"Welzalig die Gij verkiest..."
1985-08-23
Het woord 'uitverkiezing' is voor veel mensen een verschrikking.- Jaargang 29
- nummer 32
Zij hebben daarbij noodlotsgedachten en ze zouden willen dat dat gevreesde onderwerp niet in de bijbel voorkwam.
Maar het komt er wèl in voor. En niet eens zo zelden. In het Oude en in het Nieuwe Testament.
Waarom toch? Wil de bijbel ons er werkelijk de stuipen mee op het lijf jagen? Dat kan toch niet?
Zeker niet als je gelooft dat de bijbel het' woord van God is?
Van die God die we mogen kennen als de God van liefde en genade.
Ik wil in dit korte ogenblik een poging doen om dat woord 'uitverkiezing' als een lief geheim in uw oor te fluisteren. Ik kies daarvoor een psalm. Want zeker het geliefde psalmboek zal ons toch geen kwaad kunnen doen. Ik lees het begin van psalm 65, de verzen 1-5: Eerbiedige vreugde, zo zou ik de stemming van dit psalmbegin willen typeren. Of, zoals de psalm zelf zegt: een lofzang in stilheid. Dat is precies de sfeer die bij de verkiezing past. Eerbiedige vreugde, een stille lofzang, omdat de hoge God iets goeds met ons voor heeft. Ja, zegt u, maar dat is nou juist de vraag: ‘iets goeds met ons voorheeft'. Heeft de hoge God iets goeds met mij voor? Zeker, er staat: "welzalig die Gij verkiest en doet naderen, opdat hij wone in uw voorhoven", Ja, dat staat er wel maar weet u, dominee, ik hoor daar eigenlijk meer een verzuchting in. Ik hoor er in dat deze dichter met een zekere jaloersheid verzucht: Welzalig, goed af is hij die God verkiest en doet naderen, ja, nou en of! Maar of ik dat ben ... ? Dat is nou maar precies de vraag. Dat stáát er ook helemaal niet.
Toch meen ik in staat te zijn over juist deze zaligspreking iets te zeggen dat u nog niet wist en dat u kan bemoedigen. "Welzalig die Gij verkiest en doet naderen".
Weet u: degene die in Israël verkoren was zodat hij mocht naderen, dat was in de eerste plaats Aäron, de hogepriester, en degenen die hem na zijn dood zijn opgevolgd. In de bekende geschiedenis van de opstand van Korach, Dathan en Abiram komen wij die woorden precies zo tegen. Mozes zegt daar tot Koraoh die opstandig naar het priesterschap streeft: "die Hij verkiezen zal, die zal Hij tot Zich doen naderen". En dat blijkt dan tenslotte Aäron te zijn, wiens staf (weet u wel?) ten teken van zijn verkiezing in één nacht bloeide en vrucht droeg. U kunt die geschiedenis vinden in Numeri 16 en 17. We mogen dus bij die bekende woorden van Psalm 65: 5: "Welzalig die Gij verkiest en doet naderen", met name aan Aäron, aan de priester, denken. Hij is de verkorene bij uitstek, die de Here tot zich doet naderen en in zijn voorhoven doet wonen.
Maar (en nu komt wat u denkelijk nog, niet wist) die priester, die, verkoren priester, die werd niet enkel voor zichzelf verkoren. Natuurlijk niet. Zijn verkiezing was een ambtelijke verkiezing, dat wil zeggen: ze kwam ten goede aan het hele volk. Aäron was een spiegel waarin Israël zijn eigen verkiezing mocht zien.
Als de Israëliet Aäron het heiligdom zag binnengaan om te naderen; om in de tegenwoordigheid van de Here God te mogen verkeren, en die Israëliet geloofde in het verzoeningswerk dat Aäron daar binnen ging verrichten, dan mocht hij geestelijk mee naar binnen. Dan' was hij 'in' Aäron mee verkoren. Dan breidde Aäron's verkiezing zich tot hem uit.
Maar omgekeerd: wie Aärons dienst afwees, plaatste zich daarmee buiten de lichtkring van diens verkiezing.U moet eens letten op vers 4 van de psalm dat aan dat woord over de verkiezing vooraf gaat. “Ongerechtigheden hadden de overhand over mij; onze overtredingen - Gij verzoent ze".
Hier heb je de verzoeningsdienst die Aäron op last van de Here God verrichtte. In deze woorden zie je eigenlijk Aäron op grote verzoendag het heilige der heiligen binnengaan. Tot vóór het verzoendeksel, waarop, hij 't bloed sprenkelde. En als de gelovige Israëliet dat meemaakte, dan werd hij vervuld met verwondering over Gods genade. Die verwondering trilt ook door in deze psalm.
Van Gods genade ging dat uit dat Israël ondanks zijn zonden toch volk van God mocht zijn en blijven. De Here zelf bracht over die zonden verzoening tot stand. Daardoor hadden die ongerechtigheden niet langer de overhand. Gods verkiezing nu van Aäron, dat was zijn goddelijke ja tegen deze weg van de verzoening, die weg die iedere Israëliet gelovig mocht gaan. De Here God- koos de hogepriester van Israël en sprak daarmee zijn welgevallen uit over wat die hogepriester ambtelijk verrichtte. God zei daarmee tot het volk: deze is mijn geliefde priester; houdt u aan hem, nadert door hem!
Aäron, de hogepriester, dat begrijpt u intussen wel, is een beeld van de Here .Christus, de hogepriester bij uitstek die de werkelijke verzoening teweeg heeft gebracht door zijn offer op Golgotha. 'Welzalig die Gij verkiest en doet naderen', dat heeft dus betrekking op Aäron, maar over hem heen ook op Jezus Christus, En via de Here Jezus gaat die verkiezing dan over op ieder die zich aan de Heiland houdt, in Hem gelooft, de weg gaat die Hij naar de Vader gelegd heeft.
Let wel: ieder. Uit Israël en van buiten Israël. Want dit geweldige heeft niet tot Israël beperkt kunnen blijven. Dat was in het Oude Testament al bekend. Vandaar dat de psalm in vers 3 zegt: "Tot U komt al wat leeft". Vindt u dat niet opvallend dat vlak in de buurt van het woord 'verkiezing' de deur naar God toe zo wereldwijd wordt opengezet: tot U komt al wat leeft? Daar zit niets zuinigs in, dit is even ruim als dat bekende woord van Jezus: “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar 't eeuwige leven hebbe" (Johannes 3 : 16). Al wat leeft, een ieder, mag over de levende weg Christus tot de Vader komen. In dat licht en met die ruimte voor ogen mag u dus die bekende woorden van de psalm lezen:
"Welzalig die Gij verkiest en doet naderen". Welzalig Aäron, welzalig Christus, want wat staat in deze hogepriester de deur wagenwijd open! En daarom: welzalig ieder die via deze verkorene nadert!"
Het is heel opvallend dat als de Schrift over de verkiezing begint te spreken, vóórop Aäron als de verkorene des Heren genoemd wordt. Echt, de eerstgenoemde verkorene des Heren in de bijbel, dat is Aäron. Opvallend! Zeker, er wordt dan verderop in de Schrift ook over dé verkiezing van Israël, van de gemeente, van de gelovigen afzonderlijk gesproken en daarin sta je dan inderdaad voor die raadselachtige voorkeur van God: waarom deze wel en die niet? Een vraag die we allemaal wel eens stellen· en waar we dan de tanden op stuk kunnen bijten. Wie zijn wij toch wel helemaal tegenover Gods eeuwige predestinatie.
De Schrift lost dat raadsel niet op. We staan daarin voor de hoge majesteit van God en de Schrift laat ons daar ook staan, vindt dat zelfs bij tijd en wijlen goed voor ons. Maar de bijbel doet wel iets anders. Hij begint met de verkiezing van Aäron, dat is: hij begint eigenlijk met de verkiezing van Christus, en zegt daarmee: wat voor raadsels er ook rondom de uitverkiezing hangen, aan deze klaarte mag je in ieder geval niet voorbijzien, dat God Christus verkoren heeft en gezegd heeft: "deze is mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem" (Lukas 9 :35). Mijn voorkeur is geen willekeur.
Op dat kompas mogen we varen en komen we ook thuis: hoort naar Hem! Dan bent u in Zijn gezelschap, dan bent u in Hem verkoren. De Schrift verbindt de uitverkiezing dus heel sterk aan Christus en zijn verzoeningswerk. Dat moeten we ons voor gezegd houden.
De bijbel is zelf zo pastoraal mogelijk als 't over dit moeilijke onderwerp gaat. Ontegenzeggelijk zit er iets dreigends en ontzagwekkends in dat verkiezingswoord uit Psalm 65, maar van de andere kant: wat schittert er een stralend en uitnodigend licht vanaf! Wonderlijk dat dat allebei waar is! 'Obscur' en 'clair' in een!