Kent de Schrift vrouwelijke diakenen? (1)

1986-04-04
  • Jaargang 30
  • nummer 14
De Landelijke Vergadering van Enschede benoemde in haar 5de zitting op 1 juni '85 een commissie met de opdracht "zich te bezinnen op het voorstel van Amsterdam-C, ten aanzien van de vraag, of het Schriftuurlijk verantwoord is zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk".
In de op 22 februari j.l. gehouden 9de zitting lagen twee rapporten over deze materie ter tafel, één van de meerderheid die zich, aldus uitsprak: "Als, wij zusters (...) roepen tot het diakenambt, dan gaan we in een richting waarin onze Heer en zijn apostelen ons 'niet zijn voorgegaan", en één van de minderheid die tot de volgende conclusie kwam: "Op grond van 1 Tim. 3 : 8-13 en Rom. 16 : 1 alsmede op grond van de overweging dat de Schrift nergens normerend spreekt over het al dan niet man of vrouw zijn van diakenen, zijn wij van oordeel dat het schriftuurlijk verantwoord is om zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het ambt van diaken".
Nu had ik in de brochure 'De plaats van de vrouw in de gemeente' t.a.v. de vrouwelijke diaken meteen paar korte opmerkingen volstaan (blz. 7). Ik leerde nl. in de overtuiging dat wij, de Schrift lezend, op dit punt snel tot eenstemmigheid moeten komen. Nu echter uit de commissierapporten blijkt, hoezeer het aan eenparigheid van gevolgen ontbreekt, meende ik alsnog een bredere bijdrage te moeten leveren aan de exegese van de twee gewichtigste teksten hier in geding, t.w. Rm. 16, 1 en 1 Tim. 3, 11. Ik heb dat gedaan bij de discussie over de beide rapporten op 22 februari jl. Uit de vergadering kwam toen van verschillende kanten' het verzoek tot mij wat ik naar voren had gebracht te publiceren. Dat doe ik dan bij dezen. De vorm is hier en daar iets gewijzigd. Ook ben ik op enkele onderdelen nog iets breder ingegaan.

Rm. 16, 1
Het meerderheidsrapport geeft al dadelijk (p. 2, regel 16-18) een onjuist beeld van deze tekst door te stenen: "Dit hoofdstuk begint, met de verwijzing naar Febe's dienen van de gemeente te Kenchreae ... ". Dit hoofdstuk begint echter in 't geheel niet met een verwijzing naar Febe's dienen, maar spreekt van haar diaken zijn. Dat is iets anders.
Dienen is een activiteit, diaken zijn een status.
De drie rapporteurs maken zich door deze wijziging van het tekstgegeven de weg vrij v. 1b samen te voegen met het slot van v. 2. Ze vervolgen nl. de door mij hierboven aangehaalde en afgebroken zin met de woorden " ... en haar bijstand verlenen aan velen". In één adem dus: "Febe's dienen ... en haar bijstand verlenen ... ". M.a.w. de commissiemeerderheid wekt de voorstelling, als zouden we in v. 1b en v. 2slot twee soortgelijke mededelingen van Paulus aantreffen die beide Febe's optreden schilderen. 1) Nu lezen we in het slot van v. 2: "want zij van haar kant heeft zich eveneens een behartigster 2) van veler belangen betoond, 3) Ook van mijn eigen". Dáár, maar ook pas daar, horen we van Febe's activiteit, van haar optreden ("zij heeft zich betoond"), Eerst dáár geeft Paulus een goed getuigenis van haar handel en wandel.
Niet alzo in v. 1b! Dat blijkt uit de plaats van de daar gegeven mededeling en uit haar bewoordingen.
Paulus heeft niet zonder reden de beide mededelingen (1b en 2slot) gescheiden gehouden; ze ook in verschillende tijd uitgedrukt. Ze vervullen nl. een geheel verschillende functie. V. 2slot dient, zo zagen we, als attest. Wat is echter de functie van v. 1b?
Wel, Paulus geeft kennelijk de brief die hij naar Rome wil sturen aan Febe mee. Welnu, dan moet hij beginnen met haar aan de geadresseerden voor te stellen.
Dat doet hij dan ook, en wel door haar naam en haar functie te noemen. En wie zou het ook anders verwachten? Ik volsta met één parallel te noemen.
(Straks zullen we nog een tweede ontmoeten.) In Lc. 8, 41 komt in het verhaal een nieuwe figuur ten tonele: "En zie, er kwam een man, genaamd Jairus; en deze was synagoge-overste".
In v. 1b staat dus achtereenvolgens, hoe de postiljon van Paulus heet en wat zij is. Dàt staat er: wat zij is (nièt wat zij doet of gedaan heeft). En het staat er in alle duidelijkheid: "zijnde diaken" daarvan is het ons niet , geoorloofd af te doen. Nu zal men mogelijk zeggen: ja, maar het woord 'diakones' dat hier staat, heeft in het NT op nog slechts enkele plaatsen de strikt ambtelijke betekenis 'diaken'.
Veel vaker komt het voor in de ruimere (oorspronkelijke) betekenis 'dienaar'. Jawel, maar tweeërlei betekenis vindt men ook bij het woord 'presbuteros'.
Dat kan de ambtelijke betekenis 'ouderling' hebben, maar ook kan elke willekeurige 'oudere man' ermee worden aangeduid.
Zo b.v. in 1 Tim. 5, 1: Echter: als we in Hd. 20, 17 'lezen, dat Paulus de 'presbuterous' van de gemeente te Efeze ontbood, dan zal toch wel niemand denken, dat het hier gaat om alle oudere manlijke gemeenteleden. De toevoeging "van de gemeente (te Efeze)" doet ons toch als vanzelf begrijpen, dat het hier gaat om de ouderlingen. Nu, waarom zouden we dan in Rm. 16, 1 nièt aanstonds aan een ambtsdrager denken, als daar staat xliakonon van de gemeente te Cenchreae"?
Men kan deze parallel toch niet afzwakken door erop te wijzen, dat Paulus, die zichzelf meermalen 'diakones' (= dienaar) van God of van Christus noemt, ook eenmaal (Col. 1, 25), als hij het heeft over het lichaam van Christus, dat is zijn gemeente", daaraan vastknoopt de woorden "waarvan ik een diakonos ben".
Immers, dat Paulus hier diakonos in de betekenis 'dienaar', en nièt in de betekenis 'diaken' bezigt, wordt iedereen aanstonds duidelijk, omdat hij vlak daarvoor (v. 23) precies dezelfde bijzin ("waarvan ik een diakonos ben") had gebruikt van "het evangelie". 'Dienaar van de gemeente' 'en 'dienaar van het evangelie' wisselen elkaar hier af. Bovendien wisten Paulus' lezers heel goed, dat hij niet in het ambt van diaken stond, maar in dat van apostel; misverstand was dus uitgesloten. En wat bovenal van belang is: Paulus spreekt daar van de gemeente, van de kerk in haar totaal, terwijl Rm. 16, 1 Febe diakonos van een plaatselijke gemeente noemt, en de plaatsnaam er ook nog uitdrukkelijk bij vermeldt.
Bovendien is in de christelijke papyri de verbinding ..., diaken van de (heilige) kerk te ... " zo gewoon, dat er m.i. geen enkele aanleiding is te betwijfelen, of Febe wel in de ambtelijke zin van het woord diaken van de gemeente te Cenchreae is geweést.
Maar' we zijner nog niet! Er komt nog een finesse bij, die onvoldoende de aandacht heeft gehad, ja die men op een niet meer ernstig te nemen wijze heeft weggewerkt 4). Paulus geeft Febe's functie niet op in de vorm van een bijstelling, zoals hij wel doet bij de toevoeging ,,onze zuster".
Hij zegt dus niet: "Pebe, onze zuster, diaken van ... ", maar "Pebe, onze zuster, zijnde diaken van ... ". Nu heeft Zahn (ad loc.) erop gewezen, dat men juist bij ambtsaanduidingen dit deelwoord 'zijnde' aantreft. Hij verwijst o.a. naar Joh. 11, 48 "Maar één van hen, Kajafas, zijnde hogepriester van dat jaar ... ". (En daar hebt u dan een tweede geval van introductie van een nieuwe figuur met naam en functie. En ditmaal is het een zeer nauwkeurige parallel van Rm. 16, 1 waarop we stoten.) Trekt men de desbetreffende plaatsen na, dan blijkt dit 'zijnde' niet een zinledige toevoeging te zijn. Het schijnt aan te geven, dat Kajafas in dat bewuste jaar in functie was als hogepriester.
De bijstelling 'hogepriester' zonder meer zou ev. zo uitgelegd kunnen worden, dat Kajafas titulair hogepriester was (b.v. omdat hij ooit dat ambt had bekleed). 5) Maar het toegevoegde 'zijnde' wijst, 'als niet alle tekenen bedriegen, op de actualiteit van zijn hogepriesterschap. Met andere woorden men zal het moeten verstaan als 'staande in het ambt van .. .' of de functie 'zijnde' bij ambtsaanduidingen van ... bekledende.’.
Dit wordt temeer waarschijnlijk, als men bedenkt, dat in de papyri oud-functionarissen worden aangeduid door het verleden deelwoord van 'zijn' (Gr. genomenos).
6) En daar zitten we dan eigenlijk op één lijn met het Nederlands: ook wij spreken nl. van 'de gewezen minister van defensie', als we het hebben over iemand die eertijds het ambt van minister van defensie 'heeft bekleed.
Wat het Grieks van het Nederlands op dit punt onderscheidt is, dat wij alleen in het verleden deelwoord ('gewezen') het werkwoord 'zijn' in de praegnante zin van 'in functie zijn' gebruiken, terwijl het Grieks dit gebruik behalve bij het verleden deelwoord (genomenos) ook kent bij het tegenwoordig deelwoord (oon), alsook bij het deelwoord van de toekomen te tijd (esomenos = zijn zullende). Van dat laatste vinden we een voorbeeld in een inscriptie uit circa 37/6 v. Chr. (Dittenberger, Sylloge Inscriptionum Graecarum, no. 1104, regel 3617). Een zekere Diodorus heeft zich zo verdienstelijk gemaakt jegens het heiligdom van Artemis Soteira, dat hij als blijk van erkenning een krans ontvangt; en dat niet voor éénmaal, nee, men besluit "dat hij ieder jaar bekranst wordt door den telkenmale zijn zullenden ternpelthesaurier", d.w.z. door den thesaurier die in een gegeven jaar in functie zal zijn.
Het ziet er naar uit, dat we hier te maken hebben meteen grieks aequivalent van de hebreeuwse formulering die we tegenkomen in Dt. 17, gen 19, 17, waar sprake is van "den rechter die dan zijn zal" (resp. "de priesters en de rechters die dan zijn zullen") 7). B. Holwerda vertaalt op de eerstgenoemde plaats - aan de behandeling van de tweede is hij niet meer toegekomen -: "die dan in functie zal zijn" (Dict.- Exeg., p. 473) onder verwijzing naar Clamer. In dezelfde zin vat Vonk (Voorz. Leer Ie, p. 600) de hebteeuwse tekst op. (Men zie nog diens noot 108 op p. 755, waar hij de locale interpretatie afwijst) Eenzelfde vertaling vindt men voorts bij Segond (Franse vertaling) en in The New English Bible, terwijl dé Willibrordus heeft; "die op dat ogenblik het ambt bekleedt".
Uit de voorbeelden, aangehaald bij het signaleren van gevallen van de verleden en van de toekomende tijd, heeft men kunnen bemerken, dat dit praegnant gebruikte deelwoord van 'zijn' niet alleen in praedicatieve, maar ook in attributieve positie voorkomt.
Anders gezegd: men vindt niet alleen wendingen als "Kajafas, zijnde hogepriester . . .", maar ook gevallen waarin sprake is van "de zijnde hogepriester .. ." (of ev. een andere functionaris); waarin dus dat woordje 'zijnde' tussen lidwoord ven zelfstandig naamwoord staat ingeklemd, En dan valt het meer op. Toch heeft men het ook dan niet altijd op z'n juiste waarde geschat. Ik noem één voorbeeld van een tekst die veel duidelijker wordt, als men dit praegnante gebruik van 'zijnde' in rekening brengt, en wel Rm. 13, 1. Als men op de onder ons gangbare NBG-vertaling afgaat, schijnt Paulus tweemaal hetzelfde te zeggen: eerst "er is geen overheid dan door God" en dan "die er zijn zijn door God gesteld".
Maar er is, dunkt mij, wel degelijk onderscheid in Paulus' uitspraken.
Eerst geeft hij een algemene - ik zou haast zeggen abstracte - stelling: "er is geen overheid (denkbaar) tenzij van God afkomstig". Maar dan knoopt hij daaraan vast een concrete invulling van die belijdenis: "en de zijnde magistraten (d.w.z. de magistraten die nu in functie zijn, en met wie jij, lezer, dus toe maken hebt) zijn door God aangesteld". 8) Ik hoop hiermee voldoende duidelijk te hebben gema-akt, dat men aan het woordje 'zijnde' in Rom. 16, 1 niet achteloos mag voorbijgaan, zoals veelal wèl gebeurt.
Als we de bewoordingen en de aard van deze mededeling (zoals die uit haar positie, aan het begin van dit 'aangehangen briefje', blijkt) zorgvuldig wegen, lijkt het aan geen twijfel meer onderhevig, of Pebe bekleedde in de gemeente te Cenelireae het ambt van diaken.

