Aandacht voor de Heilige Geest (slot)
1986-04-25
"Zijn wij dan zo verdorven dat wij geheel en al onbekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad?- Jaargang 30
- nummer 17
Ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden."
Heidelberger Catechismus zondag 3 vraag en antwoord 8
Het eerste deel van dit antwoord is berucht geworden; uit dit volmondige JA hebben vele generaties christenen begrepen dat het al zonde is wat de mens doet. Vele generaties humanisten hebben er een bevestiging in gehoord van het sombere calvinistische dogma" dat tot hun afgrijzen elke menselijke mogelijkheid om iets goeds te doen ontkende. Het is merkwaardig, dat het TENZIJ in dit antwoord lang zoveel indruk niet gemaakt heeft als het JA.
De Catechismus heeft inderdaad willen uitspreken dat de natuurlijke mens tot in zijn diepste wezen verstrikt is geraakt in het kwaad. Die uitspraak staat echter niet op zichzelf, als een vernietigend vonnis dat de mens doelbewust de grond in boort. De aanwijzing van ons onvermogen om uit het drijfzand van de zonde weg te komen dient een heel ander doel: zij wil ons toedrijven naar Christus en naar de Geest.
Naar Christus, omdat Hij onze schuld verzoent; naar de Geest, omdat Hij ons tot nieuwe mensen wil maken. Want dat bedoelt antw. 8 met 'wedergeboren worden': op een geheel andere manier mens zijn, waarin het wèl tot de mogelijkheden behoort het goede te doen. Heel duidelijk komt dit tot uitdrukking in zondag 32 antw. 86, waar van Christus staat dat Hij ons "door zijn Heilige Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij met geheel ons leven aan God dankbaarheid bewijzen voor zijn weldaden." Op soortgelijke wijze spreekt zondag 44 antw. 115 door ons te wijzen op "de genade van de Heilige Geest om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, tot wij na dit leven de beloofde volmaaktheid bereiken." In zondag 8 antw, 24 wordt deze vernieuwing zelfs typerend geacht voor het werk van de Geest:' zoals aan God de Vader onze schepping en aan God de Zoon onze verlossing, zo wordt aan God de Heilige Geest onze heiliging toegeschreven.
Het is zonneklaar dat de Catechismus zich bij deze gedachtengang heeft laten leiden door het Nieuwe Testament. In 2 Thess. 2 : 13 is met zoveel woorden sprake van 'heiliging door de Geest', terwijl de vermaning in1 Thess. 4 : 3-8 om heilig te 'leven veelzeggend besloten wordt met de uitspraak dat God "u immers ook zijn Heilige Geest geeft." Bekend is hoe Paulus in Galaten 5 het leven door de Geest stelt tegenover het leven in het vlees (vs 16-25).
Dezelfde lijnen trekt hij in Rom. 8 : 5-13 ter ontvouwing van zijn stelling in vs 4, dat "de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest." Daarbij valt te bedenken, dat Paulus met het woord' 'vlees' aanduidt hoe de mens van nature verkocht is onder de zonde (Rom. 7 : 14), een speelbal is van zondige hartstochten (Rom. 7 : 5) en zo valt onder het oordeel van God (Gal. 6 : 8). Door de Geest tegenover het vlees te stellen, laat de apostel dus scherp uitkomen dat Hij, naar het Woord. van Titus 3 : 5, inderdaad de Geest van wedergeboorte en vernieuwing is.
Hoe komt het nu tot stand, dat vernieuwde werk van de Geest?
De Catechismus geeft daarvoor een belangrijke aanwijzing. In zondag 1 antw. 1 wordt gezegd dat Christus een mens door de Heilige Geest "van harte gewillig en bereid maakt om voortaan voor Hem te leven." Hier wordt dus niet de verwachting uitgesproken, dat wij door de werking van de Geest krachten zullen ervaren die ons brengen tot dingen waartoe we onszelf nooit in staat hadden geacht.
Veeleer ziet de Catechismus de Geest schuilgaan achter onze eigen lust om te doen wat Christus behaagt. Zo spreekt ook zondag 33. vraag en antw. 90: "Wat is de opstanding van de nieuwe mens? Hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven." Ook hier geen verwijzing naar een macht die ons overrompelt; de nieuwe mens is hier eenvoudig de mens die uit volle overtuiging voor het goede kiest. Deze gedachte, dat de Geest een mens nièt om zo te zeggen op sleep...: touw neemt, maar juist aktiveert tot eigen beslissingen in volle verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten, keert terug in de Dordtse Leerregels. Ik citeer: "De vernieuwende Geest opent het gesloten, Hij vermurwt" het verharde en besnijdt het onbesneden hart. (...) De dode wil maakt Hij levend, de verkeerde goed, de onwillige gewillig" de weerspannige gehoorzaam.
(... ) De wil nu die vernieuwd is, wordt dan niet alleen door God gestuurd en bewogen, maar eenmaal door God in beweging gebracht werkt hij ook zelf." (DL III/IV 11, 12) Hier wordt o.a. verwezen naar de belofte die de HERE doet in Ez. 36 : 27: '"Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt."
De Geest maakt blijkens dit woord inderdaad weerspannige mensen gehoorzaam en onwilligen gewillig. Terecht konkluderen de Dordtse Leerregels hieruit, dat de zo vernieuwde mens zèlf ook wil leven in overeenstemming met Gods geboden.
Hij voelt er zich niet toe gedrongen; hij kiest ervoor in een eigen wils beslissing.
Van Ruler zegt het zo: "Een mens merkt van dit inwendige handelen van de Geest in zijn hart niets anders, dan dat hij zelf tot zijn eigen verbazing handelt. (... ) Zo grondeloos verborgen is dit inwendige werk van de Geest. Hij neemt geheel en uitsluitend de gestalte aan van een werk van de mens."
Het is van belang, ook als het gaat om levensheiliging, bijbelse verwàchtingen van de Heilige Geest te hebben. Onze menselijke onmacht en onwil om God te dienen hebben niet het laatste woord en mógen dat ook) niet hebben. Beter nog is het te zeggen: zij hóeven het laatste woord niet te hebben. Want dat het niet màg, dat dragen veel christenen als een beklemmende last met zich mee. Zij weten dat de Here hun hart vraagt, maar stuiten dagelijks op de hartstochten van zelfzucht en materialisme, hoogmoed en haat. Zij kunnen zichzelf dan dwingen tot belangstelling voor anderen en vrijgevigheid, nederigheid en liefde, maar wat een gekunstelde levenshouding is dat en hoe springlevend blijven die met geweld bedwongen hartstochten! Nooit kunnen wij door. de wet de zonde overwinnen.
En daarom is het zo'n grote genade van God dat Hij ons de Geest tot levensheiliging heeft geschonken. Want Hij wil de wet in ons hart schrijven (Jer. 31 : 33), zodat het niet aangeleerd maar ècht is, het houden van de geboden. De Catechismus is de eerste om te erkennen dat onze verwachtingen niet te hoog-gespannen moeten zijn. Volmaaktheid is in dit leven niet bereikbaar; "zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven slechts een klein begin van deze gehoorzaamheid." (zondag 44 antw. 44) Niettemin: het is een begin. En wat zien wij dat vaak over het hoofd! Op het moment, dat je geraakt wordt door het evangelie van Gods liefde en walgt van je eigen kleingeestigheid, is er die nieuwe mens, die hartgrondig afscheid neemt van het oude leven. Op het moment, dat je, zonder erbij na te denken bijna, grijpt naar het psalmboek om getroost te worden door de hemelse Vader, schept de Geest in jou een mens die enigszins lijkt op de Here Jezus. Op het moment, dat je, getroffen door de nood van een medemens een gift overmaakt naar Stichting 'Redt een Kind' en dat werk opdraagt aan God, is er die lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.
Het is inderdaad kenmerkend voor de vernieuwing van de Geest dat het een verborgen werking is (DL III/IV, 12). Je vindt het eigenlijk zó 'logisch' dat je je klein voelt worden onder Gods genade, in de bijbel naar troost zoekt en 'Redt een Kind' een 'warm hart toedraagt, dat je er geen erg in hebt dat de Geest hier klinkende overwinningen heeft geboekt op de zonde. Daarom is het goed, zo af en toe eens aandacht voor de Heilige Geest te hebben. Want Hèm komt de eer toe voor de bewuste en vrije keuze die wij maken om God te dienen. Van Hem ook mogen we verwachten dat wij hoe langer hoe meer gewillig en bereid zullen zijn om voor de Here te leven. Hoezeer die verwachting gevoed wordt door onze eigen gereformeerde traditie, moge blijken uit een laatste, wel heel blijmoedig citaat uit de Dordtse Leerregels: "Waar de hardnekkige tegenstand van het vlees eens volkomen de overhand had, daar krijgt nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand en hierin is de waarachtige en geestelijke vernieuwing en vrijheid van onze wil gelegen." (III/IV 16) Deze woorden laten geen plaats voor een fatalistisch berusten in de zonde; veeleer drukken zij uit dat de zonde in het christelijk leven aan de verliezende hand is. Zelfs is hier van een vrije wil sprake; dat houdt in, dat een mens die naar de Geest leeft, vrijwillig gehoorzaam is aan God: hij doet zichzelf geen geweld aan en forceert zich niet tot christelijk leven, maar is geheel zichzelf in het leven met de Here. Dit is Calvinisme op z'n zonnigst!
Het doel van deze artikelen was, na te gaan in hoeverre wij vanuit de Reformatie hen tegemoet kunnen gaan, die zich aangetrokken voelen tot evangelische kringen. Nu is hier verre van volledig over de reformatorische kijk op de Heilige Geest gesproken. Vast staat, dat het een illusie is om te denken dat 'gereformeerd' en 'evangelisch', gezien hun gemeenschappelijke aandacht voor de Geest, simpelweg in elkaars verlengde liggen. In mijn artikelen over doop en overdoop in "Opbouw" van januari 1985 heb ik gewezen op niet onbelangrijke verschillen, die een waarschuwing tegen een bepaald soort 'evangelisch' christendom rechtvaardigen.
Toch zou ik nadrukkelijk de vraag willen stellen, of wij ons niet meer zouden moeten inspannen om ons kerkelijk leven herkenbaar te houden voor evangelisch georiënteerde kerkleden.
Het zou wel eens kunnen zijn, dat velen die in een of andere evangelie-gemeente terecht komen, de specifieke eigenaardigheden daarvan op de koop toenemen en in wezen alleen maar geïnteresseerd zijn in een Geestelijk leven, dat zij bij óns zouden moeten kunnen verwachten. Ik heb de afgelopen weken willen aantonen, dat de volgende verlangens volstrekt gereformeerd zijn:
1. Het verlangen naar gemeenschap.
Gemeenschap met Christus, in de zin van een persoonlijke relatie, een nauwe band, met Hem. En gemeenschap met elkaar, in de zin van een gezamenlijke beleving van die relatie, een echt delen van het geloof met elkaar.
2. Het verlangen naar een levend geloof, waarbij het hart geraakt wordt door het evangelie en de kerkdienst niet slechts verstandelijk, maar existentieel beleefd wordt.
3. Het verlangen naar leven vanuit de wedergeboorte en de vernieuwing van de Heilige Geest, waarbij zowel wereldgelijkvormigheid als wetticisme plaats maken voor echtheid in het christelijk leven.
Veel mensen koesteren deze verlangens. In de praktijk stuiten zij bij gereformeerden nogal eens op onbegrip als zij ze kenbaar maken en worden zij daarmee in de armen gedreven van de evangelische beweging. Wat zou het fijn zijn, als zij zouden merken dat er voor deze verlangens en dus voor henzelf Ook in het gereformeerde kerkelijke leven volop plaats is. Echt, we zijn het aan onze identiteit als reformatorische christenen verplicht, om aandacht voor de Heilige Geest te hebben.