Nationale economie in de jaren dertig
1986-05-09
"Aanpassen", was het motto van dr H. Colijn, de sterke minister uit de jaren dertig. Hij wenste een gave gulden te handhaven, al was het maar om het nationaal zelfrespect op peil te houden; maar hij had ook betere motieven. De socialisten konden dat woord overigens wel gebruiken; ik herinner me een spotprent van een arme sloeber, staande voor een welgevulde kleren-etalage, die mompelde: aanpassen. . . .- Jaargang 30
- nummer 19
Zo bedoelde Colijn het niet.
Maar hij had bepaald tegen, dat hij, als zeer gefortuneerd bekend stond; men vreesde dat hij van dat gewenste aanpassen zelf geen last zou hebben. En het is waar, dat de christelijke regeringen van die jaren weinig hebben gedaan om de groeiende armoede en werkloosheid te verzachten, laat staan te genezen.
Nu ja, de beroemde tomatensoep + 1 bal gehakt in blik, voor werkelozen, (gemaakt van op de veiling onverkochte tomaten en slachtingen van overtollig vee) moet op haar credit worden geschreven.
Maar waarschijnlijk kende onze regering nog geen andere leus dan "de tering naar de nering zetten". Zij kende nog niet het verderfelijke systeem, dat na de oorlog gekoesterd werd: rustig een tekort van tien en meer procent op de staatsbegroting te aanvaarden, en zo de spaarpotten van onze kleinkinderen op te souperen. Weliswaar: is dit systeem onder rode ministeries ontstaan, maar de huidige rechtse regering heeft nog steeds een onmenselijke taak, het tekort binnen toelaatbare grenzen terug te pompen.
Voorzover een tekort toelaatbaar is.
De overheid van toen had zelf de handen vol om de touwtjes aan elkaar te knopen. Over het leger afschàffen - zoals de socialisten eisten - dacht men niet.
Maar kinderbijslag, collectieve arbeidsovereenkomsten, en algemene ziekteverzekering werden ons pas later door de Duitse bezetter onderwezen. Er waren vakbonden - maar een christen kon er moeite genoeg mee hebben.
Toen ik eens bijna was geworven voor een christelijke kantoorbediendenbond en nauwkeurig alle materiaal bestudeerde, werd ik op het laatste ogenblik getroffen door een vetgedrukte vraag: of is jouw winterjas nog dik genoeg? Het was geen speldeprik maar een adderbeet - want ik bezat geen winterjas. Ik ben dan ook geen lid geworden. Maar een collega in Arnhem (ik zou de bank kunnen noemen), die op het gekanker van zijn omgeving reageerde met: eigen schuld mensen, wordt lid van een bond en maakt een eind aan alle onrecht was binnen een half uur verklikt, binnengeroepen en ontslagen.
Het moet achteraf begrijpelijk heten, dat ook in de gereformeerde kerken mensen zich aansloten bij de Nationaal-Socialistische Beweging, en de Christen-Democratische Unie.
Ik verklap hiermee geen geheim, want de synode van 1936 heeft openlijk aanbevolen, deze mensen van het avondmaal te weren. Waarmee onze kerken zich onchristelijk vergaloppeerden.
Ook bij ons waren er mensen, die verwachtingen koesterden van NSB of CDU omdat ze de ARP en de CHU zat waren.
Onze kerken zouden beter hebben kunnen doen dan deze mensen als goddelozen onder de ban te brengen. Persoonlijk herinner ik me sympathieke kerkleden, die onder het vonnis vielen.
De opkomst van het Duitse Nazidom was al een lang dreigende onweerswolk. Bij de "vrede" van Versailles was aan Duitsland het recht ontzegd, eigen wapen- of munitiefabrieken te hebben. Dit was een ondragelijke inbreuk op een nationaal recht tot zelfverdediging.
om die reden bouwde Duitsland zijn wapenfabrieken even buiten zijn grenzen. (In Hengelo (0.) kwam bijvoorbeeld een fabriek van vuurleidingsapparatuur, die vandaag nog werkt, zij het voor Nederland.) Maar Duitsland werkte aan zijn bewapening!
Toen Nederland graag zijn boter naar de Oosterburen exporteerde, waren de Duitsers bereid met kanonnen te betalen.
Ze hebben woord gehouden, maar de vuurmonden waren in 1940 verkeerd gericht! En onze regering wist van niets! Zo beloofde Duitsland aan zijn arbeiders - die allen in de oorlogsindustrie werk en loon vonden - dat. ze straks allemaal in een Volkswagen zouden rijden.
Het is er van gekomen, zij het dat de auto's camouflagekleuren droegen en de jongens de dood tegemoet gingen. Maar ook dat volk zag niets!
Overigens, het was een tijd waarin een volk zijn overheid respecteerde en geloofde. Begrepen of onbegrepen. Duitse leiders hebben de goedgelovigheid misbruikt. Nederlandse leiders hebben hun onderdanen onvoldoende voorgelicht, zagen wellicht zelf niet meer dan een in het zand gestoken kop. kan zien. MussoIini daarentegen liet ondanks al zijn wandaden, één goed mottona: overheidsgeld is heilig geld.
De economische crisis van de jaren dertig was er een van wereldformaat. In de Verenigde Staten was het Roosevelt, die met zijn New Deal (nieuwe aanpak) de inzinking trachtte te boven te komen. Hij had het voordeel van de nieuweling, die nog geen fouten had gemaakt. Met optimisme. en wijze mannen nam hij een reeks maatregelen: controle op, het bankwezen, op speculatie en credieten; verbetering van de export door devaluatie van de dollar; controle op de industrie, de productie, de prijzen en arbeidstijden; steun aan de boeren, bestrijding van de werkloosheid, vernietiging van onverkoopbare producten (!), werkprojecten voor jongeren; zekerstelling van zieken, werklozen en bejaarden, minimum uurlonen. Kortom al die dingen, die wij jaren later invoerden of kregen ingevoerd.
In die jaren adverteerde W. G: Sickesz (eigenaar van de Holl. Zwitserse Chocoladefabrieken) zijn economische inzichten in paginaformaat. Als ik me niet vergis poogde hij de New Dealidealen ons als aanvaardbaar te verkopen. Maar, zoals het slachten van overtollig vee en het vernietigen van een oogst in Amerika zware weerstanden hadden opgeroepen, zo spotte men met Sickesz, die leraarde: “vervang je machines wat sneller, lap ze niet altijd op, blijf modern en economisch, vernietig tot schroot wat zijn tijd heeft gehad; daardoor breng je meer industriële productie, meer werk, betere lonen, groter geldstroom en welvaart." Er zat logica in - maar men vreesde, als zuinige Nederlanders, dat er een addertje onder zijn gras zat.
En het eind was dat de sociale crisis, de werkeloosheid en de onzekerheden een oplossing vonden in de wereldoorlog, terwijl het jeugdprobleem werd "opgelost" in een verplichte arbeidsdienst.
Het is waar: toen werd er op grote schaal vernietigd, toen draaiden de fabrieken op volle toeren, toen was er geen werkeloosheid meer!
In die jaren (1934) reisde ik eens per trein met een bekend econoom. Hij zei: weet je wie deze internationale malaise hebben veroorzaakt? Jullie, de banken, die de mensen meer crediet geven dan ze aankunnen en die een economische ballon hebt opgeblazen. Jullie zaait wind, maar je zult storm oogsten. Toen ik verschrikt probeerde me te verdedigen antwoordde hij vriendelijk: ik heb jou niet op het oog, beste man, maar je banken. Onthoud wat ik zeg: door ongegronde credieten snijdt jullie zwaard naar weerskanten; de klanten verzuipen en de banken dragen de schade én de schande.
De banken hebben, geloof ik, de les uit de jaren dertig wel geleerd. Sindsdien is hef heel wat moeilijker geworden, bankcrediet te verkrijgen. Sommige (minder geslaagde) zakenlieden mopperen wel eens: jullie banken geeft pas crediet als we bewijzen kunnen, het niet nodig te hebben. Anderen zeiden: jullie banken leent een paraplu uit bij mooi weer en eist hem terug als het gaat regenen. Er zit wat waars en wat onwaars in. Maar zeker is dat een maatschappij, die op crediet (dat is op fictief kapitaal) is gebouwd, als een kaartenhuis in de keten van oorzaken-en-gevolgen kan vallen. De grote internationale crisis van 1929 leverde het bewijs, en luidde de malaise van de jaren dertig in.
In zware tijden geldt het onchristelijk motto: ieder voor zich en moge God voor ons allen zijn. Er moet een chineesspreekwoord bestaan voor een man uit gegoede kringen, die in de goot is geraakt. Men zegt dan: we moeten hem maar een post bezorgen, waar veel geld omgaat. Iets soortgelijks kenden de Nederlanders; de Chinezen van het Westen. In zo'n geval zei men graag: we moeten een plaatsje voor hem vinden in de Cultures, in de Oost. En na 5 of 10 jaar kwam zo’n man behoorlijk rijk huistoe. Zware Indische jaren onder de koperen ploert en toewan was binnen.
Ook dit is een kwaad onder de zon.*)
Laat me mogen eindigen met een goede anecdote. Wij kregen in Haarlem een fonkelnieuwe predikant; ds C. Veenhof; een man van het Woord, de gave van het woord; en een weldenkend mens met een ruim sociaal gevoelend hart. (Ook zulken komen onder ons voor; die ze ziet die lette daar op.)
CV kreeg een arme kerel aan de deur, die hem bekend voorkwam, daar hij het gezicht al enkele weken in de kerk had waargenomen. De arme man wilde graag nader en breder onderwezen worden, over wat hij in de kerk had opgevangen.
Ds Veenhof stond hem met zijn spreekwoordelijke vriendelijkheid terzijde. Bij het afscheid zei de man achteloos: als de dominee misschien eens een afgedragen pak kon missen?
Hij kreeg het, zij het niet afgedragen. Na een volgend -ernstig gesprek zei de arme man: we worden uit huis gezet, tenzij we drie weken achterstallige huur op tafel leggen.
Hoeveel? vroeg CV. - De man noemde het bedrag en kreeg het prompt mee. Dat ging zo nog enige tijd door; de heilshonger was niet te stillen en de materiële nood evenmin.
Ik zei tegen hem: dominé, u bent toch wel goed bij?
U doorziet die vroomheid toch wel? U gaat er niet mee door, begrijpt u? Maar CV antwoordde stralend: en daar zullen ze me nou nóóit op mogen vangen, want dat zeggen ze allemaal: die christenen kunnen mooi praten over naastenliefde, maar kom ze niet aan de beurs!
*) Ik hoor u denken: er zit niet zo veel economie in dit verhaal. U hebt gelijk. De wetenschap der economie stond in de jaren 30 nog in haar kinderschoenen.
Het best werd zij gekenschetst door mijn baas in die jaren: economie is de wetenschap, die achteraf kan verklaren waarom een zaak misgelopen is.