De vrouw in het ambt van diaken (3)

1986-03-28
  • Jaargang 30
  • nummer 13
Minderheidsrapport inzake de vrouw in het ambt van diaken

Geachte broeders,

Hoewel wij ons als commissie gezamenlijk hebben bezonnen op de ons door u verleende opdracht, kunnen wij niet tot een eensluidende slotsom komen. Dat is de reden waarom wij u, naast het voorgaande meerderheidsrapport, ook nog dit minderheidsrapport voorleggen.

De vraag, die u ons hebt voorgelegd, "of het Schriftuurlijk verantwoord is zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk" willen wij beantwoorden door achtereenvolgens in te gaan op de volgende vragen:

I. Kent de Schrift vrouwelijke diakenen?
II. Kent de Schrift vrouwelijke diakenen als ambtsdragers?
III. Is het schriftuurlijk verantwoord zusters te roepen tot het ambt van diaken?

I. Kent de Schrift vrouwelijke diakenen?

Als aanduiding van een bijzondere taak in de gemeente van Christus komen we het woord "diaken" slechts op drie plaatsen in het Nieuwe Testament tegen, t.w. in Rom, 16 : 1, in Fil. 1 : 1 en in 1 Tim. 3 : 8-13 (twee maal). Omdat het laatste gedeelte expliciet handelt over de eisen die aan diakenen gesteld moeten worden en daarom ook het meeste gewidht in de schaal legt, beginnen we daarmee onze bespreking van deze drie Schriftgedeelten.

1 Tim. 3 : 8-13.
Nadat in 1 Tim. 3: 1-7 de vereisten voor de opzieners zijn opgesomd, komen in 3 : 8, 9 de eisen aan de orde die de diakenen gelden. "Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten". Dan lezen we in 3: 11: "Evenzo moeten vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles". Naar onze overtuiging heeft dit laatste vers betrekking op vrouwelijke diakenen en niet op de vrouwen vàn diakenen. De volgende argumenten geven de doorslag:
a. de tekst zelf spreekt niet van hun vrouwen, maar van "vrouwen" zonder meer;
b. de vereisten die aan de mannelijke diakenen worden gesteld lopen parallel met de vereisten voor de vrouwen in vers 11: waardig/waardig, niet met twee tongen sprekende/ geen kwaadspreeksters, niet verzot op veel wijn/ nuchter, niet op winstbejag uit/betrouwbaar in alles;
c. indien Paulus in 3 : 11 zou doelen op de vrouwen vàn diakenen, blijft het een volstrekt duistere zaak, waarom hij even tevoren met geen woord gerept heeft over de vrouwen van opzieners.
Dat de apostel in 3: 12 weer terugkomt op de (mannelijke) diakenen is met het bovenstaande geenszins in strijd. De vereiste dat een diaken de man dient te zijn van één vrouw, is eenvoudig niet op vrouwen toe te passen. Dat een vrouw gehuwd zou zijn met meerdere mannen was immers ondenkbaar.
En de vereiste van goed bestuur van het huis(gezin) geldt allereerst de man als hoofd van zijn vrouw.

Rom. 16: 1. De apostel Paulus noemt hier Febe "dienares (diakonos) van de gemeente te Kenohreae". Met het woord "diakonos" wordt hier de taak aangeduid die deze vrouw in de gemeente vervulde. Zo kende men haar: Febe was diaken van de gemeente te Kenchreae.

Filipp. 1 : 1.
Paulus schrijft deze brief, met Timotheüs, "aan al de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen". Of men in de gemeente van Filippi vrouwelijke diakenen kende,valt uit deze tekst niet op te maken. In ieder geval sluit het mannelijk meervoud van het woord "diaken", zoals dat hier gebruikt wordt dat niet uit. In het Grieks wordt de mannelijke vorm van het woord namelijk ook voor vrouwen gebruikt, zoals blijkt in Rom. 16 : 1.

Conclusie: Op grond van 1 Tim. 3 : 11 en Rom. 16: 1 kan met zekerheid gesteld worden dat' de Schrift de vrouwelijke diaken kent.

II. Kent de Schrift de vrouwelijke diaken als ambtsdrager?

Naar onze stellige overtuiging hebben diakenen in de Nieuwtestamentische gemeente, evenals de opzieners, een ambt bekleed.
D.w.z. zij hebben een taak vervuld, waartoe zij door de gemeente waren gemachtigd. Wij noemen de volgende argumenten:
a. In 1 Tim. 3: 10 lezen we, dat diakenen, evenals opzieners, eerst op de proef gesteld moeten worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te mogen vervullen.
Dat het hier gaat om een op proef stellen met het oog op het ambt, krijgt des te meer reliëf wanneer we weten dat het werkwoord dat hier door de apostel wordt gebruikt, in het Grieks ook gebezigd werd voor het onderzoek waaraan kandidaten voor een staatsambt werden onderworpen.
b. Al zijn in het Nieuwe Testerend de aanwijzingen dat diakenen ambtsdragers waren zeer summier, wat betreft de opzieners, c.q. oudsten, zijn ze in ruime mate voorhanden. Als Paulus in Fil. 1: 1 dan ook in één adem spreekt van "opzieners en diakenen: ligt het voor de hand om bij de diakenen net als bij de opzieners aan mensen te denken die officieel - door de gemeente tot het vervullen van hun taak gemachtigd waren.
c. Het laatste argument stamt niet uit de Schrift, maar uit de overlevering. In ‘De leer van de twaalf apostelen' (Didachè), een geschrift uit de vroege kerkgeschiedenis, komen we de volgende zinsnede tegen: "Kiest daarom voor uzelf opzieners en diakenen, die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, niet geldzuchtig, waarheidslievend en beproefd" (XV, 1).
De aanstelling van diakenen verliep blijkbaar op dezelfde wijze als de aanstelling van opzieners. De gegevens uit het Nieuwe Testament die we hebben onderzocht, geven - geen aanleiding om 'te veronderstellen dat het in de Nieuwtestamentische gemeente anders toeging.
Er van uitgaande dat de diakenen in de Schrift voluit als ambtsdragers worden erkend, dienen we nu de vraag te stellen naar de positie van de vrouwelijke diakenen in het Nieuwe Testament.
Wanneer we uit 1 Tim. 3: 10 hebben afgeleid dat diakenen officieel door de gemeente tot het vervullen van hun taak werden gemachtigd, kan voor de "vrouwen" in vers 11 niet opeens iets anders gelden. Immers, de eisen voor de in vers 8 genoemde (mannelijke) diakenen lopen parallel aan de vereisten voor de "vrouwen" in vers 11.
Wat ligt meer voor de hand dan dat ook deze vrouwen beproefd moesten worden, alvorens zij hun dienst mochten gaan vervullen?
In ieder geval zijn er geen aanwijzingen in de tekst die ons nopen om hier een onderscheid te maken tussen (mannelijke) diakenen die een ambtelijke funktie hadden en (vrouwelijke) diakenen, die diakonaal werk deden zonder dat zij ambtsdrager waren.
Hoewel we niet met volstrekte zekerheid uit Rom. 16: 1 kunnen afleiden dat Febe binnen de gemeente te Kenchreae diaken was in ambtelijke zin, is het minste wat we op grond van dit Schriftwoord kunnen zeggen tooh wel, dat deze zuster door de plaatselijke gemeente als diaken werd erkend. Dat doet op z'n minst een officiële machtiging van de kant van de gemeente vermoeden.

Conclusie: Uitgaande van 1 Tim. 3:10,11 en Rom. 16:1 mogen wij de gevolgtrekking maken dat de Nieuwtestamentische gemeente de vrouwelijke diaken als ambtsdrager heeft gekend.

III. Is het Schriftuurlijk verantwoord zusters te roepen tot het ambt van diaken?

Op grond van de Schriftgegevens die we hierboven hebben onderzocht, zijn wij van oordeel dat het roepen van zusters tot de bediening van het ambt van diaken ten overstaan van Gods Woord verantwoord kan worden.
Toch willen wij niet voorbijgaan aan de vraag die onze medecommissieleden opwerpen: kan hier wel volstaan worden met het enkel verwijzen naar 1 Tim. 3: 11 en Rom. 16: 1? Komt zo niet heel de zaak van de vrouwelijke diaken te hangen aan de haar van één of twee Schriftwoorden?
Wij. willen graag wijzen op enkele andere aspecten van deze zaak. Hoewel de Schriftgegevens die pleiten voor de aanstelling van vrouwelijke diakenen schaars zijn, komen wij in de Schrift geen enkel woord tegen dat zich daar rechtstreeks tegen verzet.
Nergens laten de apostelen zich normerend uit over het al dan niet man of vrouw zijn van diakenen.
Onze mede-commissieleden zijn van mening, dat in het Nieuwe Testament alleen broeders tot het ambt van diaken werden verkozen. Wij verschillen op dit punt met hen van mening. Maar gesteld dat het in de Nieuwtestamentische gemeente inderdaad zo toeging, dan volgt daar geenszins uit dat de kerk van alle eeuwen voor de vervulling van het ambt van diaken uitsluitend naar broeders moet omzien.
Want daarmee zou een gewoonte zijn. Zoals gezegd, enige vorm van normerend spreken over het zonder meer tot norm verheven al dan niet man of vrouw zijn van diakenen hebben wij in de Schrift niet aangetroffen. Niet het geslacht, maar de (beproefde) gaven geven de doorslag. Wij achten dit dan ook een zaak die tot de vrijheid van de plaatselijke kerk gerekend moet worden.
Voorts geven wij u in overweging dat het tot één van de voornaamste taken van de gemeente van Christus behoort om elkaar te dienen door de liefde (vgl. Gal. 5 : 13) en om elkaar onderdanig te zijn in de vreze van Christus (vgl. Ef. 5 : 21). Als nu van de vrouw gezegd wordt dat zij binnen het huwelijk in haar bereidheid om te dienen de gemeente moet representeren (Ef. 5: 24), zou zij er dan binnen de gemeente niet officieel toe geroepen mogen worden om de gemeente daarin voor te gaan?

Conclusie: Op grond van 1 Tim. 3 : 8-13 en Rom. 16: 1 alsmede op grond van de overweging dat de Schrift nergens normerend spreekt over het al dan niet man of vrouw zijn van diakenen, zijn wij van oordeel dat het schriftuurlijk verantwoord is om zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het ambt van diaken.

Wij komen tot een afronding.
Uw vergadering heeft gemeend de vraag naar de toelating van zusters tot het ambt van diaken als een afzonderlijke vraag te moeten behandelen. Met onze mede-commissieleden zijn wij van mening dat deze zaak moeilijk valt los te maken nit heel het complex van vragen over de plaats van de vrouw in de kerk, de betekenis van de ambten en de verhouding tussen de ambten onderling. Een besluit over het al dan niet toelaten van de vrouw tot het ambt van diaken, zal altijd ook die andere punten raken, Wij willen u daar met nadruk op wijzen. In alle nuchterheid moet worden vastgesteld dat een eventuele toelating van de vrouw tot het ambt van diaken, een zaak waarvoor wij pleiten, door de één zal worden opgevat als de toelating van de vrouw tot het enige ambt dat voor haar openstaat, terwijl de ander zo'n besluit zal opvatten als een eerste stap in de richting van de openstelling van alle ambten voor de Zusters der gemeente.
Daarom raden wij U , aan - wellicht ten overvloede - om bij het te nemen besluit ook de gevolgen van het besluit in uw overwegingen te betrekken.
Moge Gods Woord en de wijsheid van de Heilige Geest U leiden tot een verantwoord besluit te komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief