Weg van de Kerkweg

2007-12-21
  • Jaargang 51
  • nummer 25
We noemden ’t het witte kerkje. Officieel klopte dat niet. Het echte witte kerkje stond een paar kilometer verderop in Huis ter Heide. Maar terecht of niet, voor ons bleef het door de eerste Afgescheidenen gebouwde godshuis aan de Kerkweg het enige echte (het woord ‘ware’ wil ik in dit verband niet noemen) witte kerkje. Net Peyton Place.

Zo vanzelfsprekend als we het vroeger zeiden, zo veel uitleg vraagt het nu. De Afscheiding in 1834 was het moment waarop ‘de eerste gereformeerden’ zich onder leiding van Hendrik de Cock losmaakten van de grote Hervormde staatskerk. En Peyton Place? Dat was de allereerste Amerikaanse soap op televisie. Een draak van een serie die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw alweer jarenlang dagelijks werd uitgezonden, net zoals GTST of ONM nu. Maar wat je er ook van vond, in Peyton Place stond een prachtig typisch Amerikaans wit kerkje. Nou, en zo’n kerkje hadden wij. Ik weet wel, de geest waait waarheen hij wil en maakt geen onderscheid in architectonische schoonheid, maar zeg nou zelf, een mooi huis is nooit weg, zelfs al spookte er sinds 1907, toen de Nederlandse Protestantenbond het kerkje kocht, heel wat vrijzinnigheid rond. De NPB, zo werd gefluisterd, was een club die vrijwel nergens meer in geloofde maar wel uit heel vriendelijke en beschaafde mensen bestond. Dat laatste kon ik beamen toen ik ontdekte dat een van mijn beste leraren Nederlands er lid van was. En dus waren wij, buitenverbanders, trots op ons witte kerkje en voelde het daarbinnen na de vrijmaking van de vrijmaking ook werkelijk als een bevrijding.

Maar hoe mooi dat nieuwe begin ook was, er zat één nadeel aan de gang naar de Kerkweg. Omdat de diensten van de NPB om half elf begonnen, moesten wij wel om negen uur aanwezig zijn. En dat was vroeg als je op zaterdagavond net iets te lang had doorgezakt. Nog steeds herinner ik me hoe mijn blik vaak afdwaalde naar de brandgeschilderde ramen die de muren oplichtten en tegelijkertijd het zonlicht heerlijk temperden.
Uren moet ik er naar getuurd hebben. Maar toen ik vorige week bij de intrede in het nieuwe kerkgebouw terugdacht aan die dierbare plek van mijn jeugd, besefte ik opeens dat ik me niet meer kon herinneren wát er nu precies was afgebeeld! Zeker, het waren allemaal taferelen uit de Evangeliën. Een duif, een licht, een engel ergens…Maar verder? Ik was het helemaal kwijt. En ben ik teruggegaan en sta ik nog eenmaal onder het glas dat mijn onderbewustzijn zo lang gekleurd heeft. De ramen werden in 1949 aangeboden door de handwerkclub en ontworpen door een glazenier uit Wapenveld met de bijna toepasselijke naam C.E.Graswinkel. Dat het allemaal wat zoetig was, wist ik nog wel. En inderdaad, ook klopt het dat de kinderbijbelachtig ingekleurde voorstellingen betrekking hebben op de evangeliën. Vooral nu ik de rechterzijramen terugzie (blijkbaar dwaalden mijn ogen naar één kant af) herken ik weer de oude beelden van de annunciatie, de barmhartige Samaritaan, de farizeeër en de tollenaar en de kruisiging. Vooral het derde raam valt me op als vertrouwd. Links heft de farizeeër (o ja, die grote tulband om z’n kop) zijn armen ten hemel, terwijl daarnaast de tollenaar wat verlegen aan zijn kin krabt. En verrek: daar is die duif weer, en dat bokje.
En zo komen met de beelden ook de jaren terug en besef je hoeveel er daar gebeurd is op die plek waar vuur en ijs zelfs letterlijk eens samenkwamen. Er is gedoopt, gezongen, getrouwd en gelachen, en er is gehuild, afscheid genomen en begraven. Maar boven alles is er Godlof veel moois gezaaid daar in dat bijzondere kerkje aan de Walkartweg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief