Een kleine gemeente...hoe moet dat? (4)
1985-09-06
Wanneer voor gemeenten situaties veranderen, ze klein worden, vacant raken en er weinig perspectieven zijn voor terugkeer van vroegere toestanden, biedt de Schrift, zo zagen wij in vorige artikelen, voldoende ruimte om toch volop gemeente van Christus te zijn.- Jaargang 29
- nummer 34
Een complete gemeente. Een gemeente met oudsten en diakenen. En dat is genoeg.
Tot nu toe leek het er misschien op, dat het in de gemeente van Christus enkel gaat om de ambten. En we schreven er ook heel wat woorden over. Het is echter ook goed in het kader van ons onderwerp ook nog op andere dingen te letten. In dit artikel willen we ook nog wat andere aspecten belichten, die van het allergrootste belang zijn, als er zich ingrijpende veranderingen voltrekken.
Verwarrende tijden
Wij kunnen ons heden nauwelijks voorstellen voor welke reusachtige problemen de mensen kwamen te staan, toen in de zestiende eeuw de reformatie doorbrak.
Heel veel. vaste en vertrouwde instellingen in de kerk werden aan het wankelen gebracht. Wat er eeuwenlang was, weid opgebroken en losgelaten, door de vreugdevolle herontdekking van het evangelie en daardoor kwam er een heerlijk zicht op nieuwe en ongehoorde dingen.
Daarmee verdween of veranderde er ongelooflijk veel. Denken we maar eens aan pausdom en clerus, aan aartsbisschoppen en bisschoppen, aan priesters en kloosterlingen, aan kerkinrichting en sacramenten. En zo is er nog veel meer te noemen. Natuurlijk bracht dat alles grote verwarring en onzekerheid bij velen. Het riep vragen op hoe het nu verder moest met Christus' gemeente, nu al dat oude verdween.
Luther
Wat is het een zegen, als in zulke tijden God mensen geeft, die "in de chaos weer zicht krijgen en die zich niet verliezen in allerlei pietepeuterige details, doch die forse en duidelijke lijnen weten te trekken. Luther heeft op kostelijke wijze zulke hoofdlijnen ontdekt. Als dan zovele dingen zijn veranderd en weggevallen, schetst hij in 1523 in "Von Ordnung Gottesdiensts in der Gemeinde" wat er eigenlijk is fout gegaan in de kerk. Het eerste en ergste misbruik, dat de gemeente is binnengeslopen, zegt hij, is dat men Gods Woord tot zwijgen heeft gebracht. En dan doet Luther in alle verwarring zo'n geweldige greep. Kort en bondig vat hij dan samen Eén van de meest- bekende –en ook meest omstreden figuren in ons land isdr E. Schillebeeckx. In zijn reeds genoemde boek zegt hij, dat de gemeente van Christus recht heeft op voorgangers. Wij willen een uitspraak daarover van hem u niet onthouden. Hij zegt dan op pag. 50: Voor een gemeente van God is dit recht ook een apostolisch recht. Als gemeente van Christus heeft zij bovendien .op grond van Jezus mandaat: "Doet dit tot mijn gedachtenis”, een ecclesialogisch genaderecht op het vieren van de eucharistie.
Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat de volgende uitspraak van een rooms-katholiek is. We vonden deze opmerkelijke woorden. die ook ons tot nadenken kunnen zetten bij Schillebeeckx, a.w., pag. 53: Dreigt derhalve, in veranderende omstandigheden, een gemeente zonder ambtsdragers (zonder priester) te komen, en wordt deze situatie in toenemende mate het geval, dan moeten toelatingseisen die vanuit het wezen van het ambt niet innerlijk noodzakelijk zijn en in feite mede. oorzaak van het priestertekort zijn, wijken voor het oorspronkelijk, nieuwtestamentisch recht van de gemeente op gemeenteleiders; dan prevaleert dit apostolisch recht op de feitelijk gegroeide kerkorde, die in andere omstandigheden nuttig en heilzaam kan zijn geweest.
De verrassende Heidelberger
In onze Heidelbergse Catechismus wordt ook over de ambten gesproken. Doch tevergeefs zoekt men naar de predikant, de ouderling en diaken.
We bedoelen dat er in de H.C. drie ambten worden genoemd, doch dat zijn niet de drie bovengenoemde. Er wordt in Zon/dag 12 gesproken over het drievoudige ambt van Christus, dat van profeet en leraar, van hogepriester en van koning. In alle omstandigheden, ook bij het kleiner worden van gemeenten, is hierin onze catechismus ook weer een uitmuntend troost-boek, dat perspectieven biedt en opdrachten beschrijft, waarmee we als gemeente van Christus verder kunnen. Immers heel verrassend, stapt de H.C. vanuit het ambt van Christus niet over op de kerkelijke ambten, doch op de drieërlei taak voor iedere christen om profeet, priester en koning te zijn. Het is hier. ook nog de moeite waard om te vermelden, dat slechts eenmaal in de H.C. de kerkelijke ambten ter sprake komen, doch dan op een merkwaardig verscholen wijze. In Zondag 31, vraag en antwoord 85, waar het gaat over de tucht, worden wel ambtsdragers bedoeld, doch niet bij name genoemd. Er wordt daar immers gezegd, dat wie in de gemeente niet Willen afzien van een onchristelijk leven, worden bekend gemaakt ,bij de gemeente of bij hen die door de gemeente daartoe aangesteld zijn."
Dr A. F. N. Lekkerkerker maakt hierbij in zijn boek Oorsprong en Functie van het ambt, de opmerking, dat ambtsdragers in de Heidelbergse Catechismus niet bepaald met kracht naar voren worden geschoven en hij schrijft dan, pag. 43: Het opzicht gaat allereerst uit van de gemeente. Terecht heeft men gespreken van een laagkerkelijke gedachtegang, die in de verdere geschiedenis van het gereformeerd protestantisme blijft concurreren met een hoogkerkelijke aandacht voor het ambt." Hoe dit laatste dan ook zij, in ieder geval staalt het vast, dat de Heidelberger ieder gemeentelid wijst op de vrijheid èn de ruimte van een christenmens om profeet, priester en koning te zijn, ook in het midden van de gemeente., Sterker nog, het bekleden van dit drievoudig plicht ook een heerlijke plicht. En zo kunnen we weer verder, ook als de tijden veranderen en de gemeenten inkrimpen .
Wat praktische dingen
Eigenlijk zijn we nu door de stof, die we wilden bespreken heen. Toch blijven er nog wat praktische vragen over, waaraan we graag nog wat aandacht besteden. Doch dat laten we dan overstaan tot de volgende keer.