'Clair' en 'obscur' in onze verhouding tot God (4)

1985-08-09
  • Jaargang 29
  • nummer 30
Wij waren op onze wandeling door de Schriften terecht gekomen in het hooggebergte van Paulus' brieven. Daar zal ik ook in het allerlaatste artikel weer aanbelanden, maar eerst wil ik nog met u terug naar een paar plaatsen uit het Psalmboek, waarin we trouwens ook onze verkenningstocht gestart zijn.

(In de oorspronkelijke lezing gaf ik hier een verhandeling over het woord uit Psalm 65: 5a: "Welzalig die Gij verkiest en doet naderen, 'Opdat hij wone in uw voorhoven... ", een woord waarin majesteit en vertrouwelijkheid, 'obscur' en 'clair', beide aanwezig zijn. Ik bouwde later echter dit verhaal om tot een afzonderlijke radiolezing, die ik in de afgelopen maand juni voor de NCRV-microfoon hield. Binnenkort hoop ik die, samen met drie andere bijbellezingen voor dat 'doel, in ons blad te plaatsen.
Om verdubbeling te voorkomen laat ik haar hier weg - zoals ik trouwens de oorspronkelijke causerie op nog wel enkele andere punten heb 'bijgeschaafd, omdat ik destijds wel wat in haast had moeten werken. Dat heeft overigens 'de strekking 'Van het geheel in genen dele aangetast .. In plaats van over Psalm 65 wil ik nu iets zeggen over Psalm 115.) In Psalm 115 :3 lezen wij: ,;Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt". Dit ene woord kan op twee manieren gelezen worden, de ene keer heeft het iets zeer toegeslotens en majesteitelijks, de andere maal iets zeer opens en vertrouwenwekkends. Obscur' en 'clair' zijn er beide in aanwezig. De psalm moet wel uit de tijd kort na de ballingschap stammen. Israël heeft juist zijn wonderlijke herbegin in het land zijne vaderen mogen maken. Maar het wilde niet vlotten, de moeilijkheden waren vele. Zouden er bijvoorbeeld op de duur wel genoeg mensen zijn om het experiment te doen slagen? Zeker, een deel der Israëlieten had zich na de terugkaar uit Babel rondom het priesterhuis van Aäron in het oude land van Juda gevestigd, zelfs tot medebrenging van tot Israëls gemeente toegetreden vreemdelingen (‘zij die de Here vreesden’, vs 11 en 13). Toch zegt vs 14 betekenisvol: “De HERE moge u vermeerderen, u en uw kinderen”. Dat was niet zo maar een aardige wens. Precies daar wrong de schoen.

Maar nu Iaat de psalm het toch helemaal aan de Here God over hoe Hij Israël door die crisis van het begin heen. zal helpen. Er zit niets dwingerigs in. "Niet ons, o HERE, niet ons, maar Uw naam geef eer, om Uw goedertierenheid, 'om Uw trouw". Dat wil zeggen: wij vragen niet, Here. God, dat U ons tegenover onze omgeving in een triomfantelijk gelijk zult stellen, zodat wij klippenklare godsbewijzen in onze etalage kunnen' uitstallen.
Wij bidden niet in de eerste plaats om mirakels die ons ervoor behoeden tegenover de heidenen een modderfiguur te slaan. Geef liever Uw naam eer door die typische deugden van U in werking te stellen naar ons toe: uw goedertierenheid en Uw trouw, waaraan U zelf altijd weer zo'n verrassende invulling weet te geven. Inderdaad, Israël vreesde de spot der heidenen: waar is jullie God? Zelf .zaten die heidenen niet met die vraag. Waar 6nze god, waar ónze goden zijn? Hier!
En ze wezen naar de tempels vlakbij om de hoek, met de uitbundige cultussen daaraan verbonden, en naar de vruchtbaarheid van mens, dier en bodem die door die goden (zo geloofde men) werd gegarandeerd. Daartegenover kromp, de Israëliet in elkaar als hem die vraag werd gesteld. Althans, dat was z'n eerste reactie. Waar is ónze God? "Onze God is toch in de hemel? Hij doet al wat Hem behaagt." Wij hebben geen god op bestelling.
Hij is en controleerbaar in de hemel en daar doet Hij niet wat goed is In onze, maar in zijn ogen. "Hij doet al wat Hem behaagt." In het boek Prediker wordt hetzelfde gezegd van de aardse koning: "Neem het bevel des konings in acht, en wel' ter wille van de bij God gezworen eed; ga niet overijld van hem weg, bemoei u niet met een kwade zaak, want hij doet al wat hem behaagt; want het woord eens konings is machtig, en wie zal tot hem zeggen: wat doet gij? (8: 2-4): Tegenover de figuur van de koning of de machthebber in het algemeen kun je je beter gedeisd houden, dat is de strekking van deze passage. Prediker is duidelijk onder de. indruk, van. de macht en majesteit die zo'n mens heeft.· Welnu, ook de man van Psalm 115 is dat ten aanzien 'Van de Here God. Wij ,kunnen ons hem voorstellen, deze jood, bedremmeld en verlegen naar om hoog wijzend tegenover, de spottende goiiem (= heidenen): onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Zo spreekt een God vrezende. Maar. .. het is van de andere kant toch ook weer zo dat de Schrift niet onduidelijk is als het gaat over de vraag wat de Here God behaagt. Het welbehagen des Heren - dat is in de bijbel een aanduiding voor het heilsplan waarvoor God hemel en aarde beweegt om het gereed te krijgen. Zo wordt van koning Kores gezegd: "Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren".
En wat dat betekent wordt volkomen helder als we doorlezen: "...door tot Jeruzalem te zeggen: het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest" (Jesaja 44: 28). Op nog veel diepere wijze wordt dit waar in de grote knecht des Heren, van wie Kores slechts een voorafbeelding was. "Het welbehagen des HEREN zal door zijn hand gelukkige voortgang hebben" (Jesaja 53:10). Daar mogen wij óók en vooral aan denken als er in Psalm 115 gezegd wordt: “Hij doet al wat hem behaagt”. En de hemel ( “onze God is in de hemel”) – die staat er borg voor dat wat Gods liefde voor zijn volk wil bewerken, Hem door zijn vermogen niet wordt ontzegd. Zo bezien wordt Psalm 115:3 een werkelijk schitterende zin! Geen wonder dat dáártegenover alle Dagons van hun voetstuk vallen: “Hun afgoden zijn zilver en goed, het werk van mensenhanden; zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben ogen, maar zien niet…” enzovoorts (vs 4 e.v.). Deze poepgoden (nietwaar de drekgoden van de St. Vert.?) met hun pompa, wat maken ze nu eigenlijk klaar voor arme mensen die op goddelijke goedertierenheid en hemelse trouw zitten te wachten? “Maar wij, wij hebben onze God die leeft, die spreekt en hoort en die het leven (het onvergankelijk leven!) geeft aan alle stervelingen”, zoals de IKB zingt. Is het niet opvallend dat de dichter van Psalm 115 met die ene bewoording van vs 3 zowel de grootste eerbied als het grootste vertrouwen jegens de Here God tot uitdrukking weet te brengen? ‘Obscur’ en ‘clair’ zijn hier niet alleen bijeen, maar zelfs dooreen. In het vervolg van de psalm lezen we: “Israël, vertrouw op de HERE!” (vs 9 e.v.). Niet: Israël, begrijp de Here! Neen, vertrouw op Hem! Dat wordt ook gezegd tot het huis van Aäron, dat in Israël de theologie behartigde (als ik dat zo mag zeggen). Vertrouw op Hem, ook als Hij in zijn heilsplan wegen gaat die aan de wensen van de gemeente niet tegemoet komen maar haar zelfs lijken te bedreigen. “Hij is de HERE, Hij doet wat goed is in zijn ogen.” Over een tweede psalmwoord kan ik veel korter zijn. Het gaat om het verkiezingsgetuigenis in Psalm 135:4 : “Want de HERE heeft zich tot Jakob verkoren, Israël tot zijn eigendom”. De psalm heeft trouwens veel weg van de 115de. Verschillende thema’s die we daar tegenkwamen, komen ook hier voor. Ook de zin dat de Here God alles doet wat hem behaagt, treffen we hier weer aan (vs 6). Een beetje verwarrend vind ik het “wit” dat in de vertaling van het NBG is uitgespaard tussen de verzen 4 en 5. De gedachtegang loopt daar gewoon door, dacht ik. En het blijkt dan dat het woord over de goddelijke verkiezing geflankeerd wordt door twee zinnen die enerzijds Gods goedheid en anderzijds Gods grootheid prijzen. Vs 3: “Looft de HERE, want de HERE is goed" psalm zingt zijn naam want die is liefelijk", en vs 5: "Ja, ik weet dat de HERE groot is, dat onze Here boven alle goden is". Gods goedheid is het 'clair', Gods grootheid is het 'obscur'. Op beide stuiten wij als we ons met Gods verkiezing van zijn volk bezig houden.Als de psalm dan vanaf vs 6 doorgaat op, Gods grootheid (te beginnen met woorden die wij uit Psalm 115 al kenden!), valt het op dat ook die grootheid tenslotte weer in dienst. staat van zijn goedheid, getuige vs 12: die hun land ten erfdeel gaf, ten erfdeel aan Israël, zijn volk". Een mooi bewijs dat we de goedheid en grootheid van God nooit tegen elkaar uit mogen spelen.
Toch blijft de grootheid van God een eigen rol spelen, waarvoor het natuurgebeuren als getuige wordt opgeroepen. "Hij doetdampen opstijgen van het einde der aarde. Hij maakt bliksemen bij de regen, Hij doet de wind uit zijn: schatkamers uitgaan" (vs 7). Dit doet denken aan de verheven slothoofdstukken van het boek Job. Gods onbegrijpelijke en oncontroleerbare majesteit blijft een onmisbare component in de leer der verkiezing. Wij kunnen die niet helemaal op de noemer van de genade brengen. Vragen als: waarom juist Israël, waarom de gemeente, waarom ik? zijn niet te beantwoorden.

Tot zover over de genoemde psalmen. Toch wil ik aan het slot van mijn verhaal naar het Nieuwe Testament terug. Naar twee centrale woorden, één van de Here Jezus -uit Mattheüs 11 en één van Paulus uit Romeinen 9. Maar dat bewaren we voor een allerlaatste artikel. (het ‘slot volgt' van de vorige maal was een vergissing).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief