De wet voor de mens
1985-08-29
Wat ik deze keer met u wil doen is het volgende: twee korte stukjes die in de bijbel vlak bij elkaar staan en toch ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, op elkaar betrekken en met elkaar in verband brengen. Het is het .stukje over het grote gebod, waarin de Heiland een korte samenvatting geeft van wet en profeten en, het direct daarop volgende stukje waarin Jezus 'zegt dat de Christus David’s zoon en David’s Heer is. Alleen ,dit laatste stukje lees ik nu voor omdat ik aanneem dat 't eerste, over het grote qebod, voldoende bekend is Mattheüs 22 : 41-45.- Jaargang 29
- nummer 33
We zitten met Mattheüs 22 op het einde van Jezus' publieke optreden. Het grote lijden is op handen. Maar daarvóór willen de drijvende krachten binnen de joodse samenleving van die dagen zich nog één maal met Jezus meten. In dat kader worden ons vier gesprekken verteld: dat met de Herodianen over 't betalen van belasting, dat met de Sadduceeën over de opstanding en dat met de Farizeeërs over het grote gebod in de wet. In deze drie gesprekken zijn 't de genoemde groepen die het initiatief nemen.
Tenslotte neemt Jezus' voor het vierde gesprek zelf 't woord en stelt de Farizeeërs de vraag over de Christus: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij?
Er zit een climax in die gesprekken. In die zin een climax dat 't in toenemende mate geestverwantschappelijke gesprekken zijn. De vragende Herodianen staan wel 't verst van Jezus af, de Sadduceeën ook, maar Jezus en de Farizeeërs, zij worden 't eens over het grote gebod in de wet.
Vooral bij Markus wordt dat duidelijk. Dan zegt Jezus tot de vragende Farizeeër: gij zijt niet ver van het koninkrijk Gods. Het is dan ook met deze vragende Farizeeërs dat Jezus zelf het gesprek voortzet en over de vraag naar de Christus begint. Als ik dit een geestverwantschappelijk gesprek noem, bedoel ik niet te zeggen dat Jezus en de Farizeeërs een vriendelijk gesprek voeren, want helaas is 't zo in het leven dat je juist met geestverwanten zo smartelijk diep kunt verschillen. Dat is hier ook zo. Maar toch!
Als 't er over gaat wat de bijbel nu eigenlijk van ons mensen vraagt, zijn Jezus en de Farizeeërs het heus eens: het grote gebod. Onvermijdelijk echter komt daarna natuurlijk het punt aan de orde of de mens dat gevraagde nu ook echt doet. Daarover lopen dan de meningen uiteen en is Jezus pessimistischer dan de, Farizeeërs. Hij kent ons onvermogen. Dat nu valt op te maken uit wat de Here Jezus op 't laatst eigener beweging ter sprake brengt. Hij attendeert daar namelijk zijn gesprekspartners op een werkelijk zeer vitaal gegeven uit de Heilige Schrift (zoals die er toen uitzag), namelijk op de belofte aan David, dat één van diens lijfelijke zonen voor eeuwig op zijn troon zou zitten. Een belofte waar David zo uitzinnig blij verwonderd over geweest is dat ze hem z'n hele verdere leven heeft beziggehouden. Hoe is dat nu mogelijk, Here God, dat uit mij, uit mijn huis - nietwaar, U weet toch wie ik ben en wie wij zijn! - zo iets definitiefs, zo iets eeuwigs, voort zal komen! Dat uw welgevallen voor eeuwig op mijn zoon zal rusten! Deze verwondering heeft David er toe gebracht om in één 'Van zijn psalmen, psalm 110, de aangekondigde zoon zijn Heer te noemen. Jezus haalt die psalm hier aan: "de Here God heeft tot mijn Here gezegd: zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb."
David zag zichzelf bepaald geen eeuwige heerschappij beërven. Daarvoor kende hij zichzelf te goed.
Daarom noemt hij zijn zoon, aan wie dit was beloofd, zijn Heer. Uit eerbied. David heeft vlak nadat hem deze toezegging gedaan werd door de profeet Nathan, een spontaan dankgebed opgezonden, dat ons ook in de Schrift bewaard is gebleven. Je kunt dat niet zonder ontroering lezen. Je ontmoet daarin een mens die echt klein geworden is onder Gods genade. Bij een bepaalde passage uit dit dankgebed wil 'k nu even met u stilstaan. "Wie ben ik, Here HERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? En dit was nog te weinig in uw ogen, Here HERE; daarom hebt Gij aangaande het huis van uw knecht ook gesproken over de verre toekomst, en dit is de wet voor de mens, Here HERE". (2 Samuël 7 : 18, 19).
Het gaat me nu om dat laatste: 'en dit is de wet voor de mens'. Op zeer gedrongen wijze wordt 'hier een geweldige waarheid onder woorden gebracht. De verbintenis 'wet' en 'mens' vindt de bijbel eigenlijk een uiterst hachelijke zaak. Dat blijkt uit wat hij vertelt over de wetgeving op de Sinaï. Toen gaf de Here God zijn wet en sloot met Israël zijn verbond.Maar de wetstafels waren door Mozes nog niet beneden gebracht of het volk was al 'Vervallen tot de dienst aan het gouden kalf. De inkt van het trouwboekje was om zo te zeggen nog nat, of de mensen gingen zich al aan echtbreuk te buiten. En dat is helaas kenmerkend voor heel de verbondsgeschiedenis, van Oude en Nieuwe Testament beide. 'Wet' en 'mens', - wat staan ze op gespannen voet!
Welnu, van hieruit is nu David's uitroep te verstaan. "Dit is de wet voor de mens", dat wil zeggen: met wat U nu in 't vooruitzicht stelt, Here God, komt er perspectief in de koppeling 'wet' en 'mens'. Want nu stuurt U iemand die onze menselijke maat te boven zal gaan. Iemand, in wie het verbond eindelijk vastgemaakt zal kunnen worden, omdat hij de gehoorzaamheid van het gebod garandeert. Iemand in wie 'wet' en 'mens' spanningsloos bijeen zullen zijn. Nog eens, het is door David op zeer gedrongen wijze gezegd maar het geheel van de woorden, in zijn dankgebed maakt de bedoeling ervan duidelijk. Middenin zegt de koning: "Gij hebt nu uw volk Israël voor altijd bevestigd tot· uw volk, terwijl Gij, HERE, hun steeds al tot een God zijt geweest" (vs. 24). Precies, de zwakke schakel in het verbond met God was en is de mens, En daar gaat de Here God nu iets aan doen, door 't zenden van de eeuwige Zoon van David. Begrijpt u nu waarom de Here Jezus dit ter sprake brengt in zijn discussie met de' Farizeeërs? Bij heeft 't met dezen over de wet gehad. Over het grote gebod daarin. En zij zijn 't eens geworden. Het grote gebod in de wet is: "Gij zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede daaraan gelijk is: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf".
Een machtige overeenstemming is daarmee bereikt tussen Jezus en de Farizeeërs en, mogen we toevoegen, tussen jodendom en christendom.
Maar binnen die overeenstemming voelt Jezus zich gedrongen de Christus ter sprake te brengen.
"Wat dunkt u van de Christus?"
Want Hij, Christus, Hij is de wet voor de mens. Bij Hem moeten wij zijn voor de gehoorzaamheid aan dat grote gebod. Zoals de christelijke kerk dat eeuwenlang gezongen heeft met de woorden van het oude gezang: "Och, of wij uw geboden volbrachten!
Gena, O hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.” De Christus is maar niet enkel de zóón van David. Was dat 't enige dat van Hem te zeggen is, dan zou Hij het pronkstuk van onze humaniteit zijn. Hij is meer, Hij is anders. David heeft ootmoedig naar Hem opgezien en gedacht: Die? Die verwek ik niet. Die kan ik alleen maar ontvangen.
En zo is het ook De Christus is helemaal een geschenk van boven in plaats van pronkstuk van beneden. En dit geeft de bijbel aan ieder als boodschap mee, aan alle ernstige, serieuze mensen van onze tijd, die vragen naar het grote gebod: vergeet de Christus niet!
Hij is de wet voor de mens. Bij Hem komt 't gebod tot z'n recht. Alleen uit zijn kracht gehoorzamen wij eraan. En wat het gesprek tussen joden en christenen betreft, is het niet van de allergrootste betekenis dat de Heilige Geest juist in 'het kader van dit joods gesprek over de wet de Here Christus aanwijst als onze goddelijke Verlosser?