Aandacht voor de Heilige Geest (1)
1986-04-04
"Wanneer men gaat spreken of schrijven over een 'leer van de Heilige Geest" (...) is het toch wel opvallend, dat er maar betrekkelijk weinig over geschreven is."- Jaargang 30
- nummer 14
Prof. dr W. C. van Unnik, 1961
"Heel wat christenen, die vrijmoedig over de schepping, de menswording, de verzoening, over Christus, de kerk en zelfs over de toekomst spreken, vermijden toch over het' werk van de Heilige Geest te spreken. (... ) Het resultaat is een geestelijke ondervoeding van de theologie en, als gevolg daarvan, van de prediking, de leer en het kerkelijk leven."
Prof. dr H. Berkhof, 1964
Zo maar twee uitspraken van vooraanstaande Nederl. Herv. theologen, ruim 20 jaar geleden.
Vele andere van dezelfde strekking zijn eraan toe te voegen; iemand heeft de leer van de Heilige Geest zelfs wel eens de Assepoester van de theologie genoemd! Intussen zijn we zo'n 20 jaar verder en dat is te merken ook: we zijn sindsdien overstroomd met literatuur over de Heilige Geest, van eenvoudig bijbelstudie-materiaal tot streng theologische werken. Je kunt er met Berkhof over twisten, of de geestelijke ondervoeding van de theologie de oorzaak is van die van het kerkelijk leven, dan wel omgekeerd; vast staat, dat die theologische interesse in het werk van de Geest gelijk op is gegaan met opmerkelijke ontwikkelingen in de kerk. Dwars door het protestantisme èn het Rooms-katholicisme voer sinds de jaren zestig de Charismatische Beweging, die velen bracht tot een verdieping van hun geloofsleven en een beleving van Geestesgaven (Grieks: charismata) als tongentaal en (gebeds) genezing, waarop tot dusverre de Pinksterbeweging het monopoly leek te hebben. Maar ook zonder dat de 'doop met de Heilige Geest' zo centraal gesteld werd, ontwaakte in de gevestigde kerken dankzij de konfrontatie met het 'evangelische' christendom de belangstelling voor zaken als wedergeboorte, persoonlijk geloof en de doorleving van het heil. Ook in dat opzicht kreeg de Heilige Geest nieuwe aandacht.
Deze ontwikkelingen zijn aan ons gereformeerde wereldje niet voorbijgegaan. Wie zijn oor goed te luisteren legt, kan deze of gene verdrietig horen klagen over de dorheid en matheid van het kerkelijk leven.
De zorgvuldig bewaakte rechtzinnigheid komt bij niet weinigen over als koud en levenloos.
Er zijn er die kwijnen onder oppervlakkigheid in de kontakten tussen kerkleden en al te verstandelijke diskussies op bijbelkringen.
De onttrekkingen van kerkleden die zich voegen bij vrije groepen zijn evenzovele signalen aan het adres van kerkeraden: wij voelen ons bij jullie geestelijk ondervoed!
Ook waar nog teruggedeinsd wordt voor uittreden uit het gereformeerde kerkelijk leven, kan een hunkering zijn tiaar de warmte en de spontaniteit, naar de direktheid in de gemeenschap met God en met elkaar, zoals die in charismatische en evangelische kringen gevonden worden, En al deze lijnen lopen naar hetzelfde punt: het werk van de Heilige Geest. Al die onbevredigde gevoelens hangen samen met één fundamenteel verwijt: dat de Geest zó is ingekapseld in het gereformeerde kerkelijk leven, dat de kerk haar leden laat verkommeren.
Het zou onverstandig en pastoraal onverantwoord zijn, voor deze stemmen doof te blijven en kritiek die van deze zijde op ons af komt bij voorbaat naast ons neer te leggen. Deze hunkering naar de onbelemmerde ontplooiing van het Geestelijk leven moet serieus genomen worden; daarvoor is bezinning op het werk van de Geest onontbeerlijk.
Gelukkig heeft het aan die bezinning in dezen ook bij ons niet ontbroken; voor wat betreft "Opbouw" verwijs ik naar o.a. de belangrijke reaktie van drs H. de Jong op de brochure 'Eénmaal Pinksteren' van de hand van ds C. Vonk (de nummers van 16 en 23 januari 1976) en de evenwichtige artikelen over de Charismatische Beweging die drs H. Smit publiceerde (de nummers van 28 juli en 11 augustus 1978). En hoewel ons blad deze problematiek ook nadien niet links heeft laten liggen, wil ik opnieuw de aandacht van de lezer ervoor vragen. Nu eens niet, door een beeld te schetsen van het leven door de Geest in charismatische en evangelische kring, om dat vervolgens vanuit onze eigen traditie van bijbelverstaan te beoordelen, maar andersom: ik begin bij wat de Reformatie uit de bijbel over de Heilige Geest begrepen heeft, om van daaruit hen tegemoet te gaan die van Hem zulke hooggespannen verwachtingen hebben. Daarbij zal blijken, dat onze traditie bepaald niet karig geweest is in het schenken van aandacht aan de Geest. De grote Reformatie van de 16e eeuw, waarvan wij ons de erfgenamen weten, keert zich pal tégen hen die het maar overdreven vinden, al dat 'gedoe' over de Heilige Geest.
Aan die Reformatie zijn voor alles de namen verbonden van Luther, Calvijn en Zwingli. Op hun eigen wijze hebben zij alle drie het belang van het werk van de Heilige Geest onderkend en onder de aandacht van de kerk gebracht. Zo is de minst bekende van de drie, Zwingli, door Luther een 'geestdrijver' genoemd, omdat hij er onvermoeibaar de nadruk op legde dat mensen slechts door Gods Geest tot Hem getrokken kunnen worden en tot het licht kunnen komen. Het woord van Joh. 6: 63 was hem dierbaar: "De Geest is het die levend maakt, het vlees doet geen nut."
Op zijn beurt heeft Luther de Heilige Geest geëerd, door van Hem de zekerheid van het heil en de vernieuwing van het leven te verwachten; een Deens theoloog kon dan ook een beroemd geworden proefschrift wijden aan de plaats van de Geest in Luthers theologie. De titel die dat boek kreeg, 'Spiritus Creator', doet denken aan de begin woorden van een middeleeuws Pinksterlied: Veni Creator Spiritus - Kom Schepper Geest. Het is niet toevallig dat dat lied tot op de dag van vandaag in de protestantse erediensten gezongen kan worden (Liedboek: gezang 239; Enige Gezangen: nr. 21): het is door Luther uit het Latijn in het Duits vertaald en mogelijk door hem van een zingbare melodie voorzien. Het is om te onthouden, dat Luthers angst voor geestdrijvers hem er niet van weerhouden heeft lofzangen op de Heilige Geest aan te heffen!
(vgl. ook Liedboek gezang 240 en 241). Toch is Calvijn van alle reformatoren degene, die zich het meest intens met de leer van de Heilige Geest en Zijn werk heeft bezig gehouden. Is van de Reformatie als zodanig gezegd, dat haar grootste betekenis voor de geloofsleer ligt in de ontdekking (!) en ontvouwing van de leer van de Heilige Geest, velen hebben zich aangesloten bij het oordeel van een Amerikaanse onderzoeker die in 1909 schreef, dat men Calvijn met recht en reden theoloog van de Heilige Geest mag noemen. Ook Berkhof, wiens klacht over de verwaarlozing van dit thema in de gangbare geloofsleer ik hierboven aanhaalde, geeft Calvijn toe dat diens Institutie een schatkamer is voor de leer van de Heilige Geest, die vele rijkdommen bevat die door de reformatorische kerken nog niet ontdekt zijn. Misschien is dat te sterk gezegd, maar zeker geldt dat die rijkdommen steeds opnieuw ontdekt moeten worden.
In een volgend artikel wil ik daarom gaan schatgraven in o.a. de Catechismus, waarop Calvijn grote invloed heeft uitgeoefend als het gaat om het spreken over de Heilige Geest.