(slot volgt)

1) Mogelijk is hier invloed van Greijdanus te bespeuren. Deze zegt nl. eerst (bij de verklaring van de woorden "zijnde (ook diaken"), "dat Phoebe niet alleen eene geloovige vrouw was, maar ook bizondere diensten aan de gemeente te Kenchreeën bewezen had"; en even .verder: "vs. 2e kan dienen om het in vs. 1b genoemde nader in zijn grootte aan te duiden, en er nog eenige uitbreiding aan te geven" (v. Bottenburgcomm., ad loc.). Hier - evenals op andere punten, zie beneden, noot 4slaat Greijdanus een juiste opmerking van Zahn in de wind. Deze had nl. gesteld: "dass diakonos hier nicht Bezeichnung irgend welcher Arbeit zum besten der Gemeinde ist ... zeigt ... drittens die Trennung dieser Angabe von der Beschreibung von Phêbes verdienstlicher Tatigkeit in v. 2b".
2) "Prostatis" - alleen hier in het NT voorkomend - wijst niet op een ambt, zeker niet op een kerkelijk ambt.
Het heeft ongeveer de waarde van 'beschermster'.
Men vindt het nogal eens als attribuut van godinnen, nymphen e.d. Het werkwoord 'prohistasthai' vindt men in het NT meermalen als omschrijving van de verzorgende (belangen behartigende) taak, o.a. van ouderlingen (1 Tim. 5, 17), maar niet minder van het hoofd van het gezin (1 Tim. 3, 4. 5. 12):
3) (Oud)gymnasiasten zullen mijn vertaling van 'egenèthè' herkennen. Het stereotype schoolvoorbeeld was 'anèr agathos gignomai' = 'ik betoon mij een held', 'ik gedraag mij heldhaftig'.
4) Het spijt mij dit te moeten schrijven van den onder ons - en ook bij mij hoog aangeschreven Grijdanus, Als Zahn nl. wijst op het "bei Ambtsbezeichnungen übliche 'oon, ousa' ", pareert Greijdanus dit door te zeggen: "de apostel gebruikt bij 'diakones' meermalen een werkwoord (cursivering van mij, D.H.), ook al neemt hij 'diakones' niet in ambtelijke zin" ! !!
Overigens: ook wat de toevoeging van de woorden "der gemeente" betreft Zahns tweede argument; over diens derde argument zie boven, noot 1 - slaaf de tegenopmerking van Greijdanus als een tang op een varken: 'tès ekklèsias' (d.i. 'van de gemeente', D.H.) kon hier moeilijk weggelaten worden, omdat gezegd moest worden, vanwaar Phoebe kwam". (N.B. Dat Febe bij de kerk behoorde, lag al opgesloten in de aanduiding "onze zuster".'] Nogmaals: ik weet niet, in hoeverre in de huidige discussie Greijdanus' exegese haar invloed laat gelden. Daarom zeg ik heel in 't algemeen, zonder bepaalde mensen op het oog te hebben: het is wel zaak, dat men ook in onze kring bij alle respect voor dezen 'voorganger' de nodige critische zin tegenover zijn werk bewaart. Het zou niet gezond zijn ons tot in lengte van dagen op te zadelen met practische gevolgtrekkingen uit zijn notoire exegetische blunders.
5) Volgens anderen zijn onder 'hogepriesters' alle leden van de hogepriesterlijke families begrepen. Echrenk (Kittels Wtb III 2(1) acht deze mening onhoudbaar. Wij laten dit punt verder rusten.
6) B.v. POx 38, 11 " ... parèlthon epi tou genomenou tou nomou stratègou Pasioonos ... " (" ... wendde ik mij tot den gewezen districtsgouverneur Pasio ... ").
Verdere voorbeelden in Preisigke's Pa. pyrologisches Wörterbuch, s.v. 'gignornai', rubriek 13, die een "Auswahl der Belege" geeft en eindigt met te zeggen "Weitere Belege -zahlreich".
7) Een relatieve zin als deze ("die dan zijn zal") met dezelfde waarde als het corresponderende deelwoord komt ook in het Grieks wel voor, b.v. Joh. 18, 19.
8) Mogelijk moet men zo ook verstaan Hd. 28, 17: in Rome aangekomen riep Paulus bij zich "de zijnde leiders der Joden". Een andere opvatting is hier echter mógelijk, nl. de locale: "de plaatselijke leiders". Het participium 'oon' komt nl. ook in dié betekenis wel voor, b.v. Hd. 13, 1 "Er waren te Antiocië in de zijnde gemeente ... ", d.w.z. in de daar gevestigde gemeente,

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief