Een liefde sterker dan de dood
1985-09-13
En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet. En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan - de dragers stonden stil - en zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!" (Lukas 7 : 13,14) - Jaargang 29
- nummer 35
De naam Naïn, de plaats, waar het gebeuren van Lukas 7 :11-14 zich afspeelt, heeft mogelijk als betekenis: liefelijk, aangenaam. Maar dat lijkt alleen maar de buitenkant te zijn, want als Jezus de stad nadert en de poort open gaat (zou er tussen die twee zaken een of ander verband bestaan?), men we als het ware de binnenkant van dat liefelijke: er komt een rouwstoet naar buiten!
De eerste stoet
Twee optochten ontmoeten elkaar bij de poort van Naïn. In de eerste stoet wordt een baar met een dode meegevoerd. Heel die stoet wordt getekend door machteloosheid. De zonde, de duivel, de dood blijken in het leven van een mens een grote macht te hebben. In deze stoet loopt een moeder, een weduwe: de dood heeft in haar leven· al eens eerder toegeslagen. Nu is ze zonder man èn zonder kinderen, - de dode is haar enige zoon -. Dat betekent dat haar leven volgens de oosterse opvatting doelloos was geworden. Want er is geen pad meer voor haar naar de Grote' Toekomst, nu haar geslacht niet meer voortgaat. Heel haar leven lijkt nu zinloos geworden. Maar behalve de baar met de dode en de moeder, loopt er ook veel volk uit de stad mee. Dat is toch wel mooi, zouden wij zeggen, zo'n meeleven. En inderdaad, mededogen en bewogenheid van mensen om het verdriet van een ander mens behoort tot de mooie momenten van het leven.
Alleen, al die mensen dn de stoet lopen mee met de baar naar het graf. Ze zijn niet in staat de gang van de baar en van de dood' te 'stuiten, Ja, zelfs zoiets moois als meeleven blijkt volslagen machteloos: “'t Faalt aardse vrienden vaak aan krachten".
De tweede stoet
Met Jezus reist een grote schare mee, discipelen en anderen "(meelopers"), mensen, die ook alleen maar de dood kennen en neergebogen de eerste stoet naderbij zien komen en zich wellicht afvragen of ze met Jezus zich zullen aansluiten bij de begrafenisstoet en mee zullen gaan met de baar naar het graf. Maar Jezus staalt niet stil voor de dood: Hij gaat de confrontatie aan met de macht van de dood en de gevolgen daarvan. Tegenover de machteloosheid van de eerste stoet stelt Hij Zijn bewogenheid, Zijn ontferming: "Toen de Here haar zag"; Dus: de vrouw, niet de dode. De kern van de zaak is met de opwekking van de jongeling, maar het, herstel van het verscheurde zinloze leven van de moeder; De dood op zichzelf is niet erg; wij kunnen en mogen uiteindelijk ook "in de Here" sterven. Nee, erg is de levensontwrichting, die door de dood veroorzaakt wordt. Maar tegenover de levensontwrichting van "de weduwe van Naïn" blijkt de ontferming van de Heer Jezus van een totaal ander gehalte dan het medeleven van het volk uit de stad. Medelijden, medeleven zouden we kunnen omschrijven als een echo op het leed, terwijl de ontferming van Jezus een antwoord is op het verdriet. Die ontferming wordt in deze geschiedenis door Jezus ongevraagd aangeboden: En daarin onderscheidt d~t gebeuren zich van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus en van de opwekking van Lazarus. In die gevallen werd wel de hulp van Jezus ingeroepen. Maar hier, noch de vrouw, noch het volk van Naïn, noch de schare, die Jezus volgt, vraagt iets. Iedereen lijkt zich liever er stil berustend bij neer te leggen.
Zo kent ieder mens wel die tijden in zijn leven, dat zelfs de vragen verstomd zijn. We lopen mee...maar bidden niet en hopen ook niet. Maar we klagen en verwijten ook niet. Maar, in beslag genomen als we zijn door alles wat met dood en graf te maken heeft, lopen we dan met gebogen hoofd aan Jezus en Zijn -ontferming voorbij. En die ontferming van Jezus is nu juist de ene draad waar heel het gebeuren rond de begrafenisstoet bij Naïn aan hangt. Iets meer of iets anders hoeft er blijkbaar vooraf niet te zijn. Het is niet afhankelijk van ons geloof: er wordt ons tenminste hier niets verteld van geloof bij deze vrouw.
De macht van Jezus over de dood
In Zijn ontferming geeft Jezus de vrouw een haast onmogelijke opdracht: "Ween niet" en. dat terwijl er nog niets gebeurd en veranderd is en de weg naar het graf nog afgelegd 'moet worden. Maar Jezus zègt niet alleen iets, Hij doet ook iets: Hij raakt de baar aan en zet daarmee de dragers stil. In Zijn ontferming zet Jezus de gang naar het graf stil. En dan spreekt Hij weer, een machtswoord. Het Woord van Het Leven tegen de macht van de dood: "Jongeling, Ik zeg u, sta op!". Het Woord schept leven uit de dood. Het lijkt er overigens op, dat wij vandaag minder' hebben dan de mensen toen, die de opwekking in Naïn meemaakten. Tegen ons zegt Jezus niet: "Sta op uit uw doodskist", maar hooguit: "Ween niet en geloof de macht van Mijn ontferming". Vandaag gaan er nog vele begrafenisstoeten naar de graven. De dragers van baren schrijden nog steeds voort. Ja, maar ook vandaag wordt het tot zinloosheid gedoemde leven nog vertrooste -ja zelfs nog heerlijker dan toen. Want toen moest de jongen worden teruggeroepen om de moeder te troosten. Maar onze doden mogen zalig zijn bij. de Here en ze hoeven niet weer terug om ons te troosten. De ontferming van God kent nu andere wegen om te troosten en verscheurde levens te herstellen. Toen wist men van Jezus alleen maar te zeggen: "Een groot profeet is onder ons opgestaan" , maar WIJ nu weten dat Jezus Christus uit de dood. is opgestaan. Zelfs de dood kan ons geen schrik meer aanjagen, kan ons niet meer scheiden van de liefde' van Christus. Door dood en graf heen mogen wij de ontferming van Christus ervaren, waarin Hij het verscheurde en tot zinloosheid gedoemde leven herstelt. En daarin hebben wij vandaag dus niet minder dan de mensen toen, maar meer; omdat wij na de opstanding van Christus leven.