De violist op het dak

1985-09-06
  • Jaargang 29
  • nummer 34
Zo tien tot vijftien jaar geleden kondigde Mak van Waay (nu Sotheby) te Amsterdam een kunstveiling aan. Het klapstuk, op de catalogus afgedrukt, was een doek van Marc Chagall: een kleurig stuk onsamenhangende onzin. Het had een vogel, een muziekinstrument, een toren en de rest, die we van moderne schilderijen (menen te) kennen.

De zaal was tjokvol, het gonsde. Via de letter A kwam de veiling langzaam op letter B. En wie A en B gezegd heeft komt tot Chagall.

Het werd doodstil. Alleen de veilingmeester werd gehoord - de aspirant-kopers knikten, staken een potlood omhoog, of koppelden af van, de meute.
Steeds schaarser werden de bieders, steeds spannender werd de opgedreven prijs. Eindelijk bleef een laatste bod van een laatste bieder over. Niemand meer? De hamer viel. Het stuk was voor enige tonnen verkocht. Als anticlimax stroomde de zaal voor driekwart leeg: het waren vooral de leerlingen van de kunstacademie geweest, die de verkoop hadden gevolgd. Voor de kopers was het hoogtepunt van de dag eveneens voorbij. Wat is de reden dat Chagall's werk zo kostbaar is geworden, dat hij zelf betreurde boven het hoofd van de kleine man te schilderen?
Hoe komt het dat zijn doeken over de gehele wereld in musea en particuliere collecties terecht zijn gekomen? Zit er meer in zijn werk dan "een kleurig stuk onsamenhangende onzin"? Nu' deze grote kunstenaar onlangs is overleden, Willen wij een bescheiden poging doen om tot hem en zijn werk enigszins door te dringen.

Marc Chagall werd in 1887 te Witebsk in Rusland geboren, zoon van een kleine koopmansbediende, kleinzoon van een rabbijn. De armelijke omstandigheden van zijn jeugd in het voorrevolutionaire tijdperk, de sterke verbondenheid met het primitieve leven, hebben zijn werk altijd gekenmerkt, Van zijn vroegste jeugd af dronk hij de ervarlingen in, memoriseerde die, zag ze in beelden terug en kon er over beschikken.
Hij begon te tekenen, te schilderen ook, onder leiding van een plaatselijke kleine meester.
Later bij een grotere leermeester in Petersburg. Door een beurs van een stadgenoot werd hij in staat gesteld (1910) zijn studie te Parijs af te maken. Daar in Parijs kwam hij in de roezige drukte van beeldende en dichtende kunstenaars; werd geconfronteerd met de werelden van Gauguin, Monet, Manet, Picasso, Degas, Cézanne, Mondriaan en...Vincent van Gogh.

Van diverse -ismen onderging hij invloeden, zonder zich erbij te voegen. Tot het expressionisme en surrealisme heeft hij sterk bijgedragen.
Toch liet hij zich, Russische Joden jongenen individualist, in geen hokje vangen. Nimmer volwassen, volgepropt met jeugdindrukken, verbonden met het naakte leven, verheugde hij zich in 's levens schone en blijde momenten, en treurde om 's levens leed en onvrede.

De techniek en compositieleer, hem in Petersburg en de Franse School bijgebracht, temden zijn bruisende energie nauwelijks. Wetten van perspectief en zwaarte kracht kwam hij zonder inspanning te boven. De gelijktijdigheid van gebeurtenissen uit diverse tijden, ervaringen uit verschillende landen, konden hem - waarnemer met fotografisch geheugen - niet in verwarring brengen.
Beelden uit Rusland en Frankrijk kwamen op een doek samen. Mensen raakten de aarde niet meer aan of schenen op hun hoofd te staan. Na een periode van herkenbaarheid, hem door zijn leermeesters opgelegd, kwam bij tot een vlucht, waarin hij alleen voor ingewijden begrijpelijk scheen te blijven; maar een vlucht die zijn kijkers, voor wie het om herkenbaarheid ging, voor raadsels plaatste, In zijn Parijse periode, ,1910-1914; gingen huizen in de lucht hangen, liepen mensen uit het doek en stond herhaaldelijk een violist op een dak te spelen. De wetmatige eenheid van tijd, plaats en handeling, zo aanwezig bij alle klassieke toneel- en schilderstukken, kon Chagall niet in haar greep krijgen. "

Zoals een van de bekendste stukken van zijn tijdgenoot' Picasso diens “Guernica" was (het stervend paard bij zijn vernielde stadje tijdens de Spaanse burgeroorlog) zo werd de "Violist op het dak" een etiket, waaraan Chagall wordt herkend. Chagall heeft zelfs een film, later een musical, van zijn Violist beleefd.
En men heeft hem begrepen, zoals uit film en musical blijkt: het leed van 'de arme Russen, landverhuizers, wandelende Joden, door een totalitair regime gedeporteerd; mensen die met alle vezels aan hun ras verbonden waren, met elke druppel bloed aan hun familie hingen en die alle plekken ter wereld met hun geboortegrond vergeleken. Maar ook mensen die alle leed te boven kwamen door hun relativisme en hun sterke religiositeit: kortom door hun blijde levenslust.
Zo beginnen we iets van Chagall te verstaan; althans genoeg om de term "kleurig stuk onsamenhangende onzin" los te laten. Er is trouwens meer, dat hem met Picasso vergelijkbaar maakt. Picasso immers heeft; voor hij "onbegrijpelijk" ging schilderen, zijn zogenaamde blauwe periode gehad: waarin hij met blauwe tinten stillevens, tafelen, kortom voor ieder verstaanbare stukken produceerde. Evenzo is Chagall begonnen met een periode, die knap en herkenbaar meesterwerk te zien gaf. Laten we daar eens naar kijken.

Uit die periode is allereerst gebleven: Vrouw met mand (1906), een stuk dat zó van Jozef Israëls kon zijn gekopieerd: dan Boerenvrouw (1907), dat een klassieke atelierstudie mag heten; vervolgens Huis in Park (1908), dat een ontwikkeling in de richting van Gauguin aanduidt, maar ook zonder titel verstaanbaar is; een Zelfportret (1909) met Rembrandtiek licht en schaduw, voornaam geschilderd; en het Portret van zijn Verloofde (1909): een knap en zeer herkenbaar meesterstuk.

Maar al in 1908 had hij een worp gedaan naar wat zijn toekomstige stijl zou blijken. Eerst de Dode Man, een stuk dat zowel aan de schoolse opleiding als aan zijn latere symbolen doet denken. Dit doek bevat een in bruine kleuren geschilderde straat. In die straat ligt een dode ,man op de harde grond. Zes brandende kaarsen om hem heen moeten voor de veilige aftocht van zijn ziel zorgen: of symboliseren ze met Heiman Dullaart de vergankelijkheid van dit leven? Een straatveger in de nabijheid accentueert het gegeven van de barre straat. Een vrouw heft haar armen jammerend ten hemel, eer ze in huis vlucht. Een man is al voor haar' uit gegaan en liet in zijn haast zijn bloempotten vallen. De hemel is groen en hoopvol voor de levenden. En op het dak van een huis zit een violist te spelen: hooggestemde jammer, ontroostbaar leed, of een klacht tot in de hemel? Deze violist is een herinnering aan zijn oom, zei Marc, die spelen kon "als een schoenmaker"; en het bewijs is de uitgehangen laars aan de gevel van het huis.

Zijn de rekwisieten van het stuk opgesomd, dan mag nog vermeld worden dat de opstelling evenwichtig is, dat er vloeiende diagonale lijnen zijn en dat er contrast bestaat tussen de vergankelijke (bruine) aarde en de eeuwige (groene) hemel. Tegenover het gevraagde begrip voor zijn persoonlijke symboliek biedt de schilder genoeg parate herkenbaarheid.

Ook een ander stuk, "De heilige familie" uit 1909, gaf duidelijk aan, in welke richting de jonge Marc zich zou ontwikkelen. Een boerenvrouw zit op de grond, haar Kind op de schoot, een borst ontbloot, een boekje (met bewaarde woorden?) in haar vrije hand. De man zit naast haar en wijst duidelijk op het Kind. Tussen hen in staat een pot met vruchten. Op de achtergrond is de kinderzegen opnieuw genoteerd; nu met een wieg en een kindje er in: herhaling van hef hoofdthema, bezegeling van de waarheid. Een petroleumlampje en een hangklokje meubileren de armelijke ruimte.

Er is enig perspectief, aanduiding van de derde dimensie, op te merken (dat heeft Chagall nooit geheel losgelaten); maar er is nu een primitiviteit van ongemakkelijke lichaamshoudingen, en een symboliek, die de aandacht vergen. Want het kindje op de achtergrond blijkt niet slechts herhaling van het hoofdthema te zijn - maar draagt een kleine zeis! Symbool van het levenseinde, van de dood van het Kind, ook van het zwaard dat door de ziel van Maria gaat.

Op nog een werk uit deze tijd willen we wijzen: de Geboorte, uit 1910. Het is vlak voor zijn vertrek naar Parijs gemaakt. De moeder, die zo juist haar kind ter wereld bracht, ligt in de beslotenheid van een hemelbed. Achter haar staat de baker, die het kind ophoudt. Op de achtergrond staat de vader het blijde nieuws aan de' belangstellende buren te vertellen. Terwijl de geboortepartij in rood, bloedrood, is geschilderd - staan man en bezoekers in geel lamplicht.

Tot zover is alles aannemelijk en compositorisch aanvaardbaar. Maar...achter het bed komt de man nogmaals voor, die zich tijdens de geboorte onder bed schijnt te hebben verborgen. Hij heeft zo intens meegeleefd, was er zo bij betrokken, dat hij als het ware onder bed zat! Maar kan hij dan twee maal. op een schilderij voorkomen? Bij Chagall wel: die geeft niet alleen de realiteit maar ook de gelijktijdigheid weer; niet slechts de voorstelling, ook het begrip. Zou de voorstelling op zichzelf het contact met zijn koper garanderen, het "begrip", de samenvatting van gegevens en ervaringen in een totalitair beeld, geeft de spanning, de inspanning, de uitdaging aan de Koper.

Chagall was een beurs waard. Hij ging naar Parijs. En wij gaan mee.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief