Boekbespreking

1986-10-17
  • Jaargang 30
  • nummer 40
"Over troosten en verdriet"
Dr W. ter Horst.
Uitgave: Kok, Kampen.
167 blz., f 24,50.

Prof. dr W. ter Horst, die o.a. direkteur van de Heldring Stichtingen en hoogleraar in de orthopedagogiek is geweest, heeft een boek geschreven over mensen die gekonfronteerd worden met groot verdriet. De schrijver heeft zelf aan den lijve moeten ervaren wat verdriet is. In het boek "Over troosten en verdriet" lijkt hij zijn ervaringen op een rij te hebben gezet.
Hij komt tot de konklusie dat zowel traditionele als moderne antwoorden 'Op verdriet nogal eens ontoereikend zijn.

Na de inleiding (het eerste hoofdstuk) beschrijft de auteur in het tweede hoofdstuk de eenzaamheid.
Verdriet en. eenzaamheid gaan vaak samen. Mensen die een diep verdriet met zich meedragen voelen zich door anderen onbegrepen.
Trouwens, ook mensen die willen belpen ervaren eenzaamheid (ze kloppen, maar er wordt niet open gedaan).
Vervolgens beschrijft Ter Horst redenen waarom lijdende mensen worden vermeden, en waarom lijdende mensen zelf kunnen vervreemden van hun omgeving.
Aan bet eind van dit hoofdstuk volgt een belangrijke konklusie: als men met verdriet te kampen heeft is gemeenschap een -randvoorwaarde om met dat verdriet te kunnen leven. Zonder die gemeenschap wordt het belemaal één grote ellende.

In het derde hoofdstuk gaat Ter Horst in op de vraag wat verdriet eigenlijk is: één van de mogelijke menselijke antwoorden op leed.
Hij heeft verdriet ingedeeld aan de band van 3 "assen", waarop de antwoorden kunnen worden afgetekend.
De 3 assen lopen van aanvaarding naar niet-aanvaarding, van openheid naar geslotenheid, en van inzet naar geen inzet. Aan de hand van voorbeelden wordt dit . schema verder verduidelijkt. Ter illustratie: als men leed niet aanvaard, voor geslotenheid 'kiest' en daarbij wel een aktieve positie inneemt (= inzet) is de uiteindelijke reaktie: bitterheid.
Hoe mensen reageren op het leed is van veel faktoren afhankelijk (b.v. opvoeding, verleden, omgeving), Soms kan het verlies' z6 groot zijn dat men moet spreken van 'Ik-verlies' (bij het sterven van een geliefde, bij bet kwijtraken van een baan). Er zijn echter ook mensen die al lijden aan 'Ik-verlies' als ze eens niet de leukste, de flinkste of de zieligste kunnen zijn. Sommige opvoedingspatronen hebben een tragisch effekt 'Op 'Onsvermogen 'Om teleurstellingen te kunnen verwerken.
Tenslotte kan het leed z6 groot zijn dat de werkelijkheid waar mensen deel van uitmaken alleen nog maar leed is. Volgens Ter Horst kan men dergelijke situaties eigenlijk 'alleen maar met trefwoorden typeren: Auschwitz, Hiroshima.
Hij spreekt hierbij van 'onvervuldheid'; in feite een religieus woord: als mijn zinnen en mijn Ik er niet meer toe doen word ik op mijn hart teruggeworpen.

Waarom leed soms harder aankomt dan een' andere keer is lang niet alleen van het feit alszodanig afhankelijk. Het heeft te maken met de gemeenschap waarbij men steun kan vinden, met veranderingen in de leverisstaat (b.v, schoolverlating, huwelijk, pensioen), maar ook van de levensfase' waarin men verkeert. De kleuterfase, de puberteit, de overgang bij de vrouw: het zijn levensfasen waarin teleurstellingen, Ik-verlies en onvervuldbeid onevenredig hard aan kunnen komen.
Ook ons geloof kan een- rol spelen: "God kan gemakkelijk een soort Sint Nicolaas in 'Ons leven blijven, de uitdeler van lekkers voor wie zoet is' en de hanteerder van de roede voor de stouterds" (37).
Na een aantal bladzijden over nood, schuld en menselijk falen komt in dit hoofdstuk tenslotte de verwerking van het leed aan de orde. Ter Horst plaatst deze verwerking niet in een rechtlijnig en mechanistisch schema, maar in een doolhofrnodel, waarin de vele verschillende (mogelijke) routes het .leedgevecbt" illustreren: het steeds weer zoeken van een bij 'Ons passend antwoord.

Prof. Ter Horst is van mening dat 'leed niet aanvaard behoort te worden.
Niet voor niets plaatste hij op de titelpagina van zijn boek een citaat uit bet bijbelboek Job ..
De schrijver trekt in het vierde hoofdstuk een lijn van de wijze waarop de Stoïcijnen leed hanteerden (onaandoenlijkheid) via 0.13.
de scholastiek van Thomas' van Acquino naar de Reformatie. De voorbeelden van berusting, zelfs van verheerlijking van leed, die Ter Horst noemt zijn inderdaad verontrustend. Naast citaten uit de 'stichtelijke literatuur' ("invaliditeit is 'een groot goed, want gebrekkigen kunnen niet over de straat zwerven en kunnen daardoor thuis veel aan Christus denken", aldus Hemerken in de 15e eeuw) noemt de auteur 'Ook de Statenvertaling van Hebreeën 12:' 1: "en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is" (Nieuwe Vertaling: volharding).
Ter Horst verzet zich tegen de berusting, de lijdzaamheid. Hij besluit dit hoofdstuk met de opmeroog dat wie troost wil zoeken en bieden moet vertrekken vanuit de wanhoop van mensen. "Vertrekken, dat is niet: blijven steken" (rin berusting, in lijdzaamheid).
Het vijfde hoofdstuk van "Over troosten en verdriet" is van zeer praktische aard. Hier volgt Ter Horst de lijn van het ,,Herstel van bet gewone leven" (Groningen, 1978). Om het met een bekend liedje te zeggen: het zijn (vaak) de kleine (en gewone) dingen die het doen. Maar het zijn ook juist deze dingen die vaak 'Over bet hoofd gezien worden. Aanraking, slapen, eten, hygiëne, vergeving en verzoening, een reis, retraite, spelen, vrije expressie, het (erover) praten. In dit hoofdstuk vind ik Ter Horst nog altijd 'Op zijn best: de man uit de praktijk, die menselijk leed met eigen 'Ogen heeft gezien.

Het (korte) slothoofdstuk draagt als titel: 'Waarom, God, waarom?' De vraag naar het waarom van het lijden, een vraag die veel mensen bezighoudt (misschien mede daarom o.ok \ de snelle berdruk. van dit boek).
Met dit zesde hoofdstuk heb ik de meeste moeite. Niet dat de vragen die Ter Horst stelt niet ook in mijn gedachten naar boven komen. Ook ik denk dat traditionele christelijke antwoorden het leed soms juist aktiveren, dat mensen zich met die antwoorden juist tegenover de lijdende mens 'Op kunnen. stellen (vergelijk de - extreme - stelling van Bemerken). Inderdaad werd de klassieke theologie beïnvloed door niet-christelijke stromingen.
Maar woorden als voorzienigheid, almacht 'en (strenge) veroordeling interpreteren als projekties van het denken van de mens zelf, dat gaat mij toch te ver (,·,Een strenge veroordeler is God .helemaal niet.
Dat maakten de Romeinen van Hem omdat ze dat zelf waren", 161). Deze begrippen terzijde leggen omdat er misbruik van werd (en wordt) gemaakt komt 'Op hetzelfde neer als vergeving en een liefhebbende God en Vader in de theologische ijskast stoppen omdat ze te gemakkelijk als rechtvaardigingsgrond voor normvervaging misbruikt kunnen worden. We weten dat het goede uit Gods hand afkomstig is, Maar hoewel we ook weten dat God niet de auteur is van de zonde (NGB art. 13) bestrijd ik de stelling van Ter Horst dat het kwade datgene 'is wat God nog niet volledig in de hand heeft (160). Daarvoor zijn begrippen als voorzienigheid en almacht me nu juist te vertroostend. (vgl. .bv. ook diskussies n.a.v. Kushner's "Als het kwaad goede mensen treft").
Ondanks mijn kritiek op dit laatste hoofdstuk uit "Troosten en verdriet" (dat enige verwantschap vertoont met Kushner's opvattingen) staan er aan het eind van 'het boek ook uitspraken waar ik van harte mee in kan stemmen. Als Ter Horst zegt dat onze geliefde doden voor Gods aangezicht in Zijn hemel verder bestaan en als hij als slotzin uitroept: "Ja, kom, Heer Jezus!", dan zeg ik: "ja, 210 is het!"

Het boek van Ter Horst biedt inzicht in manieren waarop mensen hun verdriet verwerken, Het is goed dat we ons realiseren dat niet steeds hetzelfde antwoord voldoet, want dan wordt ons antwoord al gauw een dooddoener. Mensen zijn _ verschillend, situaties zijn verschillend: daar passen verschillende antwoorden bij.
Terecht waarschuwt Ter Horst tegen een (verkeerde) berusting, die -hij als het verst van het christelijke geloof verwijderd antwoord op het leed beschouwt. In 'Opstand komen mag. Ook in de Bijbel (b.v. de Psalmen) vinden we oprecht gelovige mensen die worstelen met God. Die worsteling komt het sterkste naar voren in het door Ter Horst zo genoemde 'Ieedgevecht'.
Dat gevecht, daarvoor zijn gemeenschap, gebed en uiteindelijk een eschatologisch perspektief van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde de belangrijkste voorwaarden.
Dat de christelijke gemeente hierin een taak- heeft zal zondermeer duidelijk zijn. Het is ook duidelijk dat mensen tijdsruimte nodig hebben voor het 'leedgevecht' .
En we hopen dat ze uiteindelijk rust vinden (dat is wat anders dan berusting).
Dat ik de konklusies die Ter Horst in zijn slothoofdstuk trekt (gedeeltelijk) meen te moeten afwijzen betekent overigens niet dat zijn boek als zodanig verworpen moet worden.
De vroegere Leidse hoogleraar heeft een waardevol boek geschreven dat ons waarschuwt voor te gemakkelijke antwoorden en ideeën, maar dat evenzeer de vinger heft tegen een kerk die de vertroosting heeft ingeruild voor 'een politieke theologie.
Hoewel het boek niet altijd even gemakkelijk valt te 'doorgronden' kan ik het mensen die in hun omgeving gekonfronteerd worden met ernstig lijden zeker- aanbevelen.

H. Algra, Den Helder

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief