Ingezonden met naschrift

1986-04-11
  • Jaargang 30
  • nummer 15
Naar aanleiding van de recensie van ds. H. de Jong over het boek “Een christelijk manifest” van F.A. Schaeffer in Opbouw van 26 febr., waarbij De Jong o.a. schrijft: “Als meisje zou ik er blij mee zijn, dat, in geval van verkrachting bijvoorbeeld, tegenwoordig de mogelijkheid bestaat om zonder levensgevaar van de daardoor ontstane zwangerschap af te komen”, heb ik een telefonisch onderhoud met ds. De Jong gehad.
Ik heb ds. De Jong gevraagd of hij stond achter deze zin en of er geen woord per abuis was weggevallen. Nee, zei ds. De Jong. Ik vind een zwangerschap door verkrachting een caricatuur-zwangerschap. De foetus in de baarmoeder is wel menselijk leven, maar geen mens. Ik heb geantwoord: Hoe weet U dat? U speelt met woorden: dit is sofistisch geredeneer. Ps. 139 spreekt heel anders. “Gij hebt mij in de schoot van mijn moeder geweven.”
F.: Abortus blijft een moord.
De J.: Ik zie het niet als moord.
F.: Ik ben lid van het Ned. Artsen Verbond, van het N.P.V. en van de V.B.O.K. en wij vechten voor het behoud van het leven en U als Geref. predikant schrijft zulke dingen, allertreurigst!
F.: Uit een enkele verkrachting komt nooit zwangerschap voort.
F.: U schrijft: zonder levensgevaar 'van de daardoor ontstane zwangerschap af te komen.' Maar de foetus moet het wel met de dood bekopen.
F.: U adviseert abortus, maar U behoeft het niet zelf uit te voeren.
Maar de dokter, die, voordat hij zijn artsenbul in ontvangst nam, gezworen of beloofd heeft, het leven te zullen beschermen, laat U de daad verrichten, waardoor U mede schuldig bent, dat zijn eed een mijneed wordt.
Ds J.: U maakt er een drama van.
F.: Heeft U het boek van dr H. Blijham gelezen.
De J.: Nee.
F.: Deze ziet zeer vele van de vrouwen, die zich hebben laten aborteren, later op zijn spreekuur met enorme psychische problemen.
De mensen zijn vaak niet meer te behandelen of zeer moeilijk, velen zijn niet meer in staat tot normale arbeid.
Ik meen, dat ik het bovenstaande onderhoud met ds De Jong de lezers van Opbouw niet mag onthouden.

D. P. Feenstra, arts

Naschrift
Of het verslag van ons telefoongesprek op deze wijze volledig is weergegeven, betwijfel ik. Er zijn aan mijn kant wat onwaarschijnlijk veel stiltes. Maar onjuistheden staan er niet in, dus vooruit maar. Dit ingezonden verschaft mij trouwens een goede gelegenheid mij zelf te verduidelijken.
Wat mij opvalt is dat voorvechters voor de goede zaak van de abortusbestrijding in het algemeen weinig toegankelijk zijn voor nuances. Wie niet in alles vóór hen is, wordt heel gemakkelijk als tegenstander gezien.
Zo kan dan ook die ene opmerking van mij over abortus-na verkrachting 'allertreurigst' komen te heten. Komt dat nu voort uit de hitte van de strijd?
Dat zou een verklaring kunnen zijn.
Wat de zaak zelf betreft, zou: ik wel willen blijven bij mijn onderscheiding tussen 'mens' en 'menselijk leven'. Ieder levend mens is een menselijk leven, maar, elk menselijk leven is nog geen mens.
Ik zie er een goddelijke wijsheid in dat de mens niet kant en klaar in de wereld wordt neergezet, maar dat hij eerst in de moederschoot een ontwikkelingsweg aflegt. Natuurlijk is zijn levensbeginsel op die weg niet, waardenvrij, maar toch kunnen in deze wordingsfase door anderen beslissingen over de groeiende vrucht genomen worden die wanneer de mens, eenmaal daar is (het moment daarvan is eigenlijk alleen maar gevoelsmatig te bepalen) achterwege behoren te blijven.
De vraag bijvoorbeeld of in geval van levensgevaar voor de moeder of voor het nog ongeboren kind gekozen moet worden, kan zich nooit herhalen als er eenmaal van twee zelfstandige mensen sprake is. Dan zou zo'n keuze (onverschillig hoe die uitvalt) rondweg onethisch zijn.
Dat de ongeboren menselijke vrucht niet gelijk gesteld behoeft te worden met een mens, is een gedachte die we ook in de wetten van Mozes, tegenkomen. Ik denk hierbij aan deze bepaling uit Exodus 21 :22 e.v.) "Wanneer mannen vechten en één van hen stoot een zwangere vrouw: zodat haar vrucht afgaat, maar zonder ander letsel, dan zal zeker een boete worden geëist naardat de man van die vrouw hem oplegt, en hij zal het volgens het besluit van de rechters geven. Maar indien er een ander letsel is, zult gij geven leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand ... enz." De veroorzaker van de miskraam wordt dus niet genoodzaakt, zoals bij doodslag, om naar een vrijstad of naar het altaar (de vss 12-14) te vluchten.
Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat de kracht van dit argument gering is, gelet op wat we een eindje verder in hetzelfde, hoofdstuk tegenkomen dat, namelijk wanneer een stotige stier een man doodde, de eigenaar tot, met zijn leven daarvoor aansprakelijk kon worden gesteld, terwijl wanneer het slachtoffer een slaaf was, er met een geldboete volstaan kon .worden (de vss 28-32), alwaar we op het pijnlijke verschil tussen een mens en een slaaf stuiten dat wij gelukkig niet meer maken. Je kunt op grond van zo'n wet dus niet zeggen: volgens de Schrift moeten we... nee, we komen niet verder dan: de Schrift kent de gedachte dat…
En natuurlijk kent de Schrift, de gedachte dat ongeboren leven minder waard is dan een zelfstandig mens, want die gedachte is logisch. Echter, 'minder waard' is vanzelfsprekend niet: waardeloos. Wanneer David in Psalm 139 tot vóór zijn geboorte terugkijkend spreekt van 'ik' en 'mij', is dat geheel begrijpelijk. Maar om daaruit nu de konklusie te trekken dat dus elk ongeboren, menselijk leven een mens, een persoon is, gaat toch te ver. Het doet mij denken aan degenen die destijds uit de mooie zin van de Dordtse Leerregels (I, 17) dat gelovige ouders niet behoeven te twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun vroeg gestorven kinderen, de vermetele konklusie trokken dat nu alle gedoopte kinderen voor wedergeboren moesten worden gehouden. Wat in een levende geloofsrelatie gezegd was, werd, zo naar een dode en afgetrokken theorie overgeplant. Dat kan en mag niet.

Wat nu tenslotte de zwangerschap-door-verkrachting betreft, acht ik het zoeken van een huwelijkspartner om er samen kinderen mee te krijgen een te serieuze zaak dan dat ik er zo maar vrede mee zou kunnen hebben dat de ene mens de andere naar willekeur bevrucht.
Vrede in die zin namelijk dat ik werkeloos zou moeten afwachten wat, daarvan komt. Ik vind zwangerschap-door-verkrachting inderdaad een karikatuur van levensverwekking en ik pleit daarom voor ruimte van overleg: is het hier misschien een tijd om te doden in plaats van levensbevorderend bezig te zijn (vgl. Prediker 3: 3)?
Ik denk daarbij aan die tijd van de zwangerschap dat de gedachten nog helemaal bij de ouders zijn er slechts heel weinig nog bij het toekomstige kind. Men moet mij niet verkeerd begrijpen: iemand die uit een dergelijke ‘verbintenis' geboren is, is voor mij een mens ais ieder ander, met gelijke rechten op liefde en bescherming. Maar ik prijs God dat er om het menselijk leven een kantlijn zit, zodat wij nog "niet aan de tekst", van dat leven zelf komen, als we bij hoge uitzondering in die kantlijn knippen. Moord is dat in mijn ogen niet. Het kan dat zijn, naar de gezindheid bijvoorbeeld, maar het behoeft dat niet te wezen. Overigens heb ik bij mijn weten nergens gezegd of geschreven dat ik 'adviseer' tot abortus.

I) Achteraf over deze tekst nog wat nadenkend, kwam ik tot de volgende omschrijvende vertaling: "En wanneer, mannen handgemeen worden en daarbij een zwangere vrouw zodanig treffen dat haar vrucht afgaat zonder dat er evenwel sprake is van een dood kindje (eigenlijk: een dodelijk ongeval, zoals dit een mens overkomt), zal een boete worden opgelegd, vast te stellen door de heer van die vrouw, en hij zal die boete onder rechterlijk toezicht moeten betalen. Is er echter sprake, van een dood kindje, dan zult gij geven leven voor leven ... enz." De wetgever maakt hier dus een herkenbaar onderscheid tussen een miskraam krijgen (waarbij de vrucht nog zo klein en vormeloos is dat je niet van een dode kunt spreken) èn een dood kindje ter wereld brengen.
Het veroorzaken van het laatste is doodslag, van het eerste niet. Waar nu de grens tussen beide precies ligt, wordt (ook) hier niet gezegd. Wel is duidelijk dat ik deze tekst op mijn hand heb, als ik onderscheid maak tussen een mens en menselijk leven.

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief