Tweeërlei tongenspraak?

1985-07-26
  • Jaargang 29
  • nummer 29
" ...en zij begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken". Dit lezen we in Hand. 2: 4. Wat hieronder moet worden verstaan wordt ons even' verder beschreven met de woorden van de toegelopen menigte: " ... wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken". Jaren later schrijft Paulus aan de gemeente te Corinthe, dat door de Geest de één allerlei tongen wordt gegeven en een ander vertolking van tongen (1 Cor. 12 : 8 en 10). Hier heeft in het bijzonder het woord "glossolalie" = tongenspraak ingang gevonden. Indien we de toelichting op dat woord naslaan, zouden we inderdaad tot de vaststelling kunnen komen, dat dit spreken in tongen anders is geweest dan het spreken in tongen van de apostelen. Derhalve tweeërlei tongenspraak. Eén gave des Geestes doch verschillend in bediening.

Pinksteren
Nadat de lege plaats van Judas door de verkiezing van Matthias was vervuld, lezen we aansluitend in Hand. 2: "En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen (de 12 apostelen) tezamen bijeen." Dit was niet iets bijzonders. Vanaf Hemelvaartsdag waren de elf apostelen al bij elkaar gebleven. Zij moesten immers naar het bevel des Heren in Jeruzalem blijven totdat zij zouden worden bekleed met kracht uit de hoge, met de heilige Geest gedoopt.
En op de Pinksterdag vindt de vervulling van die belofte plaats. "Eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken (Hand. 2 : 2-4)".
Hier, in Jeruzalem, en nu, op de Pinksterdag, worden de apostelen door de heilige Geest toegerust tot een direct wereldwijd getuigenis geven. Zoals Petrus zegt: "Hij dan, door de rechterhand Gods vet1hoogdzijnde, heeft dit uitgestort, wat gij nu ziet en hoort (vers 33)."
Deze woorden zijn" niet gesproken in de kring waarin ze zich aan het begin van de dag bevonden. Het geluid van een geweldige windvlaag had een menigte te hoop doen lopen bij het huis waar de apostelen bijeen waren. Het was niet moeilijk dat te vinden. Het gehele huis was er mee vervuld; de menigte hoefde alleen maar op het geluid af te gaan.
En daar stonden de vrome mannen van Israël uit alle volken onder de hemel en zij hoorden die Galileeërs in hun eigen taal van de grote daden Gods spreken.

Het bracht hen buiten zichzelf van: verwondering. Moesten ze luisteren naar zulke eenvoudige mannen? Ja, dat moesten ze. De Here had hen - bij wijze van spreken - naar de apostelen toegeblazen. Dit waren de mannen tot wie Hij had gezegd, dat zij Zijn getuigen zouden zijn. Niet alléén te Jeruzalem, maar ook in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.
Het was duidelijk dat ze zich niet eigenmachtig tot getuigen hadden opgeworpen. Een hemels legitimatiebewijs - in de vorm van tongen als van vuur - had zich op een ieder van hen gezet. Deze eenvoudige en ongeletterde mannen zijn de getuigen van de verhoogde Heiland, Dat moet een ieder maar goed in zich opnemen en onthouden. Het zijn geen dronken lieden, maar officieel aangestelde getuigen, die daar spreken.

Recht op de man af
Zij drukken zich niet uit in buitengewone, wonderlijke klanken. Neen, het gaat recht op de- man af. De toegestroomde menigte hoort het - ieder in zijn eigen taal - dat dit het is waarvan was gesproken door de profeet Joël: "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees". Uiteindelijk 'verdwijnt de verwondering en de spot: Door de toespraak van Petrus worden zij diep in hun 'hart getroffen en komt er tevens erkenning van de bijzondere positie van deze mannen. De fundamentleggers van de gemeenten Gods. wier namen straks eervol zullen staan vermeld op de fundamenten van de muur van het nieuwe Jeruzalem (Openb. 21 : 14). Zij richten tot hen de vraag: "Wat moeten wij doen?" " En Petrus geeft het antwoord: "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave' des heiligen Geestes ontvangen (Hand. 2 : 38)." Degenen, die zijn woord aanvaardden, lieten zich ,dopen en bleven volharden bij het onderwijs der apostelen.
"Dat is Pinksteren: de Geest van Christus maakt alle discipelen tot dragers en sprekers van Christus Woord." 1) Want straks gaan de mensen uit Mesopotamië, Judea en Capadocië, Pontus en Asia, Phrygië en Pamphylië, Egypte enz. weer naar huis terug. Met in hun geestelijke bagage alles wat zij hebben gezien en in 'bun eigen taal hebben gehoord. Zij zullen daarover thuis zeker niet de mond hebben gehouden. Zij konden er het zwijgen niet toe doen. Het zal hen zijn gegaan als de herders in de kerstnacht. Die hadden eerst een engel des Heren tot zich horen spreken en daarna een grote, hemelse legermacht, die God loofde. Hemelse klanken, maar verstaanbaar voor de mensen. Daarna haastten zij zich om verder te vertellen hetgeen tot hen was gesproken.
Ook in Hand. 10: 46 lezen we van een direct getuigenis bij het spreken in tongen: "En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren meegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken. Het spreken in tongen is een spreken in vreemde talen, zodat een vreemdeling kon zeggen: "Ik hoor het in mijn eigen taal." Niet zoals wij dat kunnen met ons verstand, maar in de geest. Het was een Geestesgave.

Eens gegeven, blijft gegeven!
Die gave van de heilige Geest, was dat iets, dat steeds weer opnieuw op de gelovigen moest afkomen, en wel zo, dat b.v. ná 'het spreken in een tong de gave was opgebruikt en bij een, volgende gelegenheid werd vernieuwd? Neen - schrijft Paulus in 1 Cor. 12 : 7: "Aan een ieder wordt de openbaringen van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken...de ander allerlei tongen, en weer een ander vertolking van tongen". Het is een gave, die blijft. Eens gegeven, blijft gegeven! Immers (1 Cor. 12: 28): "En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van ... verscheidenheid van tongen. "Hoe kan een aanstelling nut afwerpen, als de gave niet blijvend is?" De vraag is nu allereerst wat onder de "verscheidenheid van ton, gen" moet worden verstaan. In de inleiding gaven we reeds aan, dat hier het woord "glossolalie" ingang heeft gevonden. Enkele notities volgen:

1. Onder het verschijnsel "glossolalie" is te verstaan het spreken onder invloed des Geestes, waarbij buitengewone hemelse klanken worden uitgestoten, die boven het aardse niveau uitgaan en waarbij het' verstand op de achtergrond treedt. 2)

2. De gave om in Geestvervoering te spreken, waarbij het gebruik der tong blijkbaar anders dan normaal was. 3)

3. Een spreken in vreemde extatische Klanken. 4)

4. Het spreken in soorten van tongen of talen en wel géén bekende talen, maar door de Geest gewekte wonderbare klanken. 5)

5. Wie in tongen spreekt, verkeert in een min of meer extatische toestand. Deze geestvervoering kan vooral bij vrouwen, die van nature vaak emotioneler zijn dan mannen en zich meer laten gaan, gemakkelijk leiden tot verlies van zelfcontrole. Zo komen zij licht tot extatische gebaren en houdingen, .die niet stroken met de eerbaarheid.6)

Zijn de hierboven genoteerde omschrijvingen juist? Kunnen buitengewone hemelse klanken, vreemde extatische klanken enz. werkelijk als directe legitimatiebewijzen dienen voor hetgeen omtrent Jezus werd getuigd? Zonder uitlegger of verklaarder had niemand er iets aan, zelfs degene niet, die ze voortbracht. Waarom zou de heilige Geest, bij het zó spreken in tongen, met een omweg te werk gaan? De klanken moesten dan toch eerst worden overgezet in de taal van de vreemdeling en daarna nog in de gangbare taal. Om wille van de stichting van de gehele gemeente. Zullen we nu, ook bij het lezen van de brief aan de Corinthiërs, maar blijven vasthouden aan hetgeen we eerder zagen in het boek Handelingen; namelijk, dat het spreken in tongen hier niets anders is dan het spreken in vreemde talen? Dat spreken is voor hen toch niet veranderd in een uitstoten van extatische klanken?


Een ieder in zijn eigen taal
Nu, door die in 1 Cor. 12 : 28 genoemde verscheidenheid van tongen, kon een ieder in de gemeente van Corinthe in zijn eigen' taal horen van de grote daden Gods - op een directe wijze (vgl. Hand. 2 : 11). Wat een rijkdom, die gave van het spreken in tongen. En dat niet alleen voor de gemeente - waartoe zeker buitenlanders" behoorden - maar eveneens voor de stad met haar internationale bevolking. Degene, die de gave van het spreken in tongen had ophangen, kon in het leven van alledag het getuigenis uitdragen. Wat de taal betrof hoefden de spreker en de toehoorder, door geen vreemden voor elkaar te zijn. Er was pij de, laatste, een herkennen en kennen van de betekenis van de klanken (1 Cor. 14 : 11). Hij verstond de taal en zo was het spreken van de .ander niet een spreken in de lucht (1 Cor. 14: 9). Moest de gave van de tongenspraak te allen tijde worden gebruikt, ook in de gemeente? Natuurlijk niet. Als er zich geen vreemdeling bevond in de, gemeentevergadering had het spreken in een taal geen enkele zin. Paulus waarschuwde zelfs daartegen. Het moest wel tot stichting geschieden. Als er,niets mee werd bereikt kon beter met het verstand worden gesproken, gebeden en de zegen uitgesproken.
Want zegt Paulus, doet gij die dingen in de geest (gebruikmakend van de gave van de Geest), houdt' er dan rekening mee dat uw verstand op nul staat. Met andere woorden: met wat gij zegt heeft uw verstand geen, enkele relatie en gij weet dus zelf niet wat gij bidt of spreekt; gij kunt het niet overzetten in uw eigen taal. Wil het tot stichting - niet alleen van de vreemdeling, maar ook van de gemeente zijn, dan moet gij op z'n minst vooraf bidden of gij het ook mag uitleggen of vooraf vragen of er iemand aanwezig is, die de gave van de vertolking/vertaling van de door u te gebruiken taal heeft. Indien niet, dan kan er geen stichting van uitgaan en is het beter te zwijgen en tot zichzelf en tot God te spreken. Paulus moest blijkbaar ook verder het' gebruik van de tongenspraak wat intomen. Te pas en te onpas d.w.z. ook als er geen noodzaak was om in een bepaalde taa1 te, spreken, .stonden de gelovigen, die die gave hadden ontvangen, te dringen om, hun woordje te doen. Ze maakten er soms zelfs een janboel van door gelijktijdig te spreken, waardoor er bij de binnenkomende toehoorders of ongelovigen .de indruk werd gewekt, dat er wartaal werd' gesproken. Een kakofonie van vreemde klanken/talen (1 Cor.: 14 : 23). Er moest orde zijn in de gemeente, dus maar twee of ten hoogste drie sprekers, ieder op zijn beurt, en één uitleggever (1 Cor. 14: 27). Alle gemeenteleden mochten toch weten wat er in een vreemde taal was gezegd en door het' gesprokene worden gesticht?
Bovendien, het spreken in een vreemde taal was niet het belangrijkste, het moest niet worden overdreven. Paulus dankte wel God, dat hij méér dan allen in, vreemde talen kan spreken, maar toch was het hem liever vijf woorden met verstand te spreken, dan duizenden woorden in een vreemde taal. In zijn eigen taal kon hij pas goed onderwijzen.

Pinksteren herhaald?
Kunnen we nu nog spreken van een herhaald Pinksteren en over gaven waaronder het spreken in tongen gelijk, in de apostolische eeuw? Ds Vonk 7) schreef : "Die unieke tijd, die éénmalige Pinksterperiode, is voorbijgegaan: 't Ging net als nu. Geslachten kwamen en gingen. De mensen van de eerste generatie, die onze Zaligmaker nog met hun eigen, ogen geiien en gehoord hadden en die later ook de Pinkstergaven hadden meegemaakt, stierven uit. Successievelijk werden hun plaatsen ingenomen door nieuwe gelovigen, die Jezus en Zijn apostelen niet zèlf gekend hadden. Dit werd de tweede generatie." Tot de mensen van de eerste generatie moeten we in, de allereerste plaats de mannen rekenen door onze Here Jezus Zelf uitgekozen uit zijn discipelen: de apostelen, mannen in, een zeer bijzondere positie. Zij moesten voor de uitvoering van hun opdrachten nog worden, bekleed met kracht uit de hoogte. En dát gebeurde op de Pinksterdag. Zij werden allen vervuld, helemaal volgestort, met de heilige Geest.
Zelfs zó, dat ze er van konden overdragen. In Hand. 5 : 12 lezen we: "En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk". Maar dan volgt de aanstelling Van de zeven mannen. Na te zijn verkozen worden zij vóór de apostelen gesteld, die ná gebeden te hebben, hun de handen oplegden (Hand. 6 : 6). Wat een uitwerking had dat! Stephanus deed wonderen en grote tekenen onder het volk (Hand. 6 :8). Evenzo Philippus (eveneens één van de zeven); want de scharen te Samaria hoorden hem en zagen de tekenen, die hij deed (Hand. 8 : 6·7). Maar van de gaven, die ze hadden ontvangen, konden zij niet uitdelen. Simon, de tovenaar, kon niet bij Philippus terecht voor het verkrijgen van dezelfde gaven. Evenmin de anderen, die het, woord Gods hadden aanvaard.Wel bij Petrus en Johannes. Toen deze ter plaatse waren aangekomen, baden zij en legden hen de handen op en zij ontvingen de heilige Geest. Simon kwam niet eens in aanmerking want zijn hart was niet recht voor God (Hand. '8 : 21). , De apostelen uitdelers, anderen ‘slechts' ontvangers.
De gaven van de Geest- vielen op hen ,(Hand. 10 : 44) of kwamen over hen (Hand. 19 : 6), want de Here werkte mee en bevestigde het woorddoor de tekenen, die er op volgden (Marc. 16 : 20). De belofte gold alléén de apostelen en via hen liep de mogelijkheid gaven van de Geest te ontvangen zolang zij werkzaam mochten "Zijn; Echter, in Hand; 19 : 6 lezen we, dat Paulus eveneens' als uitdeler optreedt. In Efeze legt hij ongeveer 12 mannen de handen op, waarna de heilige Geest over hen kwamen zij in tongen spraken en profeteerden. Hoe was dat nu mogelijk? Paulus behoorde op, de Pinksterdag allerminst tot de apostelen en nu toch ook uitdeler? Immers in Damascus had de Here Ananias met een bijzondere opdracht naar hem toegestuurd: "Saul,broeder, de Here heeft mij gezonden, Jezus, die, u verschenen is op de weg, waarlangs gij gekomen zijt, opdat gij weer zoudt zien en met de, heilige Geest vervuld worden (Hand. 9 :17).
Bij de apostelen een vervuld zijn, uit de volheid waarvan kon worden uitgedeeld. Voor de gelovigen slechts een ontvangen van gaven, die niet verder konden worden overgedragen. Voor allen gold: eens gegeven, blijft gegeven. Maar met het versterven van die generaties kwam er een einde aan die unieke tijd.


Noten:
1) Ds B. Holwerda - De tekenen van de Pinkster-Geest.
2) Dr J. C. Rullmann's Encyclopaedie "Kerk in verleden en heden".
3) Os C. Vonk - Eenmaal Pinksteren (blz. 23).
4) Om Woord en Kerk - deel III. blz. 180 (Prof. dr K. Schilder).
5) De Bijbel, toegelicht voor het Ned. volk - Corinthiërs (Dr J. Hoek).
6) De plaats van de vrouw in de gemeente (blz. 10) - Dr D. Holwerda.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief