De diaken als bedienaar van het Woord (2)
1985-08-16
- Jaargang 29
- nummer 31
Onzekerheid, angst, desintegratie
We kunnen moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat de economische ontwikkeling sedert 1979, op zichzelf genomen geen bevredigende verklaring biedt voor de grote druk op de samenleving en de crisisachtige sfeer. Er is veel meer aan de hand: datgene, waarop de mensen hun vertrouwen stelden is wankel geworden. Zijn de wortels van onze nood dan toch immaterieel? Ik kan in, het bestek van deze beschouwing, niet verder komen dan een (te) grove schets.
De vragen met betrekking tot wat wij immaterieel noemen,zijn voor het diakenambt zeer relevant.
Welnu, dan is het inzicht onmisbaar, dat het welvaartsoptimisme en de staatsvergoeding geleld hebben tot een verkorreling van de menselijke verhoudingen die steun zouden hebben kunnen bieden in dagen van onzekerheid en angst. Zo heeft de aan de welvaartsgroei ten grondslag liggende efficiency een grootschaligheid vereist, die de samenleving kwetsbaar maakte: gif in het leidingwater, kwik in sinaasappels en nucleaire rampen in de atmosfeer. De wand tussen orde en chaos is buitengewoon dun geworden, een handige terrorist loopt er zomaar doorheen. De voor bewapening benodigde miljarden zijn tegelijkertijd oorzaak en gevolg van angst voor oorlog. De onbetaalbaarheid van het sociale systeem ging hand in hand met een ontmenselijking veroorzakende professionalisering van hulpverlening en maatschappelijke zorg. De productiviteitsgroei door automatisering, kende als begeleidend verschijnsel de uitstoot van arbeidskrachten uit hun vertrouwde werkomgeving. Opgejaagde mensen, de lijden onder gebrek aan geborgenheid, kwamen tegenover elkaar te staan in grimmige arbeidsverhoudingen.
De jongen en de ouden
Laat ik, om het beeld althans enigszins af te ronden, nog mogen wijzen op het verschijnsel, dat de spanning om te houden wat je hebt, de inactieven van de hoofdstroom afzondert. Ik heb daarbij niet zozeer de inactieven van actieve leeftijd, de werklozen op het oog. Er is in onze samenleving nog wel een vrij breed besef, welke gevaren hier dreigen. Het gaat mij om de Jeugd en de ouden. Sociale wetenschappers van de gehele westelijke wereld zijn het erover eens, dat de jeugd, zodra die van school komt, de samenleving ervaart als een gesloten structuur, die hun geen kansen geeft en hen niet nodig heeft. Zij wordt van haar toekomst beroofd.
Met hen staan de ouderen buiten het productieproces en worden ervaren als een te kostbare last. Het staat allerminst vast, dat de actieven van de nabije toekomst bereid zullen blijken, de via het omslagstelsel van de AOQ benodigde gelden ter beschikking ter beschikking te stellen. En ik vraag mij af, of in abortus en euthanasie zich niet de extreme voorlopers hebben aangekondigd van een massaal uitstotingsproces.
Terwijl ik dit zeg moet ik er aan denken, hoe de profeet Joël merkwaardig zich richt op de zonen en dochters, de jongeren, enerzijds en de ouden anderzijds: de generatie van de actieven wordt niet genoemd. Heeft Petrus het niet herhaald als wonderteken van de Pinksterdag? Welnu, tegen deze achtergrond is er allerminst reden om te juichen over individualisering en reprivatisering. Men zou zich daarover kunnen verheugen als teken van een hernieuwd besef, hoe de staatswellust de scheppingsorde heeft overwoekerd maar men moet die modewoorden vrezen, als zij uitdrukking blijken te zijn van een grimmig egoïsme.
Werkloosheid
Het is met name de massale werkloosheid, herinneringen oproepend aan de bittere crisis van de dertiger jaren, die, na jaren van volledige werkgelegenheid en een zelfs overspannen arbeidsmarkt, het vertrouwen in de toekomst heeft geschokt. In onze beheersingsdrift dachten wij, dat zoiets met meer kon gebeuren en zie, het gebeurt toch. Van 1979 tot 1985 steeg de geregistreerde werkloosheid van 210.000 tot 820.000 in 1984, om naar verwachting in 1985 te dalen tot 790.000.
Ik geloof niet dat ik mij vergis wanneer ik stel, dat voor het besef van de mensen de werkloosheid dé maat is, waarmee de diepte van de economische crisis wordt gemeten. Hoe ernstig de werkloosheid op' zichzelf ook is men ziet over het hoofd, dat de toename voor minder dan de helft het gevolg is van afbrokkeling van de werkgelegenheid, terwijl die afbrokkeling de uitstoot door automatisering geen crisisverschijnsel van economische aard is opgenomen.
Voor meer dan de helft is de toename het gevolg van het toenemende arbeidsaanbod. Dit arbeidsaanbod bestaat dan weer voor het grootste deel uit jongeren en is een doorwerking van de hoge geboortecijfers van de eerste jaren na de oorlog. Ook moet worden opgemerkt, dat de tot de arbeidsmarkt toetredende gehuwde vrouwen, in het raam van de , ' zgn. individualisering van het gezin, een factor van betekenis z!jn. Het gaat daarbij in de periode 1979-1985 zeker om ruwweg 100.000 arbeidsplaatsen." (Bronnen: Centraal Economisch Plan 1982 en 1985. Discussienota NCW januari 1984).
Ook in het veld van de arbeidsmarkt kan word er gezegd, dat het uitblijven en achterblijven van economische groei, waardoor een toegenomen arbeidsaanbod niet kon worden opgevangen, de belangrijkste factor is. De werkloosheid brengt voor de betrokkenen een aanzienlijke daling van het besteedbaar inkomen met zich mee, terwijl bij langdurige werkloosheid het gezin moet worden opgevangen door de bijstandswet. De moeite en het leed, die daarin meekomen, zijn niet gering. Toch zou ik, zonder daar iets vanaf te doen, willen stellen, dat het verdriet van uitgeschakeld te zijn, niet meer nodig te zijn, het buiten de omgang met collega's op het werk te moeten stellen en de doelloosheid en .verveling, overheersend is.
Vermindering van professionele en intramuralehulp
De gevolgen van economische stagnatie en een doorgeschoten uitgavenniveau van de staat worden niet alleen merkbaar' in de directe sfeer van het vrij besteedbaar inkomen; het snoeimes gaat ook door de kosten, verbonden aan professionele hulpverlening.
Te denken valt aan allerlei vormen van maatschappelijke dienstverlening, gezinshulp; bejaardenzorg, gezondheidszorg, opvoedkundige hulpverlening enz. Een specifieke sector binnen dit geheel is de intramurale zorg, die hulpverlening dus, die niet plaats vindt in of aan de huizen van de hulpbehoevenden, maar in instellingen. Te denken valt aan bejaardenhuizen, verpleeghuizen, ziekenhuizen, revalidatiecentra, rusthuizen en dergelijke. Het ligt in de lijn der verwachtingen, dat gestreefd zal worden naar verplaatsing van. de hulp naar de eigen woning. Samen met de in gang gezette de professionalisering betekent dit, dat in toenemende mate een beroep zal worden gedaan op de gezinnen en de particuliere relaties van de hulpbehoevenden.
Wij moeten dan ook verwachten, dat in de toekomst zich op dit terrein nieuwe diaconale taken zullen voordoen, waarbij de inschakeling van de gemeente en met name van de zusters, noodzakelijk zal blijken. Een beroep in geld en in arbeid, aldus.
Met geld alleen is het niet gedaan
Uit het voorgaande volgt, dat onze kerken zich moeten voorbereiden op stijgende diaconale lasten, zij het, dat die stijging waarschijnlijk beperkt van omvang zal zijn. Daar bovenuit wachten taken, die bestaan in bemoediging, troosten, begeleiden, adviseren en helpen met de daad. Dat beroep in geld, zal voor onze kerken nog moeilijk genoeg worden. Zij zijn namelijk ontwend, geld voor diaconale doeleinden op te brengen. Ik geloof niet dat ik ver mis ben als ik stel, dat de diaconale begroting niet meer dan 5 tot 7% uitmaakt van de kerkelijke. Dat is tekenend voor het in ons land bereikte welvaartsniveau en voor de effectiviteit, waarmee de staat de zorg aan zich heeft getrokken.
Het denken vanuit het periodiek ontvangen netto loon, heeft velen het zicht ontnomen op de formidabele bedragen die hiermee gemoeid zijn. Deze bedragen kunnen we enigszins leren kennen, als we kijken naar de zgn. overdrachtsuitgaven van de staat.
Dat zijn uitgaven, die bestaan uit gelden welke de staat, nadat zij deze heeft ontvangen van de burgers, weer weggeeft en dus niet zelf besteedt. Enkele voorbeelden:
Wet Werkloosheidvoorziening (WWV):
1970 - 170 miljoen
1980 - 2100 miljoen
1983: 7200 miljoen
- Bijstandsuitkeringen:
1970 - 1100 miljoen
1980 - 5600 miljoen
1983 - 10000 miljoen
- Studiebeurzen:
1979 - 690 miljoen
1983 -1380 miljoen
Daarbij moet in aanmerking worden genomen, dat in het jaar 1980 één gulden evenveel waardwas als 42 cent in 1970. Maar dan nog! Ondanks de toegenomen welvaart, leende de staat steeds meer geld; om het stelsel overeind te houden. Het financieringstekort van de staat bedroeg in 1970 4 miljard gulden en in 1983 34 miljard gulden. Dat geld moet worden geleend. en met rente en aflossing terugbetaald. Dit betekent, dat de voorzieningen van het heden, voor dat deel moeten worden betaald door de komende generatie Zo- gezien is het terugdringen van de staatsschulden zedelijke plicht (Bron: NRC Handelsblad 10 april 1985). De bedragen, die de overheid voor de overdrachtsuitgaven van de burgers vraagt, en die opliepen van 17% % van het netto nationaal inkomen in 1960 tot 46.3% in 1983, hebben de ruimte voor financiële hulp in het particuliere vlak sterk ingeperkt.
De heftige bezwaren, nog maar enkele tientallen jaren geleden in kerkelijke kring geuit tegen de alles overwoekerende staatszorg, zijn verstomd . We weten niet beter meer en we kunnen ons eenvoudig geen samenleving meer voorstellen, waarin de hulpbehoevende allereerst wordt geholpen binnen de kring van gezin en familie, daarna binnen de gemeenschap van de kerk, daarna door particuliere instellingen en tenslotte door de staat, die recht doet aan hen die zonder hulp zijn. De naastenliefde via het belastingbiljet - om een woord van Van Riessen aan te halen - is structureel in de samenleving verankerd. Een instorting van dit systeem zou dramatische gevolgen hebben: ontwrichting van ons democratisch stelsel, chaos, terreur, dictatuur. Ons volk zou waden door een zee van leed. Ze dachten bijna alles in onze macht te hebben, maar hoe kwetsbaar zijn we niet geworden.
In een tijd van grote onzekerheden, moeten diakenen hun werk doen. Wij moeten hopen, dat in een weg van voorzichtige ombuigingen en, een zich herstellende economie, de overheid de problemen meester wordt en dat geldgebrek -in de primaire sfeer inderdaad een beperkt verschijnsel zal blijven. an is het de vraag, hoe wij nu eigenlijk denken over dat diaconale ambt. Want weet u, die arme oude vrouw in Hoog Catharijne, was niet met geld geholpen.
(wordt vervolgd)