Eens of steeds opnieuw?
1986-05-09
Zoals de mens oude kleren uittrekt en nieuwe aandoet, zo legt de ziel die van het lichaam is losgekomen oude lichamen terzijde om nieuwe aan te doen.- Jaargang 30
- nummer 19
Bhagavad Gita II, 22
Zowel ik als gij zijn door vele geboorten heengegaan; de mijne zijn mij bekend, maar gij kent niet de uwe.
Krisjna tegen Arjoena Bhagavad Gita IV, 5
Cirkelgang
In mijn editie van de Bhagavad Gita, 1) een van de gewijde geschriften van de - Hindoes, staat een plaat die de levensstadia van de mens voorstelt.
Een kind wordt geboren, groeit op; jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom, dood - en dan een "zie” die van het lichaam van de gestorvene wegvliegt, naar, het embryo toe.
Het zal de lezer duidelijk zijn dat je zoiets moeilijk kan tekenen, als er niet een soort cirkel wordt gevormd en dat is ook inderdaad het geval.
Wat je ook van reïncarnatie zeggen kan - en er zijn. diverse vormen, zoals nog blijken zal in elk geval worden al die zienswijzen gekenmerkt door een cyclische visie. Het leven - de levens - vormt een keten, een kringloop, bijna eindeloos.
Met name de godsdiensten van -hat Oosten, het Hindoeïsme en het Boeddhisme, hebben - ondanks, hun verschillen - deze visie op het leven gemeenschappelijk. Het leven is een wiel, een eindeloze, rondgang.
Wij westerlingen, die in de joods-christelijke traditie staan - en ook "ketters" als Karl Marx - zien de geschiedenis, van de enkeling èn van de mensheid, als een lineair gebeuren. Niet de cirkel, het wiel, geeft het juiste beeld van het, leven, maar de pijl. Zegt de Schrift niet dat God schiep “in den beginne"? Zegt Christus niet dat Hij met ons zal zijn "tot het einde der tijden”?
Spreekt de Brief aan de Galaten niet over "de volheid des tijds"? (6: 7). Veel meer voorbeelden vallen aan te halen; onmiskenbaar spreekt de Bijbel van een schepping die er eens niet was. En van een Schepper die "in den beginne" hemel en aarde heeft gemaakt en daar sindsdien een weg mee is gegaan. Het is een weg die ergens begint en ergens heengaat.
Geen cyclus van "eeuwige wederkeer", maar een weg naar een doel.
Definities
Het is goed om, in het licht van deze opmerkingen, te letten op de definitie van reïncarnatie die gegeven wordt in de Encyclopedie van Mystiek en Okkultisme (uitgave Elsevier). Daar lezen we: "De leer van-de reïncarnatie berust op het geloof dat er in iedere mens een element aanwezig is dat, onafhankelijk van zijn fysieke gedaante, na zijn dood in een ander lichaam geboren kan worden." Iets verderop in hetzelfde artikel lees ik: "Volgens de christelijke leer heeft de mens slechts één leven om het lot van zijn ziel te bepalen, maar de leer van de reïncarnatie vergelijkt de levens van de mens met de sporten van een ladder; steeds wanneer een mens opnieuw geboren wordt, gaat hij een trede omlaag of omhoog, al naar gelang de manier waarop hij zijn vorige leven geleid heeft." 2)
Drie kanttekeningen bij deze woorden die verder voor zich zelf spreken. In de eerste plaats lezen we dat het hier om een geloof gaat, dat aangehangen wordt zonder dat men dit gegeven bewijzen kan. Daarmee is op zich niet per se iets ten nadele van dat alles gezegd: het is echter een gelóóf, dienen we te beseffen.
Ten tweede, lezen we dat een element wedergeboren wordt: Dat zou, denk ik, wel eens kunnen samenhangen met het feit dat fervente aanhangers van de reïncarnatiegedachte als de Boeddhisten het bestaan van de ziel ontkennen. Ook vinden ze het niet relevant de vraag te stellen of God (een god) bestaat.
Men heeft hun visie wel eens "mystiek atheïsme" genoemd, met enige grond van spreken.
In de derde plaats staat er niet dat we in een 'menselijk lichaam worden herboren, maar in een ander lichaam terechtkomen.
In diverse Hindoegeschriften komt de gedachte naar voren dat we ook als dier, als plant, als insekt, etc.. kunnen 'terugkomen'. En dan mag die leer strikt genomen te onderscheiden zijn van ons thema ("metempsychose" tegenover "reïncarnatie"), het is duidelijk dat het hier om hetzelfde gegeven gaat.
Pessimistisch
De gedachte om als insekt of als dier terug te komen is voor lang niet ieder een even plezant vooruitzicht. Het geeft ook meteen al aan hoe diep tragisch de visie van Hindoes en Boeddhisten op "wedergeboorte" is. Zijn westerse reïncarnatie-aanhangers veelal optimistisch - wat je in dit leven niet aan potentieel eruit gehaald hebt kun je in een volgend leven opnieuw aanpakken - de oosterlingen zijn dat beslist niet! Ze zijn pessimistisch.
Het is uiterste rampspoed om steeds opnieuw geboren te worden. Was men tot het hoogste - de staat van Verlichting - gekomen, dan hoefde men niet opnieuw te worden geboren.
En al is het Boeddhisme op diverse punten anders gezind dan het Hindoeïsme, hier is men het volledig eens. Samsara, het Rad der Wedergeboorte, betekent rampzaligheid, diepe· tragedie.
Karma
Dat hangt rechtstreeks samen met het begrip Karma. 'Karma' wil zeggen je levenslot, zoals dat "ergens" wordt bijgehouden.
Het goede en kwade dat je in het leven gedaan hebt worden tegen elkaar afgewogen en van die totaalscore hangt het af of je in een hoger en beter leven terechtkomt of juist niet.
Dat Karma is rechtvaardig, maar volkomen onbuigzaam.
Het volgt je na en betekent hetzij beloning hetzij bestraffing.
Geen mens treft een levenslot dat die persoon niet verdient; ten goede of ten kwade, ieder lot dat je overkomt is geworteld in je vroegere levens. Onrechtvaardigheid komt niet voor.
Die visie heeft nogal gevolgen gehad -voor de omgang met de verschoppelingen, de onaanraakbaren, de paria's, die in de laagste kasten huizen. Verdienen ze dan ons mededogen, als ze hun ellendig lot in vorige levens zelf hebben opgebouwd?
Er is immers niets aan te doen!
Laat ze goed proberen te leven, dan zullen ze na hun sterven in een ietsje hogere zijnswijze terugkeren ....
De enige Bijbeltekst die Hindoes vaak citeren is de tekst: Wat een mens zaait zal hij oogsten.
Dat wordt opgevat als zaaien in één leven en oogsten in het volgende, waar de tekst op geen enkele wijze aanleiding toe geeft!) Wat eruit blijkt is dat ze het uiteraard als rampspoed beschouwen, als je in een lage kaste geboren wordt. Maar feitelijk is het überhaupt rampspoed, als je geboren wordt, want dan heb je je karma nog niet uitgeput. Dan haak je nog aan je "ego", je eigen "ik” dat je altijd weer parten speelt. Dan ben je nog niet één geworden met de kosmos, met Brahmaan, de Ene - god. En tenzij je op weg bent naar de Verlichtingzoals de Boeddha, die er, volgens sommige berichten, 1,8 miljoen levens over deed - is het een haast uitzichtloze keten.
Geboren worden
Al zijn er heel wat verschillen tussen Hindoeïsme en Boeddhisme, op dit punt is er weinig reden scherp te onderscheiden.
Bij dit verhaal, dat begon met citaten uit de Hindoegeschriften, daarom, ter (voorlopige) afronding een passage uit het Bardö Thödol, het Tibetaanse Dodenboek. Dat pretendeert te vertellen wat er met de ziel gebeurt, als die van het lichaam is losgekomen. Na een periode van loutering ervaart het bewustzijn dat ze als een speelbal rondtolt. "Dan is het ogenblik gekomen waarop verschrikkelijk en onverdragelijk, de felle wind van het karma u met woeste vlagen opjaagt. Na enige tijd zal de gedachte bij u opkomen: ,,0, wat zou ik er niet voor willen geven een lichaam te bezitten." Dan zal de ziel in verleiding gebracht worden door Visioenen van parende mensen en dieren en zal hij een drang voelen om de plaats van een van beiden in te nemen.
Het gevoel dat u dan ervaart zou u doen vervagen, juist wanneer ei en zaad zich verenigen.
En daarna zult u bemerken dat u verwekt bent als mens of dier." 3)
Het zal duidelijk zijn, voor wie nog niet geconstateerd had, dat we hier niet op bijbelse bodem staan.
1) De Bhagavad Gita zoals ze is, I. Trust de Bhaktiveranta Boek, Amsterdam, z.i.
2) J. Ferguson ed.
3) Lama Anagavika Govinda, De Weg der Witte Wolken.
Een voorbeeld van reïncarnatie.
SHANTI DEVI
De gerichtheid van ons bewustzijn is echter niet alleen afhankelijk van De kracht van ons spirituele streven, maar tot op zekere hoogte ook van de intensiteit van onze emoties, vooral als deze verband houden met een religieus streven, een heilige plicht of een warme menselijke relatie die op een zuivere en onbaatzuchtige liefde is gebaseerd. Indien dergelijke emoties op het moment van sterven erg sterk zijn, kunnen zij ertoe leiden, dat de herinnering eraan bewust wordt meegedragen naar een volgend leven, waarin zij vooral levendig zullen zijn in de kindertijd, voordat nieuwe indrukken en ervaringen hen hebben kunnen verdringen.
Een geval van deze soort kwam mij in de winter van 1935-1936 ter ore.
Een meisje, dat Shanti Devi heette en met haar ouders in Delhi woonde, hield bij hoog en bij laag vol dat zij getrouwd was en dat haar echtgenoot, Kedarnath Chaubey, samen met haar zoon in Moettra woonde, een stad die ongeveer 130 kilometer van Delhi is verwijderd. Toen het meisje voor de eerste keer op die manier begon te praten was zij nauwelijks drie jaar oud en niemand nam er enige notitie van, in de mening dat het slechts om het gebabbel van een kind ging, dat de volwassenen imiteerde. Maar toen het meisje ongeveer acht jaar was en nog steeds volhield dat zij man en kind had, begon haar oom, professor Kischen Chand, te vermoeden dat er iets meer dan alleen maar fantasie van een kind achter zat. Hij ontdekte dat in de door Shanti Devi omschreven plaats inderdaad een man woonde, die Kedarnath Chaubey heette. De hoogleraar liet er geen gras over groeien en stelde zich direct met hem in verbinding, waarbij hij hem alles vertelde wat het kind had gezegd.
Het nieuws schokte hem nogal, want Kedarnath Chaubey was inmiddels opnieuw getrouwd en men vreesde, dat iemand hem en de hoogleraar in het ootje had genomen. Toen echter bleek dat alle feiten precies klopten, stemde hij er tenslotte in toe, Shanti in haar ouderlijk huis te ontmoeten.
Op 13 november 1936 arriveerde Kedarnath Chaubey met zijn tweede vrouwen zijn tienjarig zoontje in Delhi. Shanti was tevoren niet over hun komst ingelicht. Zodra zij echter de kamer binnenkwam, waarin haar ouders met de bezoekers bij elkaar zaten, herkende zij Kedarnath als haar echtgenoot en de jongen als haar zoon. Met tranen in haar ogen omarmde zij haar zoon en sprak hem aan met de koosnaampjes die haar echtgenoot zich zo goed herinnerde. Als hij ook maar even aan haar identiteit had getwijfeld, was daar nu het laatste spoortje wel van verdwenen. Zij herinnerde haar echtgenoot ook aan een aantal kleine gebeurtenissen van intiem karakter, die alleen hem en haarzelf bekend konden zijn. Het bewijs was daarmee volledig.
Nu begonnen ook andere mensen zich voor haar geval te interesseren en de voorzitter van de Indiase Journalisten Vereniging, en lid van het parlement, begon het geval diepgaand te onderzoeken, om zichzelf van de waarheid van Shanti's 'zogenaamde' prenatale herinneringen te overtuigen. Hij nam haar daartoe mee naar Moettra en verzocht haar, hem en de anderen die hen vergezelden de weg naar haar vroegere huis te wijzen. Shanti leidde het gezelschap zelfverzekerd rond langs de vele nauwe lanen en kronkelende straten van de stad; tot zij bij het huis kwamen, waar zij met haar echtgenoot had gewoond. Maar onmiddellijk merkte zij op dat het huis .een ander kleurtje had gekregen. 'Ik herinner mij, dat het geel geschilderd was en niet wit, zoals nu!' riep hij uit.
Dit klopte. Kedarnath had na haar dood het huis verlaten en de nieuwe bewoners hadden het wit geschilderd. Daarop nam Kedarnath het gezelschap mee naar zijn nieuwe woning en later ging Shanti hen voor naar het huis van haar vorige moeder. Ook daar merkte zij onmiddellijk bepaalde veranderingen op. ‘Er was vroeger een bron in de tuin', zei ze, 'wat is ermee gebeurd?' Ze wees de plaats aan, waar de bron vroeger was geweest en toen men op die plaats begon te graven, werd de bron onder een zware platte steen, bedekt met aarde, gevonden. Ook herkende zij haar vorige ouders en haar vroegere schoonvader, een oude Brahmaan, die gebukt ging onder de last der jaren: Shanti's geheugen bleek het in iedere bijzonderheid bij het rechte eind te hebben.
Zij zou graag bij haar vroegere zoon. gebleven zijn, maar zij realiseerde zich dat ze hem niet bij zijn vader weg kon halen. En wat haar vroegere echtgenoot betreft, ze wist dat zij geen rechten meer op hem kon laten gelden, omdat hij opnieuw was getrouwd.
Zo werd haar langzaam duidelijk dat de huwelijksband en het moederschap zich niet tot voorbij de grenzen van de dood handhaven, wiens eigenlijke taak het is, ons van deze banden en het verdriet van scheiding en herinnering te bevrijden, zonder datgene te vernietigen, dat wij hebben gewonnen door ons vermogen tot het liefhebben en dienen van anderen. Zo zijn wij in staat om degenen, die wij eens liefhadden onder nieuwe omstandigheden en in een nieuwe gedaante te ontmoeten, zonder door de beperkingen van vroegere banden en de herinnering aan een onherroepelijk voorbij verleden te worden gehinderd ...
Shanti Devi is nooit opnieuw getrouwd, maar zij wijdde haar leven aan het dienen van anderen. Ze werd een buitengewoon bekwame lerares aan een school voor voortgezet onderwijs in Delhi. Vrienden die haar' persoonlijk kennen, vertelden me dat zij een intens religieus leven leidt en een Ashram wil stichten, waar zij zich volledig aan haar sadhana wil gaan wijden en aan hen, die haar religieuse idealen met haar delen.
Uit: Lama Govinda Anagavika. De Weg der Witte Wolken, Bres-Boek, Den Haag, 1978.