Wij belijden

1985-08-16
  • Jaargang 29
  • nummer 31
- De Nederlandse Geloofsbelijdenis toegelicht. Ds H. Veldhuizen en drs R.H. Kieskamp.
Uitgave van J. H. Kok, Kampen.
123 pag. Prijs f 19,50.

Dit boek bevat een behandeling van de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De auteurs behoren tot 'de modaliteit van de gereformeerde bond in de hervormde kerk. De één is predikant in Rotterdam en de ander in Leerdam. In een "Ten Geleide" merken de schrijvers op, dat hun geschrift een eenvoudige verklaring, van de NGB wil zijn, speciaal geschreven met het oog op gesprekskringen, Iidmatenkringen, mannenverenigingen en bijv .catechisatiegroepen van 18 jaar en ouder. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met ettelijke vragen. Dat is een voordeel 'Van dit boek. Want zodoende kan men er mee werken en de discussie aansleutelen. Ik noem enkele van die vragen: "De catechismusprediking wil o.a. ook toerusting zijn in het belijden van de kerk. Wat zijn de gevolgen van het nalaten van de catechismusprediking?" "Welke afgoden zijn er vooral in onze tijd? Welke is de grootste?" "Noemt u eens bepaalde gevolgen van loslaten van het gezag van de Bijbel."
“Heeft een christen ook een taak t.a.v, bijv. de milieuverontreiniging? Zo ja, welke?" Er worden hele goede opmerkingen gemaakt wanneer het gaat bijv. over artikel 5 en 7 - De Heilige Schrift (11): "Wilde God ons behoud niet, dan had Hij ons zijn Woord niet behoeven te geven." (p. 28) .
Bij artikel 12 - De Schepping - De engelen - "We moeten deze hoofdstukken (bedoeld zijn Genesis 1 en 2, O.M.) namelijk lezen door de bril van het geloof.
De wetenschap, die niet vanuit het geloof werkt. zal daarom ook nooit de scheppingsleer kunnen doorgronden." (p. 41) .
Bij artikel 13 - Gods Voorzienigheid - "Daarom zal een gelovige de gunst en goedheid van God ook niet afleiden uit Gods leiding in het wereldgebeuren, maar vanuit dat wat gebeurde op Golgotha, Daar zien we God in zijn Vaderhart." (p. 45) Bij artikel 33, dat handelt over de Sacramenten, worden de volgende kanttekeningen o.a. geplaatst: "We kunnen op het versterkende van de sacramenten niet genoeg nadruk leggen. God vraagt voor het gebruik van de sacramenten geen groot geloof, wel een oprecht geloof, dat echter zwak kan zijn." (p. 95) "Calvijn gebruikt het beeld van een bril en van medicijn. Ze geven versterking en genezing." (p. 95/96) Heldere tekeningen verduidelijken hier en elders in dit boekwerk één en ander.
In het kader van de bespreking van art. 34, waar het gaat over de H. Doop, waarschuwen de auteurs tegen een overschatten van dit heilig sacrament (alsof alles in de Doop gebeurd is tot zaligheid), maar ook tegen een onderschatten van de doopsbediening (alsof er niets gebeurd is).
De belofte van God wordt steeds geaccentueerd. "Niet ons geloof is eerst en dan Gods Verbond. God is in alle dingen het eerst." (p. 103)

Toch hebben wil bij alle waardering voor het vele goede in dit boek ook wel enige kritiek. De onderscheiding tussen wedergeboorte in ruimere en in engere zin acht ik niet gelukkig (zie pag. 73). Het kan de mens verleiden om eenzijdig te speuren naar het begin van het werk van 'de Heilige Geest in zijn leven, terwijl het gaat om het feit, dat de Heilige Geest metterdaad permanent met hem bezig is. Ik mis dan ook voor deze onderscheiding een nadere fundering in de H. Schrift. Het hoofdstuk over de ware en de valse kerk:" artikel 29 - vind ik niet sterk. Het is ook wel wat moeilijk voor mijn geachte collega's om over dit onderwerp concreet te schrijven. Want wanneer zij de opmerkingen over de zgn. nota van het ware kerk-zijn toepassen op de huidige situatie in de Ned. Herv. Kerk waarbinnen zij als ambtsdragers functioneren, rijst de vraag of men de betiteling: ware kerk wel kan toekennen aan de totaliteit van het hervormde kerkinstituut. Ik heb hierop niet een afgerond antwoord, Men kan dan wel opmerken, dat de ware gelovigen in eigenlijke zin de ware kerk vormen, maar een dergelijke vluchtheuvel biedt ons de NGB zèlf nergens. (p 87) Bij de uiteenzetting van de gedachtegang van artikel 36 - het ambt van de overheid - wordt het besluit van de gereformeerde generale synode van 1905 om een bepaalde zinsnede uit dit artikel te schrappen gehekeld. Het geldt de zin, dat het het ambt van de overheid is "om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen".
Als nadere motivatie voor de handhaving van de geciteerde volzin poneren de beide schrijvers dan het volgende: "Hoewel de overheid alle valse religie beslist niet te vuur en te zwaard uit de weg mag ruimen, dient ze in uitzonderlijke gevallen, die op haar terrein liggen, desnoods ook door dwang. en geweld datgene, wat tegen de ware godsdienst ingaat tegen te gaan." Ik acht deze nadere verklaring van het standpunt van de beide predikanten allerminst overtuigend. Wat zijn die uitzonderlijke gevallen dan?
En wat blijft er zo van de roeping tot "uitroeiing" in feite over? Trouwens we leven in een democratisch geregeerd land. Onze uiteindelijke conclusie: Al moeten verschillende dingen kritisch gelezen worden, toch meen ik, dat we hier te doen hebben met een boek, dat goede diensten bewijzen kan bij de behandeling van de Ned. Gel. Belijdenis. Ik verwacht dan ook, dat deze overzichtelijke uitgave zijn weg binnen de lezerskring van de gereformeerde gezindte zeker vinden zal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief