om het vaststellen van een door ieder waar te nemen feit. En vanwege dit feit van traditieverlies kijken wij ook op een aparte manier aan tegen de goederen die ons vanuit de traditie worden aangereikt.
Zoals: de Belijdenis, de Kerkorde en onze liturgische gewoontes.
We laten die ·niet vallen, maar onze geschiedenis verplicht ons er de betrekkelijkheid van te men. Als we dat niet geleerd hebben, hebben we eigenlijk weinig geleerd van ons ingewikkelde kerkelijke verleden. Wat de binding aan de belijdenis betreft, wij hebben het gevaar van het oonfessionalisme leren zien, waarbij eigenlijk de Belijdenis het eigen Schriftlezen en het eigen Schriftgebruik hindert in plaats van helpt. De Belijdenis dient ons te helpen in het naar de Bron gaan, de Schrift te lezen en te gebruiken. Confessionalisme is, dat de Belijdenis het eigen Schriftgebmik hindert in plaats van helpt.
Dit gevaar hebben wij, als het goed is, onderkend, leren onderkennen door wat ons is overkomen, door de geschiedenis waar we doorheen zijn gegaan. Wat de Kerkorde betreft, wij hebben zo langzaam aan nu wel door, dat een Kerkorde een heel makkelijk instrument kan zijn voor een meerderheid om haar wil door te drijven. Denk aan het bekende Art. 31, waarin het recht van de minderheid wordt vastgelegd.
Maar voor elke kerk die dan meerderheid wordt t.o.v, weer een andere minderheid blijkt het moeilijk om dit Artikel te hanteren. Een goed voorbeeld is de Vrijgemaakte kerk zelf, die uit een beroep op dat Artikel geboren is, maar die toch in een voorkomend geval, naar ons toe,' dat Artikel niet goed gehanteerd heeft. Dus wij hebben nu zo langzamerhand wel door, dat een Kerkorde heel gemakkelijk een instrument kan zijn voor een meerderheid om haar zin door te drijven. En het derde punt noemde ik 'liturgie'. Wij zijn tooh wel als Nederlands Gereformeerden algemeen beducht voor het gevaar van de verstarring en van de plechtstatigheid ('zwarte' ouderlingen) en van de verambtelijking, Natuurlijk bergt di:t alles gevaren in zich. Die genoemde punten, daarop kunnen wij gaan doorslaan.
Dus, dat je in plaats van de binding aan de Belijdenis leervrijheid krijgt. In plaats van een door Kerkorde gereglementeerd kerkelijk leven vrijbuiterij. En in plaats van de overgeleverde liturgie de stijlloosheid. Dat kan allemaal. En daar merk je zo af en toe weleens wat van in de Ned. Gereformeerde kerken: leervrijheid, vrijbuiterij, stijlloosheid. Maar de liefde tot de Schrift is onder ons heel sterk. En als de liefde tot de Schrift de vulling is van die vrijheid, dan ducht ik eigenlijk weinig gevaar. Dat is een heilzaam tegenwicht tegen de drie dingen die ik noemde: een zekere relativering van het gezag van de Belijdenis, van de funktie van een Kerkorde en van de gang van zaken bij de liturgie, en als tegenwicht een grote liefde voor de Schrift. Natuurlijk zeg je zulke dingen bevend: de liefde tot de' Schrift is heel sterk onder ons.
Maar toch meen ik, dat we God voor deze genade mogen danken.
Die liefde tot de Schrift, die staat eigenlijk in onze geboortebrief als Ned. Geref. kerken, want wij komen voort uit de Schriftbeleving van de dertiger jaren, toen de Bijbel weer op een nieuwe wijze, een frisse wijze openging. Dat elan is er nog steeds. En ik wijs er op, dat in veel publicaties binnen de Ned. Geref. kerken de bijbelstudie eigenlijk een overwegende plaats inneemt. Neem b.v. het blad 'Verkenning' voor de jeugd: veel bijbelstudie, neem het blad 'Opbouw': ook veel Schriftgebruik en Schriftuitleg, neem auteurs 'als ds M. R. van den Berg: bijbelboek na bijbelboek wordt uitgelegd, 'Of ds C. Vonk: 'De Voorzeide Leer' met ds Van Deursen. Je kunt meer publicaties noemen, maar ze hebben toch een kenmerkende trek van de Ned. Geref. kerken: graven in de Schrift, liefde tot de Bijbel, serieuze uitleg van Wet en Profeten en Psalmen en het Evangelie en de Brieven van Paulus, Een mooie trek in het Nederlands Gereformeerde, Maar weinig tradietiegebonden dus.

Dat betekent ook, dat wij een kerk zijn, waar mensen heel gemakkelijk bij weglopen en waar anderen zich heel moeilijk bij aansluiten.
Iedereen weet en iedereen kent uit zijn omgeving mensen die 'Overhun eigen kerk uiterst 'Ontevreden zijn en toch vaak zo moeilijk ertoe kunnen komen zich daarvan los te maken.
Alleen de sterken lukt het.
De anderen evenwel blijven zelfs tegen hun geweten in, in hun kerk hangen en worden daar liever mopperachtig dan dat ze elders, b.v. bij 'Ons, pen nieuw kerkelijk leven opbouwen. Vooral tot ons komt men niet zo gemakkelijk over. Men wordt dan nog eerder Christelijk Gereformeerd. Dat is tenminste een kerk, zei iemand tegen mij. Maar vooral, men. blijft aan eigen kerk vastzitten. Wat houdt hen eigenlijk zo vast? Oneigenlijke bindingen. - Daarin manifesteert zich de macht en de kracht van de traditie in de kerken, waarvan ik gezegd heb dat wij ze weinig hebben. En dus nu keert zich het argument om naar ons toe; dat juist vanwege die weinige traditie wij weinig 'kerk' voorstellen, in de gedachten van de mensen.
En terwijl van de andere kant mensen uit onze kerken gemakkelijk opstappen. Dat komt, doordat wij een kerk zonder verleden zijn, zonder traditie, zonder vertrouwde geluiden, zonder eigen nestgeur.
Één preek kan soms beslissen over 'Opstappen of blijven. 't Helpt ook niet, ten einde dat te keren, elkaar aan te sporen en te zeggen: Laten wij toch wat strakker en strenger zijn om de mensen vast te houden, want het gaat hier over een kenmerk van onze kerken dat niet weg te nemen is. En het is ons eigenlijk meer overkomen dal). dat we er zelf voor gekozen hebben.
Dit is trouwens een keerzijde, wat ik nu noem: ik bedoel, als je ziet om je heen in onze kerken dat mensen om allerlei flutredenen opstappen, kan dat een zuiverende werking hebben op het eigen lidmaatschap.
Daar moet dan, om zo te zeggen, telkens opnieuw voor gekoren worden, en dat kan de betrokkenheid heel sterk maken.
Alles heeft zijn keerzijde, ook dit.
Maar zijn wij op deze manier nu tooh niet een elitekerkje? Of een luxekerk. U weet misschien nog wel dat ds D. J. F. Schoep, die vroeger bij ons behoord heeft, ons dat eens in een interview verweten heeft. Ik ben er toen in 'Opbouw' op ingegaan. En wij kunnen dat verwijt ook niet helemaal ontzenuwen, heb ik toen gezegd. En ik denk eigenlijk dat afscheidingen altijd zo'n soort effect hebben.
Denk even met me mee. Het zijn altijd de geestelijk zelfstandigen die nee kunnen zeggen tegen een meerderheid in. Ze hebben n.l. door waar het over gaat èn ze hebben het vermogen om huil mening 'Onder woorden te brengen en die tegenover anderen te verdedigen.
Ik zeg niet dat daarvoor een intellectuele vorming nodig zou zijn, de Afscheiding van 1834 weerspreekt dat. Het waren niet intellectueel gevormde mensen die toen uit de Hervormde kerk gingen.
Nee, een geestelijke zelfstandigheid is daarvoor vereist 'Om uit te treden of eruit gezet te worden - dat maakt niet zoveel uit - en die is ook bij de meest eenvoudigen mogelijk.
Wel is het natuurlijk niet toevallig, dat uit die kringen van die geestelijk zelfstandigen later weer veel studerenden zijn voortgekomen.
Kuypers Vrije Universiteit, de vorige eeuw, voorzag in een reuze behoefte. Maar wat ik bij dit punt zeggen wilde, het was . altijd een zekere keur, zeg maar een elite, die zich afscheidde of op andere wijrze buiten de kerk kwam te staan. Wij staan in ons elitairzijn niet alleen. En ds Schoep, die , dat verwijt maakte vanuit de Gereformeerde kerken rou voor zijn kerk, op zijn beurt dit verwijt te horen kunnen krijgen van Hervormde zijde, van Rooms-Katholieke zijde. Ook hier is het dus beter, in plaats van het verschijnsel te ontkennen - "wij zijn geen elitekerk!" - in plaats daarvan rustig toe te geven dat dat bestaat en vervolgens de vraag te stellen: Als het bestaat, zouden wij er misschien iets mee kunnen? - Ik geloof .het wel. Ik denk dat wij met dit verschijnsel iets kunnen. Dat, elite-kerkje dat we dan misschien zijn, de plicht hebben om ons verantwoordelijk te blijven weten voor die kerken waaruit we zijn voortgekomen, te beginnen met de Vrijgemaakte .kerken. En dan verder terug naar de Gereformeerde kerken, voor de Nederlands Hervormde kerk en voor de Rooms-Katholieke kerk. Ons verantwoordelijk weten voor de vele, vele gelovigen die zich in die kerken bevinden.
Ons verantwoordelijk weten, ook voor de leiding in die kerken, die wij immers,vrijwillig of noodgedwongen, hebben achtergelaten met problemen, waar wij zelf niet aan behoeven te tillen.
Meedenken dus met ben, dat is ons opgelegd; niet hard oordelen over hen, dat vervolgens. Nagaan hoe wij hen .met 'Onze eigen ervaringen kunnen dienen. Ik weet, dat dat nog al, pretentieus klinkt, en ik moet ook toegeven, dat ik bij dit alles me niet altijd een even concrete voorstelling kan maken, maar het gaat me hier vooral om een houding. Deze gedachte is daarbij nuttig: Wij moesten zelf maar eens zitten met een zo grote verscheidenheid van meningen als de grotere kerken in dit land. Je zou ons dan eens moeten zien schipperen, zoals we nu immers ook al doen met onze kleine verschilletjes, Wij moeten dus onze kracht zeker niet zoeken in het veroordelen van anderen, want dat zouik rustig een gruwel voor God durven noemen. Dat betekent natuurlijk niet, dat wij ons niet kritisch zouden mogen uiten over meningen die door anderen, en in andere kerken worden voorgedragen.
Natuurlijk mag dat. En we zullen daarvoor trouwens kunnen aansluiten bij kritische geluiden in die kerken zelf. Liefde voor het evangelie en liefde voor de mensen die door het evangelie behouden moeten worden zal ons bij dit alles vooral moeten kenmerken.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief