De dichter Revius (6)
1986-10-17
Vijf jaar na de verschijning van "Over- Ysselsche Sangen en Dichten" gaf dr W. A. P. Smit nóg een bundel van Revius uit: "Overige Gedichten".- Jaargang 30
- nummer 40
Dat was in 1935. Een belangrijk deel daarvan bestaat uit "vaderlandse" gedichten waarin de strijd met Spanje het voornaamste onderwerp is. Daarmee wil ik voorlopig deze reeks over een dichter die onder ons te weinig bekend is, afsluiten.
-o-
In zijn dissertatie zegt Smit: "Voor Revius hebben Spanje en de hel dezelfde klank." Andere stemmen daarmee in: Voor Revius is de 'Oorlog met Spanje een godsdienstoorlog. Christus strijdt daarin mee, het gaat uiteindelijk niet om het vaderland, maar om de kerk. En inderdaad, in één van zijn gedichten noemt Revius ons vaderland: het huis van Gods Bruid.
Deze dichter onderscheidt zich -ook duidelijk van veel andere Renaissance-kunstenaars en van schrijvers uit vroegere tijden. Bij Revius vinden we niet de gedachte dat hij door zijn werk zèlf onsterfelijk wordt en er roem mee behaalt. Het eerste boek van zijn Overijsselse Zangen en Dichten begint met: Lof Gods, het tweede boek met Lof van Jezus Christus. In de vaderlandse gedichten komen we herhaaldelijk tegen dat het gaat om de roem van God en die van de Prins van Oranje. Ik citeer uit "De verlossing van de stad Deventer":
Die liefelijke dag; 0 gij mijn vaderstad,
Toen gij weerom ontvingt de over-rijke schat
Van vrijheid door deez' Prins, die heeft mij vast verbonden
Zijn roem en Godes eer dieshalven te verkonden.
En na de verovering van 's-Hertogenbosch schrijft hij dat hem voor zijn gedichten ter beschikking staat:
... de allerbeste stof,
Dat is Godes en des Prinsen lof.
Parallel loopt daarmee die gedachte die ik hiervoor al noemde: de strijd voor het vaderland is in wezen de strijd voor Gods kerk. In het treurgedicht over de Verwoesting van de Veluwe roept hij dan ook, als bet ware in één adem: 0 Vaderland, 0 hoog bedrukte kerk! En als Revius na de bevrijding van Deventer' opsomt wat de verheugende gevolgen daarvan zijn, noemt hij: de vrijheid, de vrede, de opbloeiende handel, maar hij verzuimt niet eraan toe te voegen: Gods Woord wordt er weer verkondigd!
En dat laatste was het voornaamste. , Menige lezer van nu zal het hoofd schudden als hij ziet hoe fèl Revius kan uithalen naar de vijand. Er is geen sprake van aarzeling of twijfel, dat past niet bij de strijd waarin bet om de allerbelangrijkste dingen gaat.
Ook zachtmoedigheid is hem dan vreemd. Lees maar wat hij schrijft over Bakbazar Gerards, de mooroenaar van de Prins:
Op de sterfplaats des moordenaars
Een duivel is hier de gedaante uitgetogen
Eens menselijken lijfs dat hij een wijl bezat,
En is weer naar de grond der helle afgevlogen
Vanwaar hij kwam, aleer hij Nederland betrad.
Wat steekt gij wierook aan met uw bebloede handen
Om deez' verdoemde geest te redden uit de pijn,
O papen? 't Is vèrgeejs. Heel Spanje moest men branden
En daarmee zou dit feit nog niet verzoened zijn.
Het slot van het gedicht over de verwoesting van de Veluwe, door de Spanjaarden in 1629 op afschuwelijke wijze geplunderd, liegt er ook niet om:
Ook zal men u, 0 Rome nog verbranden.
Gelukkig ook men roemen zal de handen
Die wreken 't kwaad dat gij ons hebt gedaan.
Gelukkig die daar zullen grijpen aan
d' Afgoden snood van uw altaars onreine
Om die tot stof te gruizen aan de steine (= stenen)
Overigens heeft Revius hier Psalm 137 gevolgd en die oudtestamentische wraakpsalm kan ons doen huiveren, vooral het slot ervan. Vergeleken daarmee is Revius mild. Maar toch, halfzachtheid of verdacht pacifisme kan men hem niet verwijten. Wèl misschien dat hij soms wat overdrijft, Naar aanleiding van de dood van Ernst Casimir van Nassau, gesneuveld bij de belegering van Roermond, schrijft hij o.a. dat in Friesland zó veel tranen vergoten werden dat die samen met de baren van de woeste oceaan zich klaar maakten om de dood van de held te wreken en "heel , Spanje te versmoren".
Ergens anders heet het dat "de wierook van 't kanon benevelen zal de zon". Maar wie iets weet van de felheid in de verzetspoëzie uit de Tweede Wereldoorlog, zal dat allemaal niet zo vreemd vinden. En omdat Revius ervan overtuigd was dat het in de strijd met Spanje om Gods zaak ging, kon hij in, zijn "Gebed voor de belegering van ‘’s-Hertogenbosch”schrijven:
Neem de vijand zijnen moed,
Neem hem wijsheid ende spoed (= voorspoed)
Neem hem koren ende haver,
Neem hem krijger ende graver,
Neem hem harnas en geweer,
Wil ons horen, lieve Heer.
en:
Laat Philips van zijnen schat
Niet ontvangen dit of dat.
Geef dat hij na lange hopen
In zijn eigen nest gekropen
Zuig' zijn poten als een beef.
Wil ons horen, lieve Heer.
maar ook:
Jaget eenmaal uit Den Bosch
Beide wollef ende vos.
Zend daar Uwe trouwe knapen, (= dienaren)
Weidet de verdoolde schapen
Met Uw goddelijke leer.
Wil ons horen, lieve Heer
Hoe belangrijk de verkondiging van de zuivere leer was, lezen we ook in het gedioht na de verovering van Maastricht:
De Heer, barmhartiglijk aanziende uw ellende,
Keert tot u in gena zijn vaderlijk gezicht
En van zijn reine leer doet glinsteren het licht
Opdat Hij uwe voet tot zijne paden wende
En zo zien we, ook in déze gedichten, dat we toch te maken hebben met een èchte predikant van de Reformatie voor wie het belangrijkste was, dat Gods Woord weer zuiver gebracht zou worden. Niet, zoals Nijhoff hem typeerde: "Een bar mens voor wie de wereld een woestijn was".
Ook niet slecbts "de heftige, strijdlustige calvinist", zoals Knuvelder schreef. Evenmin is de term "calvinistisch-somber" op hem van toepassing, een uitdrukking die ik elders tegenkwam. Wie de gedichten in mijn vorige artikeltje gelezen heeft, zal nu wel beter weten.
Dat hij ook een man was van verdraagzaamheid en dat hij oog bad voor wat wèl of niet van groot belang was, blijkt uit zijn houding in de nogal hoog oplopende strijd over de vraag of mannen ook lang haar mochten hebben. Ja, ook tóen al, driehonderd jaar geleden, gaf dat problemen.
Iemand spoorde Revius aan, hij moest óók zeggen hoe hij erover dacht.
Maar het antwoord is:
Zou ik het onderzoek van wijsheid laten drijven,
En liggen om het haar te knorren en te kijven?
Is voor Gods kerke niets daar méér op dient gelet?
Hij vindt ook dat men veel te snel een oordeel klaar heeft en veel te zware woorden spreekt:
Dat een leraar toch omzichtig gadesla
Dat met verdoemen hij niet al te hoog en ga.
Heel leerzaam is wat hij aan het slot van dit gedicht schrijft:
k Wens dat verstandig volk en stichtelijke niannen
Dit spottelijk krakeel met zwijgen eenmaal bannen.
Want stilte eist die ziekt' Dát is haar medicijn.
Zo haast deez' kranke slaapt, zal hij genezen zijn.
Toen Revius later tèch gedwongen werd zich over de kwestie uit te spreken, herhaalde hij die opvatting: Je moet verschil weten te maken tussen hoofd- en bijzaken, bepaalde dingen moet je aan de vrijheid van de mensen overlaten; over sommige geschillen kun je maar beter zwijgen, dan worden ze het snelst opgelost. Het lijkt me nog steeds een gedachte die de moeite waard is! Maar ja, wie maakt uit wat hoofd- of bijzaken zijn?
En hiermee moet ik dan deze serie over Revius maar beëindigen. Ik heb geprobeerd iets van zijn persoon en werk aan u te laten zien; degenen die er niet zo erg over 'te spreken zijn, leg ik met instemming het gedicht voor waarmee Revius zelf ook afsluit:
Berisper van mijn dicht, dit woord laat ik u weten:
Schaf beter spijs dan ik en nodig mij ten eten,
Of nemet mijn onthaal, zulk als het is in 't goe,
Of laat mijn ongemoeid, en houd uw snater toe.