Hoe heffen Nederlands Gereformeerde predikanten hun preek aan?

2011-05-27
  • Jaargang 55
  • nummer 11
Hoe heffen Nederlands Gereformeerde predikanten hun preek aan? Op uiteenlopende wijze, zo blijkt uit rondvraag bij twaalf voorgangers. Wat ze echter allemaal delen, is het besef dat de aanhef de gemeente bepaalt bij de unieke setting waarin de preek wordt gehouden. ‘Het markeert de preek als meer dan zomaar een toespraak.’

De toon in een gesprek wordt gezet door de manier waarop de ene gesprekspartner de ander aanspreekt. De aanhef in een brief of een email bepaalt met welk gevoel de ontvanger verder leest. Wat breng je in de eerste paar woorden van een gesprek of een brief over? Afstand? Intimiteit?
Aan het begin van zijn tweede brief aan Timoteüs noemt Paulus de geadresseerde ‘mijn geliefd kind’. Johannes zegt in zijn eerste brief: ‘Kinderen, ik schrijf u...’ Zowel Paulus als Johannes geven op die manier blijk van een diepe verbondenheid met de lezers van hun brieven.
Aan het begin van een preek spreekt de predikant de gemeente op een bepaalde manier aan. Daarmee krijgt de preek een bepaalde kleur en lading. Welke factoren laat ‘de’ Nederlands-Gereformeerde predikant een rol spelen bij de keuze van de aanspraak van de gemeente?
Een inventarisatie onder predikanten uit de NGK laat zien dat er uiteenlopende manieren zijn waarop kerkbezoekers aan het begin van de preek worden aangesproken.
Belangrijk is de unieke setting waarin een preek wordt uitgesproken.
Het Woord van God wordt verkondigd aan de gemeente.
Voor de keuze van hun woorden leggen de voorgangers verschillende accenten.
Op één punt bestaat echter een hoge mate van eenstemmigheid: de predikanten krijgen niet of nauwelijks reactie op de manier waarop zij de gemeente aanspreken.

Tegenover
Luc Compagnie (Hengelo) richt zich aan het begin van de preek tot zijn toehoorders met de woorden ‘gemeente van onze Here Jezus Christus’.
Met de keuze van deze woorden volgt hij een traditie die volop Bijbels is, vertelt hij.
Ben Eikelboom (Barendrecht) zit op dezelfde lijn en spreekt de gemeente aan met ‘geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters’.
Hij motiveert: ‘Ik doe dat om de gemeente en mijzelf als prediker te bepalen bij de werkelijkheid dat de gemeente van Christus is en niet van mij of van zichzelf en om aan te geven dat de gemeente geliefd is door de Herder die zijn leven gaf voor zijn schapen.
Bij mezelf is het bewustzijn gegroeid en verdiept dat dát de werkelijkheid is.’ Ook Dick Lagewaard (Veenendaal) spreekt de gemeente aan met ‘geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus’ en voegt daar altijd aan toe ‘en gasten’. ‘Door zo te beginnen zet ik de toon voor de gemeente en voor mezelf’, legt hij uit. ‘Zo zien we elkaar en zo spreken we elkaar aan. En zo kunnen we ook van God iets verwachten.’ Lagewaard vindt dat een informele omgang met elkaar niet bepalend moet zijn voor de toon die vanaf de kansel klinkt. ‘Zelfs de jongeren noemen me bij mijn voornaam.
Maar op de preekstoel sta ik als een “tegenover”. Dat wil ik niet alleen zo, dat is ook zo.’ De invalshoek van Ton Vos (Assen) is vergelijkbaar. ‘In de regel spreek ik de gemeente bij de start van de preek aan met “gemeente van onze Heer”. In een enkel geval wijk ik daarvan af. Dan val ik gewoon met de deur in huis.
Dat is geen lang van tevoren gemaakte keuze, dat gebeurt gewoon, bijvoorbeeld als ik een stevige binnenkomer heb of in bijzondere diensten, zoals een praisedienst. Als er een gemengd publiek zit, zoals in een evangelisatiedienst, dan kies ik bewust een andere vorm, bijvoorbeeld “beste mensen”. Omdat ik soms afwijk van de aanspraak “gemeente van onze Heer”, is deze keuze dus niet heel diep principieel. Maar toch, ja, vóór mij zit de gemeente van de Heer en die mag ik het Evangelie van haar Heer doorgeven. Het markeert de preek toch even als meer dan zomaar een toespraak.’

Van Godswege
Alex Boshuizen (Oegstgeest) kiest eveneens voor de aanhef ‘gemeente van onze Heer Jezus Christus.’ ‘Ik kies deze formulering, omdat ik ervan overtuigd ben dat we allemaal samenkomen op de roep van onze Heer en samen bij Hem horen’, zegt hij. ‘Ik wijk daar dan ook niet vanaf voor een jeugddienst. Ik ga het dus niet wijzigen in “jongelui” of “jongens en meisjes”. Dat laatste doe ik alleen als ik een kinderverhaal vertel in de dienst, omdat de gebruikelijke aanhef dan iets potsierlijks krijgt en bovendien niet door kinderen wordt begrepen.’ Wilbert Scheffer (Zwolle Zuiderkerk) vindt het van het grootste belang dat de kerkganger zich van Godswege aangesproken weet. Wilbert begint daarom zijn preek met ‘broeders, zusters, gemeente van onze Heer Jezus Christus, en jullie die te gast zijn bij ons.’ Soms varieert hij hierop.
Willem Smouter (Apeldoorn) hanteert de woorden ‘broeders en zusters – jong en oud – gemeente van onze Here Jezus Christus.’ Hij licht toe: ‘In deze formulering zit een commentaar op de traditionele aanspraak “broeders en zusters, jongens en meisjes.” Dat zijn uiteraard niet vier verschillende groepen en bovendien denk ik bij jongens en
meisjes alleen aan de allerkleinsten.’

Zoals de Hebreeënbrief
Geert van Dijk (Sliedrecht) houdt er een andere benadering op na. ‘Aan het begin van de preek laat ik tegenwoordig de aanspraak “gemeente van (onze Heer Jezus) Christus” of vergelijkbare formuleringen weg of ik gebruik deze nog maar af en toe. Ik wil voorkomen dat mensen die geen lid van de gemeente zijn het gevoel krijgen dat ik ze niet wil aanspreken. Bovendien heb ik het idee dat ik in de eerste zin van mijn preek gelijk de aandacht moet vangen. Het risico is aanwezig dat sommige mensen bij de aanspraak “geliefde gemeente” al afhaken.
Als ik dat oversla, kan ik direct mijn punt maken. Een beetje zoals de Hebreeënbrief begint…’ Ook Dick Westerkamp (Houten) ziet er vanaf zijn preek speciale openingswoorden mee te geven. ‘Het past niet in de informele sfeer die we hebben in de gemeente’, motiveert hij zijn aanpak. ‘Ik begin dus gewoon te praten, soms met een vraag: is het u wel eens opgevallen dat…?
Vaak doe ik eerst een stukje preek om daarmee de schriftlezing in te leiden. Dan gaat het zo: “We lezen vandaag uit de profeet Sefanja. Terwijl u dat opzoekt, zal ik even toelichten in welke tijd deze man leefde, etc.”

Vrienden
Omdat hij de gemeente ziet als het huisgezin van God, bedient Piet Busstra (Bunschoten-Spakenburg) zich van de aanspraak ‘broeders en zusters, jongens en meisjes.’ ‘We zijn broeders en zusters van elkaar door het bloed van onze oudste Broeder,’ verklaart hij.
‘Een predikant is voor mij een vrijgestelde ouderling, een broeder onder zijn broeders en zusters. Daarbij komt dat onze manier van omgaan met elkaar informeel is.’ Koos Jonker (Nijmegen) spreekt zijn toehoorders meestal aan met ‘geliefde mensen’.
Hij zegt daarover: ‘Ik heb de manier waarop ik tot de mensen spreek aangepast vanwege niet-gelovige bezoekers in de gemeente. Meerdere bezoekers en niet-gelovigen zitten iedere zondag bij ons in de dienst. Dan is het niet passend steeds te zeggen ‘geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus’, hoewel ik dat een enkele keer wel doe. We proberen “wij-zij-taal” tot een minimum te beperken.’ Henk van der Velde (Voorthuizen-Barneveld) richt zich meestal tot zijn publiek met de woorden ‘vrienden van de Here Jezus’. Hij doet dat omdat het woorden van Jezus zelf zijn. De predikant verwijst naar Johannes 15:15, waar Jezus zegt: ‘Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb’.
‘Tot een jaar of drie geleden gebruikte ik vaker “geliefde gemeente van de Here Jezus Christus”,’ zegt Van der Velde.
‘Het woord “vrienden” heeft voor mij echter een laagdrempeliger karakter en is ook geschikt voor buitenstaanders die de diensten bezoeken. Het klinkt ook wat eigentijdser.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief