Gouden reukoffer of gouden wierookvat?
1985-08-29
In de nieuwe vertaling van de Bijbel lezen we bij Hebr. 9 : 3 en 4 het volgende: "...en achter het tweede voorhangsel" was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds...".- Jaargang 29
- nummer 33
Een vraag, die hierbij direct - en terecht - kan worden gesteld, is: Hoe is dat mogelijk?
Immers, in Ex. 30 : 6 en 40 : 26 staat geschreven, dat het reukofferaltaar vóór het tweede voorhangsel stond. 1) Laten we voorzichtig zijn en niet meteen zeggen, dat dit een geval is waarin de Schrift een onjuistheid bevat. Het zou kunnen zijn dat we door de nieuwe vertaling. op het verkeerde been zijn gezet en daardoor de juiste voortzetting van onze weg hebben gemist.
Reukofferaltaar
De vertaling van het N.B.G. staat niet alleen. Ook de Willibrord vertalingen 1961 en 1978 en Groot Nieuws geven aan, dat in Hebr. 9: 4 "gouden reukofferaltaar" moet worden gelezen. We zullen daarom eerst eens kennisnemen van de uitleg van schriftverklaarders, die hierin géén onjuistheid zagen. Prof. Dr. C. van Gelderen vertaalde 1 Kon. 6 : 22b aldus: "En heel het altaar, dat bij de achterzaal hoorde, overtrok hij met goud" en verklaarde daarbij: "Het altaar stond niet in, maar vóór de zaal, waar het bij hoorde". Ds. I. de Wolff schreef 2) n.a.v. dezelfde tekst: "Ook maakte Salomo een altaar. Dit was het reukofferaltaar dat vóór het heilge der heiligen z'n plaats kreeg, omdat het daarbij behoorde, hoewel ervan gescheiden".
En vervolgens 3) bij Lev. 16 : 11-28: "Het reukaltaar ... behoorde tot het binnenste heiligdom (Hebr. 9 : 3 al stond het nog aan de andere zijde van het voorhangsel". Ds. M. J. C. Blok Sr. 4): "De vertaling wierookvat vindt nog verdedigers, vgl. Lev. 16: 12.
Het gouden reukofferaltaar stond in het heilige. Dat wist de schrijver zeer wel, zoals onze kinderen van 8 jaar het weten. Heeft hij dit altaar bedoeld, dan moet worden opgemerkt, dat dit altaar zakelijk tot het allerheiligste behoorde, zoals het O.T. duidelijk doet uitkomen. Ex. 30: 6; 40: 5; 1 Kon. 6 : 22. Het gaat de schrijver om deze eigen boodschap der O.T.-ische liturgie".
Ds. Tj. Boersma 5) komt tot het advies ons bij Hebr. 9: 4 te houden aan de vertaling "een gouden reukofferaltaar" en vervolgt: "Hoewel het reukofferaltaar in het heilige stond, had het een aparte plaats, onderscheiden van de kandelaar en de tafel der toonbroden. Het reukofferaltaar staat blijkens Ex. 30 : 6 in nauw verband met de ark, d.i.: met het heilige. der heiligen. Het altaar stond in het heilige, maar het behoorde eigenlijk bij het heilige der heiligen. En dit is begrijpelijk.
Moest de geur van het reukwerk niet doordringen achter het voorhangsel tot de ark? In dat licht moeten we Hebr. 9 : 3, 4 verstaan".
Bijbehorend
Zoals we konden vaststellen had niemand van de geciteerde schriftverklaarders moeite met het gouden reukofferaltaar in Hebr. 9 : 4. Het behoorde tot het heilige der heiligen, hoewel het stond in het heilige. De nieuwe vertaling van 1 Kon. 6 : 22 spreekt immers wat dat betreft duidelijke. taal.
Maar is dat nu inderdaad waar? In Ex. 30: 1-6 lezen we dat de Here Mozes opdracht geeft tot het maken van een altaar, een offerplaats voor reukwerk, en dat te plaatsen vóór het voorhangsel.
En opdat er geen misverstand zal ontstaan over de vraag "welk voorhangsel?" (het 1e of het 2e), voegt de Here er direct aan toe: het voorhangsel, dat vóór de ark der getuigenis is, vóór het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, waar Ik met u zal .samenkomen. Het voorhangsel, dat scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen (Ex. 26 : 33). Zo kreeg Mozes ook het bevel om de tafel der toonbroden aan de noordzijde en de kandelaar aan de zuidzijde buiten het voorhangsel in het heilige te plaatsen (Ex. 26 : 35).
De Here heeft de scheiding gemaakt en geboden .welk meubilair in het heilige der heiligen en welk meubilair in het heilige moest worden geplaatst. Er is geen enkele aanduiding, dat alleen het reukofferaltaar desondanks tot het heilige der heiligen zou behoren.
Slaan we de St.V. er op na, dan vinden we bij 1 Kon. 6: 22b: " ...het gehele altaar, dat vóór de aanspraakplaats was". Waar de Here had geboden het te plaatsen, dáár had elk voorwerp zijn eigen functie.
Perspectief
Een ander argument is echter aan het "bijbehoren" toegevoegd. We lazen 6): "Want juist op die Grote Verzoendag kwamen reukofferaltaar e~ ark in één gezichtsveld te liggen. Als de hogepriester op die dag het heilige der heiligen binnentreedt, moet hij het voorhangsel even opzij schuiven. Dán staat inderdaad het reukofferaltaar vóór de ark des verbonds. Mijn conclusie ook bij nader onderzoek is, dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën juist met het oog op de Grote Verzoendag het gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds in perspectief met elkaar heeft gezien. Hij wist heel goed; dat het reukofferaltaar in het heilige stond, maar kiest voor een formulering waarin uitkomt dat. altaar en ark bij elkaar horen". En weer vragen we: is dat waar?
Heeft de hogepriester het voorhangsel werkelijk opzij geschoven, waardoor de schrijver - in gedachten - het reukofferaltaar en de ark met elkaar in perspectief kon zien?
In Ex. 26 : 32 zegt de Here tot Mozes, dat hij het voorhangsel moet hangen aan vier pilaren, van gouden haken voorzien, op zilveren voetstukken. Onder de haken moet het worden gehangen.
Duidelijk is. dat deze wijze van ophanging de hogepriester geen enkele mogelijkheid bood het voorhangsel even opzij te schuiven. De hogepriester kon zich - zoals we ook verder zullen zien - aan de zijkant van het heilige op eenvoudige wijze achter het voorhangsel begeven.
We moeten niet vergeten, dat de hogepriester bij het verzoeningswerk geheel alleen was. Geen mens mocht in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnenging om in het heiligdom verzoening te doen (Lev. 16: 17). En dan komt het moment waarop hij het wierookvat vol gloeiende kolen moest nemen, zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel (Lev. 16 : 12). Het een en ander zal in twee gangen hebben plaatsgevonden.
Eerst het wierookvat en daarna het reukwerk. Beide keren de handen vol en geen hand vrij om iets aan de positie van het voorhangsel te veranderen.
We menen, dat het gebruik van de woorden "binnen het voorhangsel brengen" er eveneens op wijst, dat het onaangeroerd voor het heilige der heiligen bleef hangen.
Zo was er dan geen mogelijkheid om het reukofferaltaar en de ark met elkaar in perspectief te zien.
Niet in de tabernakel, doch evenmin in de tempel, die Salomo heeft gebouwd. In de eerste diende alleen het voorhangsel tot scheiding, in de tempel schoot Salomo twintig el achter aan het huis af met cederen planken, van de vloer af tot de balken (1 Kon. 6: 16). En als toegang tot het .heilige der heiligen maakte hij daarin deuren van oleasterhout (1 Kon. 6 : 31), zodat de priesters - bij de inwijding van de tempel - de ark naar haar. plaats konden brengen (1 Kon. 8 : 6). Vóór het schot met de deuren liet Salomo het voorhangsel aan gouden kettingen lopen (1 Kon. 6: 21). Geen enkele mogelijkheid tot perspectief op de Grote Verzoendag.
De toegang
Wel - zult u zeggen - hoe kwam de hogepriester dan op die dag in het heilige der heiligen?
Uit 2 Kron. 5 : 19 blijkt, dat het schot en het voorhangsel niet liepen van wand tot wand. Er was aan beide zijden ruimte gelaten, want: "De draagbomen van de ark waren zo lang dat hun uiteinden buiten de ark vóór de achterzaal zichtbaar waren".
Evenals in de tabernakel ging de hogepriester ook in Salomo's tempel langs de zijwand het heilige der .heiligen binnen. De scheiding tussen vóór- en achterzaal gold eveneens voor de tempel. Salomo bouwde die naar een geschrift, dat zijn vader David uit de hand des Heren had ontvangen en waarin Hij hem (David) onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp (1 Kron. 28: 19).
De scheiding bleef. Zolang de voorste zaal bestond, lag de weg naar de achterzaal nog niet open. Daarin mocht zelfs door een hogepriester niet de minste verandering worden gebracht. Niet door opzij schuiven van het voorhangsel of het openen van de deuren. Toen onze grote Hogepriester Zichzelf als een smetteloos offer aan God had gebracht (Hebr. 9 : 14) was het bestaan van de vóórzaal èn de scheiding overbodig. Het voorhangsel scheurde en de weg naar het heiligdom lag voor iedereen open.
Onze dankbaarheid
Zoals reeds gezegd - we houden ons liever aan de St. V. van 1 Kon. 6 : 22b " ... het gehele altaar, dat vóór de aanspraakplaats was". Want het reukofferaltaar had in het heilige immers een bijzondere plaats t.w. vóór het voorhangsel en tussen de tafel der toonbroden en de kandelaar. voor het Nederlandse volk, vermeldt: wierookvat.
Dr. H. J. Jager schreef hierbij als toelichting: "Onder het gouden wierookvat hebben we niet te verstaan het gouden reukaltaar, want dit stond in het heilige, Ex. 30 : 6, maar het gouden wierookvat, waarin de hogepriester op de grote verzoendag reukwerk bracht. voor het aangezicht des Heren".
Van de hand van Prof. K. Schilder 9) lazen we: "Dat in Hebr. 9: 4 het reukaltaar zou bedoeld zijn (welk altaar dan, in strijd met Ex. 30 : 6 niet vóór maar in het "heilige der heiligen" geplaatst wordt) is niet te bewijzen; eerder is sprake van een gouden wierookvat". We zijn derhalve niet eigenwijs als we onze keuze bepalen 'op het woord "wierookvat", maar zullen wel aan de hand van schriftgegevens moeten laten zien dat die keuze terecht is. Het heilige binnenkomend keken de priesters er direct tegenaan.
Het stond centraal. Ds. C. Vonk schreef 7): "Terwijl de nadruk bij de offeranden van de voorhof meer viel op de rechtvaardiging of verzoening, viel hij bij de offeranden in het heilige meer op de- heiliging, op de blijken van dankbaarheid voor de verkregen verlossing" en vervolgens 8): "Herhaaldelijk spreekt de schrift van reukwerk in verband met ons gebed. Reukwerk toebrengen en aanbidding toebrengen zijn soms synoniem, Ps. 141: 2, 1 Kon. 11 : 8, Openb. 5: 8.
Welk een overwinning voor Gods Geest, wanneer daar een mens weer voor zijn Schepper op de knieën valt en Hem aanbidt. Hoe lieflijk moet zo'n gebedsreukwerk rieken voor Gods aangezicht. We zouden vooral op dit welriekende karakter van het reukwerk en zo van 's mensen gebed de nadruk willen leggen". De bijzondere plaats van het reukofferaltaar symboliseert de plaats die het gebed heeft in de blijken van onze dankbaarheid voor de verkregen verlossing. Vinden we dat niet prachtig terug in de H.C. Zondag 45 - vr. en antw. 116?: "Waarom is het gebed der Christenen van node? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert...".
Wierookvat
We zullen nu onze aandacht nog moeten richten op het gebruik van -het woord "reukofferaltaar" in Hebr. 9: 4 nieuwe vertaling. De hiervoor genoemde verklaringen werden wel afgewezen, doch wat daar tegenover te plaatsen. De moeilijkheid ligt daarin, dat we het in het Grieks gebruikte woord "thumiasterion" kunnen vertalen met "reukofferaltaar", doch ook met "wierookvat".
Het blijkt derhalve dat de mogelijkheid bestaat, dat we met de nieuwe vertaling van de tekst niet de meest passende voor ons hebben. Veel schriftverklaarders zijn er geweest (onder wie Luther en de Kanttekenaars bij de St. V.) die het Griekse woord hebben willen vertalen met "wierookvat".
Bovendien, niet alleen de St. V. doch ook de Bijbel toegelicht voor het Nederlandse volk, vermeldt: wierookvat. Dr. H. J. Jager schreef hierbij als toelichting: "Onder het gouden wierookvat hebben we niet te verstaan het gouden reukaltaar, want dit stond in het heilige, Ex. 30 : 6, maar het gouden wierookvat, waarin de hogepriester op de grote verzoendag reukwerk bracht. voor het aangezicht des Heren". Van de hand van Prof. K. Schilder 9) lazen we: "Dat in Hebr. 9: 4 het reukaltaar zou bedoeld zijn (welk altaar dan, in strijd met Ex. 30 : 6 niet vóór maar in het "heilige der heiligen" geplaatst wordt) is niet te bewijzen; eerder is sprake van een gouden wierookvat". We zijn derhalve niet eigenwijs als we onze keuze bepalen 'op het woord "wierookvat", maar zullen wel aan de hand van schriftgegevens moeten laten zien dat die keuze terecht is.
De grote verzoendag
De schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft het over het verzoeningswerk van Christus, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond.
In dit verband begint hij hoofdstuk 9 met: "Nu had ook wel het eerste verbond bepalingen voor de eredienst ... ", geeft vervolgens een summiere opsomming van het meubilair in de voorste tent en begint dan, bij de opsomming van het meubilair in het heilige der heiligen, met: een gouden wierookvat. Heeft de schrijver zich hier dan werkelijk zo vergaloppeerd?
Laten we echter doorlezen naar vers 7, waar staat: " …maar in de tweede (tent) alleen de hogepriester, éénmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven".
De grote verzoendag! De opsomming van het meubilair, zich bevindend in het heilige der heiligen, is een opsomming van het meubilair, dat zich op die bijzondere dag aldaar bevond.
We geloven, dat de geadresseerden geen moeite hebben gehad met de vermelding van het gouden wierookvat als staande in het heilige der heiligen.
Als christenen uit de Joden zullen zij zeker op de hoogte zijn geweest van de voorschriften t.a.v. de grote verzoendag en daarom het vierde vers hebben verbonden met vers 7, en andersom.
Wat een beperkte weergave van hetgeen de hogepriester allemaal moest doen op die dag (Lev. 16): Alléén het belangrijkste, dat hij In het' heilige der heiligen had te verrichten voor zichzelf en voor 'het volk: het offeren van bloed. Maar dat ging niet zómaar, zonder méér.
We lezen in Lev. 16 : 1-3: "Na de dood van de beide zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij voor het aangezicht des Heren waren genaderd, .sprak de Here tot Mozes. De Here nu zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel" . En in Lev. 16 : 12, 13: "En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het (brand) altaar voor het aangezicht des Heren nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel.
Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht des Heren, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel, dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve" . Een welriekend rookgordijn derhalve 10). Iets zó belangrijks zou de schrijver niet mogen vergeten.
Immers, de hogepriester zou zonder dat rookgordijn niet eens zijn toegekomen aan het offeren van bloed. Hij zou een dood man zijn geweest!
Teruggaand naar Hebr. 9: 4 blijkt dat de' schrijver dit niet over het hoofd heeft gezien, want bij de opsomming van het meubilair in het heilige der heiligen - daar aanwezig op de grote verzoendag - noemt hij het wierookvat als eerste stuk. Het welriekend rookgordijn hing in het heilige der heiligen en zo kon de hogepriester veilig naderen tot de heerlijkheid van Jaweh boven het verzoendeksel en bloed offeren voor zichzelf en voor het volk.
Besluit
Terugkomend op de inleiding van dit artikel: het blijkt, dat - nu we Schrift met Schrift hebben vergeleken - er geen sprake is van een onjuistheid in de Bijbel, De moeilijkheden zijn ontstaan door de foutieve woordkeus in Hebr. 9 : 4 en de blijkbaar daarop aangepaste vertaling.
van 1 Kon. 6 : 22b. U zult het ongetwijfeld wel eens hebben meegemaakt, dat de dominee van het één of andere woord in zijn tekst een andere vertaling gaf dan er in uw Bijbel stond en dat daardoor de hele Schriftplaats veel duidelijker werd. Nu, dat is t.o.v. de nieuwe vertaling het geval met de hiervoor genoemde teksten. Laten we ons bij deze Schriftplaatsen maar houden aan de St. V. 1 Kon. 6:22b: “…daartoe overtrok hij met goud het gehele altaar, dat vóór de aanspraakplaats was” en Hebr. 9:4: “…het heilige der heiligen; hebbende een gouden wierookvat…”
Noten:
1) vgl. Ex. 26 : 33, 36.
2) De geschiedenis der Godsopenbaring - blz. 328.
3) a.w. - blz. 422.
4) Bijbelstudie voor verenigingenHebr. 9: 4.
5) Geref. Kerkblad voor Z.H., Zeeland, N. Br, en Limburg, nr. 44, d.d. 2-11-'80.
6) Geref. Kerkblad van Overijssel, nr. 37, d.d. 14-3-1981, Ds. Tj. Boersma,
7) Voorzeide Leer IA - blz. 441.
8) a.w. - blz. 446
9) Om Woord en Kerk (deel lIl) blz. 88 noot 102.
10) Ds. C. Vonk - De Voorzeide Leer IB - blz. 482