Prediken
1985-01-04
'k: Heb geaarzeld of ik wel een artikel over dit onderwerp zou schrijven., Er is over dit onderwerp zoveel verschil van mening onder de prekers in verleden en heden, dat het wel een hachelijke onderneming lijkt om er aan te beginnen. Toch besloot ik het te wagen. Op hoop van zegen. Wie weet hebben sommigen er wat aan tot lering.- Jaargang 29
- nummer 1
Allereerst dan de betekenis van het woord in het grieks. In het gewone spraakgebruik werd er mee aangeduid het werk van een heraut. Die luidkeels een boodschap van koning of keizer of aanvoerder bekend maakte. Hij liet het volk weten, dat er een overwinning was behaald, Of hij kondigde de komst van de opperheer aan. Met dat woord, wordt nu in de taal van het N.T.het werk aangeduid van een verkondiger van het Evangelie. Hij moet overbrengen het Woord van de Koning der koningen.
Het woord van God of van Jezus Christus. Wat één en hetzelfde is. Zo zegt Paulus ergens, dat zijn hoorders zijn woord aangenomen hebben als Gods woord, wat het werkelijk ook is.
Het spreekt vanzelf, dat de prediker zich moet houden aan de opdracht van zijn Zender. Wat mij betreft, ik vind dit bevel in Matth. 28: 19 v. : ,,Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ikben met, u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld." In Marcus 16 staat het zo: "Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het Evangelie aan de ganse schepping (de ganse mensenwereld).
Wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden. Maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden."
Voorop dus: Het Evangelie, de blijde boodschap of de goede tijding of groot nieuws.
Met bevel van geloof en bekering. En in de tweede plaats het bevel om te onderhouden al wat Christus geboden heeft. Met de belofte van Zijn bijstand de eeuwen door. En daarna de dreiging met het oordeel en veroordeling van ieder, die het Evangelie niet gelooft en zich niet bekeert tot het doen van Zijn geboden. Nu houden zich niet alle preekheren aan deze volgorde. Volgens hen moet voorop gaan de aanzegging van het oordeel. Ze preken naar een bekend gezegde "hel en verdoemenis". En hele kerkgemeenschappen menen, dat het zo hoort. Ze menen, dat hun voorgangers er "zwaar door gaan". Ze houden niet van "lichte kost". Ik vraag mij af, waar deze opvatting vandaan komt. Zeker niet van de Heiland.
Want die heeft de apostelen niet met banbliksems de wereld in gezonden. Maar met een Goede Tijding. Men heeft zich tegenover mij wel eens beroepen op de Catechismus. Die op de vraag wat een mens nodig is 'te geloven als eerste stuk noemt: "Hoe groot onze zonden en ellende zijn". Daarna komen dan de verlossing en het houden van Gods geboden aan de beurt. Moet dus de aanzegging van de veroordeling niet voorop gaan? Daarop was altijd mijn antwoord: De Zaligmaker heeft het anders bevolen en aan Zijn bevel moeten we ons toch zeker houden? Eén is immers onze Meester? Naar Hem zullen we horen. En wat de Catechismus betreft: Zondag 1 staat voorop! En die spreekt van de enige troost in leven en sterven. Dat we het eigendom van Christuszijn. Dát weten we alleen door het Evangelie. Dát gaat dus aan de kennis der zonde vooraf en dat dringt ons tot een godzalig leven. En of het zulk een gelukkige greep van de opstellers van de Catechismus is geweest om deze volgorde te kiezen van ellende, verlossing, dankbaarheid is de vraag. Het spreekt vanzelf, dat alle stukken niet tegelijk besproken kunnen worden. Maar m.i. horen ze bij elkaar. Wie het Evangelie gelooft kent ook z'n ongerechtigheid en is ook van harte bereid om te onderhouden al wat Christus geboden heeft.
Wat de kennis van zonde betreft, wat is onze ongerechtigheid? Dat we van nature tegen de wil van God ingaan. Kennis der zonde gaat dus samen met kennen van de HERE. Van nature kennen we onze zonde niet. Wie zonder God en zonder Christus leeft is meestal goed tevreden over z'n leven. Hij komt wel wat tekort, volmaakt is hij wel niet. Maar hij geeft ieder het zijne en heeft wel wat voor een ander over, leeft fatsoenlijk enz. enz. Maar als we de HERE kennen door het Evangelie en, bijv. de Bergrede ernstig nemen en al wat God geboden heeft, dán komt de echte ellende-kennis.
En dan is het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid zoals Paulus schrijft.
Als men meent, dat de aanzegging van "hel en verdoemenis" veel uithaalt, dan heeft men het mis. Zo leert de Here het niet. En voorts bewijst de praktijk, dat het niets uithaalt. De hoorders trekken zich er over het algemeen niets van aan. Het is ' zoals een hoorder mij eens zei: ."Men kon zo lekker griezelen in de kerk, onder zo'n donderpreek". En wie er zich alles van aantrekt, die komt in Ermelo terecht. Als hem of haar niet de redding door het Evangelie wordt aangereikt, De bekende à Brakel heeft daarvan een aardig beeld geschilderd. Ik las eens bij hem het volgende: Een hondje, dat in de deur van een smederij staat, schrikt eerst terug voor de vonkenregen, die hij van het aambeeld ziet spatten.
Maar als hij er wat aan gewend is, gaat hij rustig onder bij het aambeeld liggen en geniet van het mooie schouwspel! Van zulk een prediking heb ik alleen maar ellende gezien. Er worden lasten opgelegd, te zwaar om te dragen.
Het Evangelie is een kracht Gods tot redding. Het is het middel van de H. Geest om geloof te werken. Want het geloof is uit het gehoor van het Woord Gods.
Het is ook de bewerker van wedergeboorte, van het nieuwe Ieven, Jakobus zegt het zó: De Vader der lichten heeft ons voortgebracht door het, Woord der waarheid. En Petrus schrijft in 1 : 22 v.: "Hebt elkander van harte lief als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God ... Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is."
Het verkondigt ons wat God door Christus gedaan heeft en doet tot onze redding, Hij is ons gegeven tot rechtvaardigheid, heiligmaking, verlossing. Hij is een volkomen Zaligmaker, buiten wie geen redding te zoeken en te vinden is. Van deze Christus, de Gekruisigde en wat meer is ook de Opgestane, van Hem is onze verwachting. Wie in Hem gelooft zal niet beschaamd uitkomen.
Het tweede- punt van de opdracht van de Here Jezus is: "Leert hen onderhouden al wat Ik u geboden heb'. Even belangrijk, naar ik meen, dan het Evangelie.
En zoals in vele kerken het Evangelie, voor alle mensen bestemd, verkort om niet te zeggen verknoeid wordt, zo wordt er ook geknoeid met het bevel om Gods geboden te onderhouden.
Terwijl dat ook tot onze redding behoort. Het hangt ook samen met de opvatting, dat God alles moet doen en dat wij dus niets hoeven doen. Zeker is het waar, dat God ons heil werkt.
Maar dat Wil allerminst zeggen, dat wij, die geloven in Christus, niets hebben te doen. Er is een opvatting van de weg van heil, die van christenen zorgeloze en goddeloze mensen maakt.
Daar, heeft de Here Jezus geen steen toe bijgedragen. Integendeel. Hij heeft in de Bergrede nogal wat van zijn discipelen gevraagd. Wie dat niet helder voor ogen staat leze nog maar eens Matth. 5-7. Met dat ons allen welbekende slot: "Niet een ieder, die zegt Here Here zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil 'van de hemelse Vader" .
Trouwens op dat doen van goede werken is heel de leer van het O.T. gericht. Niet om daardoor Gods genade te verdienen. Dát hebben de Schriftgeleerden er van gemaakt. Zij legden lasten op, te zwaar om te dragen. Maar uitgaande van Gods almachtige genade. We hebben niets te verdienen in de Zin van een werknemer, die bij de baas z'n hand kan ophouden, omdat hij recht op loon heeft. In die zin opgevat had Klaas Kuipenga uit de dagen van de Afscheiding gelijk met z'n uitspraak: "Als ik één zucht tot mijn zaligheid moest 'toedoen, was ik eeuwig verloren". Doch als hij bedoeld heeft, .dat wij niets hadden te doen in dienst van de Heiland, dan had hij het goed mis..
Toen we voor een poosje spraken in een kring van brs. en zrs . over de zekerheid des heils bleek, dat die bij weinigen werd gevonden. Maar een zuster zei: "Ik ben er zeker van. Ik ben gekocht en betaald". En daarmee uit. Dat er van onze goede werken niet veel deugde stond voor haar vast. Daar kwam het ook zo niet op aan. M.i. is dat mee een gevolg hiervan, dat in de prediking veel te weinig een appèl wordt gedaan op de hoorders om enthousiast goede werken te doen. Er wordt wel gesproken in de leer over goede werken. 't Moest er ook nog bij komen dat dit niet gebeurde!
Maar een oproep, op de man en vrouw af, om ons te beijveren mis ik vaak. En ik, heb menige toespraak aangehoord in een zogenaamde Avondsluiting, Door meestal zich gereformeerd noemene predikanten. Er zijn voorgangers onder, die de lijdelijkheid aanpraten. Waar heeft Jezus dat gedaan? Waar doet de Schrift het? Dat we niet volmaakt zijn is algemeen bekend. Mij ook. Maar ik weet ook, dat we naar de volmaaktheid moeten jagen. En anders zijn we werkers der ongerechtigheid!