'Clair' en 'obscur' in onze verhouding tot God (2)

1985-07-12
  • Jaargang 29
  • nummer 28
Mijn tweede voorbeeld is genomen uit het evangelie, uit de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Mattheüs 20 : 1-16). Het gaat me daarbij om het woord van de heer waarmee hij de mopperende arbeiders die menen. dat hun tekort gedaan wordt weerlegt: "Staat het mij niet vrij, met het mijne te doen wat ik wil? Of is uw oog boos omdat ik goed ben?" (vs .15). Let hier weer op de tweeërlei formulering, Eerst een machtswoord: het staat mij vrij; waar bemoei je je eigenlijk mee? Dan een meer toegankelijk woord waarmee de heer controle op zijn beleid op z'n minst mogelijk maakt. 'Want als hij zegt: ik ben goed, hanteert hij een algemeen en doorzichtig criterium. Keerzijde hiervan is dan ook een verwijt naar het personeel: waarom is jullie oog boos, omdat ik goed ben? Waarom volg je mij niet in mijn goedheid na?

Het gaat hier niet over verkiezing of voorbeschikking. Maar daar behoeven we ons, gelet op de titel van de causerie, ook niet toe te beperken. Onze verhouding tot God als geheel bekijken we nu. Welnu, in Gods handelen met ons, waarvan hier bij gelijkenis iets gezegd wordt, zit een vrijheid van zijn kant waardoor Hij hoog boven ons verheven is. Dat geldt evenzeer voor onze Heiland. Staat het Hem niet vrij te doen met het zijne wat Hij wil? Maar nu moeten wij niet denken dat de Here in die vrijheid ethisch onverschillig zou zijn. Nee, Hij is goed! Hij is naar geopenbaarde normen goed! Wat de heer van de wijngaard doet is dan ook geheel in overeenstemming met de strekking van het goddelijke gebod dat Israël kende. Ik verwijs daarvoor naar bijvoorbeeld Deuteronomium. 24 waarin we vanaf vers 10 voorschriften tegenkomen die zich keren tegen een onmenselijke inhaligheid in de sociaaleconomische sfeer. In het eerste woord van de heer vinden we dus iets 'obscurs', in het tweede iets 'clairs'. Die twee tezamen brengend zou ik met de theoloog dr. O. Noordmans willen zeggen: "De bijbel is niet ethisch, wel zo ethisch mogelijk".

Een volgend voorbeeld ontleen ik aan de lijdensgeschiedenis van onze Here. Ik bedoel het woord dat Hij zelf sprak over zijn verrader Judas. Ik geef dat woord eerst weer in de vorm waarin het ons bij de evangelist Lukas is overgeleverd: "Want de Zoon des mensen gaat wel heen naar hetgeen beschikt is, doch wee de mens door wie Hij verraden wordt" (Lukas ·22 : 22). Eigenaardigerwijs wordt ons ditzelfde woord bij de evangelist Mattheüs anders overgeleverd: "De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens... (Mattheüs 26 :24). 'Hetgeen beschikt is over Jezus en hetgeen geschreven staat' over Jezus, op dat verschil wil ik nu wijzen.

Ik denk niet dat je mag zeggen: Mattheüs legt Lukas uit: wat Lukas noemt 'hetgeen beschikt is' verklaart Mattheus als 'hetgeen geschreven staat', zodat we de konklusie zouden kunnen· trekken: We kunnen dat moeilijke van Lukas vergeten en met het gemakkelijkere van Mattheüs verder gaan. Ik denk nier dat dat mag, want het evangelie van Mattheüs is niet bedoelid als een verbeterde heruitgave van dat van Lukas. Beide getuigenissen moeten we laten gelden. En dat is oók zeker niet onmogelijk, want niet alles wat over Jezus beschikt was staat ook beschreven. Er zitten aan het lijden en sterven van onze Zaligmaker duistere kanten, die we niet kunnen begrijpen en die de Schrift ons ook niet opheldert, Bij de bouw van de tempel had de Here God verordend dat er in het heilige der heiligen geen ramen mochten zitten: de ark stond in het volstrekte donker. Dat betekende: over het verzoeningsgebeuren hangt een sluier die ons tegenhoudt als we er het naadje van de kous van willen weten. Daarom moeten we over Christus' verzoeningswerk altijd mét eerbied en schroom spreken. "De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen" (1 Koningen 8 : 12).

Maar de Schrift, 'het geschrevene', is toch een wichelroede op deze heilige grond en geeft ons een draad in handen die wij mogen inpalmen om bij de overdenking van 's Heren lijden niet te verdwalen maar echt thuis te komen. De Zoon des mensen ging niet in volkomen raadsels heen maar 'gelijk van Hein geschreven staat'. Daarbij kunnen wij denken aan' Schriftgedeeltes als Jesaja 53 en Psalm 22, - en zoveel meer. 'Het geschrevene' is ons dus een leidraad in de donkerte van 'het beschikte'. Het is het 'clair' in het 'obscur' van Gods raad.

Laten we nu eens naar een onbekend Schriftgedeelte gaan, namelijk Genesis 38. Ik zal het betreffende gedeelte, de verzen 1-11, voorlezen: (het verdient aanbeveling dit gedeelte inderdaad mee te lezen). Het gaat me nu om vs 7 en vs 10 van deze opmerkelijke geschiedenis, de zinnen waarin verteld wordt wat de Here God met die Er en die Onan doet. Eerst vs 7 over Er: "En Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEREN .en de HBR!E doodde hem". Eigenaardig, enige reden waarom, Er kwaad bevonden werd in de ogen van de Here God, hóren we niet. God verschijnt ons hier als Degene die aan ons van zijn voorkeur geen rekenschap aflegt. We worden dus in vs 7 gesteld voor de majesteit van de goddelijke voorbeschikking, en wel in negatieve zin. Verwerping dus.

Maar als we daaruit nu de conclusie zouden willen trekken dat Gods beschikking willekeur is, waaraan we als slachtoffers overgeleverd 'zijn', dan komt vs 10 ons vertellen van Onan, de broer van Er, en zijn lot: "En het was kwaad, in de ogen des HEREN wat hij deed, en Hij doodde ook hem". Dus nu niet: 'hij was kwaad in de ogen des HEREN' zoals bij Er, maar: 'het' was kwaad in de ogen des HEREN wat hij deed'. En' hier krijgen we nu weer een draad in handen waaraan we' 'mogen lopen in' de doolhof van de goddelijke voorbeschikking, De geopenbaarde wil van God '(dat wat in zijn ogen goed of kwaad is) is ons een gids in het donker van zijn verborgen wil (degene 'die in zijn ogen goed of kwaad is). Juist de gelijkende bouw (in het hebreeuws) van de beide zinnen in vs 7 en vs 10 nodigt ons uit ze naast elkaar te zetten en ze tezamen te nemen. Wederzijds bepalen ze elkaar. Tezamen boodschappen zij ons dat, de Allerhoogste zich in zijn keus niet toegankelijk maakt voor ons begrip, maar wel voor, ons vertrouwen.
Als wij Hem in zijn, verwerping van Onan de tweede zoon van Juda, kunnen bijvallen dan zullen wij Hem in zijn verwerping van Juda's eerste, Er, niet tegenspreken maar vertrouwensvol eerbiedigen.

Volgens de theoloog Karl Barth K.D. II, 2, S. 392) is Genesis 38 wellicht de enige plaats in de Schrift waar we de voorstelling van een absolute verwerping aantreffen. Maar jammer genoeg laat hij ons de samenklank van vs 7 en, vs 10 niet horen, hetgeen de Here God een boemanachtig aanzien geeft. Barth wekt bij zijn behandeling van deze plaats de indruk dat er willekeur bij God is. Daartegenover moeten wij nu niet proberen met behulp van vs 10 het 'harde' vs 7 'onschadelijk' te maken' om zo de goddelijke verwerping ethisch geheel door zichtig voor ons te krijgen. Met grote voorzichtigheid en eerbied zullen we .zowel aan het ene getuigenis van vs. 7 als aan het andere van vs 10 proberen recht te doen. De Schrift zelf spreekt hier met twee woorden.

Iemand zal tegenwerpen dat het in beide gevallen niet over dezelfde persoon gaat. Dat is waar.
Maar omdat ze beiden vrij onbekend zijn en in sterk gelijkende situaties optreden, vloeien hun beeltenissen enigszins in elkaar, waardoor dit bezwaar bijna weggenomen wordt. Het is waar dat alleen van Juda's tweede zoon Onan een afkeurenswaardig gedrag verteld wordt, maar de sfeer rondom beide jongens is zo gelijkend dat de Schrift ze in één adem behandelen kan. 'De HERE doodde ook hem', zo luidt het van de tweede.

Gods omgang' met ons mensen blijft ondoorgrondelijk. Toch maakt de Here het voor ons wel een béétje -toegankelijk: zoveel als wij nodig hebben om eerbiedig en dankbaar voor zijn aangezicht te leven. De Prediker zou zeggen: "God doet het opdat men voor zijn aangezicht vreze" (3 : 14). Over de Prediker gesproken, bij hem vond ik nog dit mooie voorbeeld van 'duister' en 'toegankelijk', en die twee bij elkaar. En ik ontdekte iets bitterder dan de dood: de vrouw die een valstrik is en wier hart een net is, wier handen boeien zijn. Hij die aan God welgevallig is ontkomt haar, doch hij die zondigt (volgens de hebreeuwse tekst) wordt door haar gevangen" (7 : 26). Kennelijk durft de bijbel het niet aan om te zeggen: 'hij die rechtvaardig is ontkomt haar en hij die zondigt wordt door haar gevangen'. Dat zou ook de suggestie wekken dat het leven ethisch in elkaar steekt, wat niet het geval is. Ondoorgrondelijke voorbeschikking speelt er doorheen, Zoals ook blijkt uit wet je een paralleltekst van Prediker 7 : 26 zou kunnen noemen; namelijk Spreuken 22 : 14: "Een diepe kuil is de mond der vreemde vrouwen; hij op wie de HERE vergramd is valt daarin". Ook hier immers wordt geen reden voor Gods gramsohap opgegeven. Voorbeschikking alzo. En toch is de bijbel niet zo één en al voorbeschikkelijk dat ie er ethisch onverschillig van wordt. Immers, 'hij die zondigt wordt door haar gevangen'.

De volgende keer verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief