Een kleine gemeente...hoe moet dat? (5)

1985-09-13
  • Jaargang 29
  • nummer 35
In de voorgaande artikelen hebben we gezien, dat het Nieuwe Testament ook in veranderende omstandigheden, ook wanneer een gemeente klein is, ruime mogelijkheden biedt: zowel het ambt aller gelovigen alsook de beide door Christus geschonken ambten van ouderling en diaken maken een gemeente compleet.
Zo’n gemeente kan en mag alles doen wat Christus aan en door zijn gemeente wil schenken. Elke gemeente, die leeft vanuit Christus’ gaven, behoeft niet te klagen of armoedig te doen, doch is rijk.
En het is nodig God te blijven bidden om zijn veelkleurige gaven in de gemeente.

Wij zijn ons ervan bewust, dat hiermee uitgangspunten zijn opgespoord, die wellicht een verdere praktische uitwerking vragen. Misschien komen we dan ergens anders uit dan we hadden gedacht of gewild. Doch dat dienen we dan in alle rust en evenwichtigheid te overwegen. In dit artikel geven we graag nog een aanzet hoe een en ander misschien zou kunnen.

Verantwoordelijk voor de prediking
Als we ten volle tot ons laten doordringen wat we tot nu toe schreven 'dan betekent dit, dat de oudsten door God worden geroepen het evangelie van Jezus Christus te verkondigen, ook in de samenkomsten der gemeente. Met andere woorden: wanneer de gemeente bij elkaar komt, mag er nooit of te nimmer de prediking ontbreken. En als er geen oudste is, die fulltime en gehonoreerd belast is met o.a. "de prediking; dan zullende andere oudsten, óf enkelen van hen óf één, er niet onderuit kunnen om de blijde boodschap van Jezus Christus in de samenkomsten der gemeente bekend te maken.
Het is ook de vraag of in een zogenaamde vacante gemeente (wij gebruiken deze term niet graag meer), de oudsten ermee klaar zijn als zij zonder meer een prediker, zeg maar predikant, van een andere gemeente laten komen. Zou dat ook niet een al te gemakkelijk wegschuiven naar anderen kunnen zijn 'van Gods roeping tot verkondiging? We menen, dat het soms als té vanzelfsprekend. wordt aangenomen: als er geen dominee in eigen gemeente is, dan proberen we zoveel mogelijk 'predikanten van andere gemeenten te krijgen.
Dat gebeurt soms ook met zoveel gemak alsof men nog nooit heeft gehoord, dat de eigen ouderlingen door God zijn geroepen om de kudde Gods te weiden met het Woord. We zeiden: de eigen ouderlingen zijn door God geroepen. Dat wil toch zeggen, dat zij het zijn, die de verantwoordelijkheid er voor dragen, dat de gemeente die boodschap hoort, die nodig is op dát moment. Een herder zal toch de 'kudde daarheen brengen waar het op dat ogenblik goed voor hen is? Eigenlijk is het daarom merkwaardig, dat de ouderlingen de prediking zo maar overlaten aan een predikant, die totaal niet weet wat voor die gemeente op dat moment heel erg nodig en belangrijk is. Natuurlijk is het ook erg moeilijk om van een predikant van buiten te vragen of hij een preek wil maken speciaal voor die gemeente in die omstandigheden.

Hooguit: komt in het gebed iets tot uitdrukking van de situatie. En ook dat lis al weer erg moeilijk.
Hoe zal de predikant in zijn gebed de juiste toon treffen, terwijl hij maar heel kort (meestal) is geïnformeerd? De noden en moeiten niet precies kent, laat staan de mensen, die ze 'betreffen.
Hiermee is nu een zwakke kant aangegeven van onze praktijk: in een vacante gemeente zoveel mogelijk predikanten van elders laten komen. Daarmee is natuurlijk niet beweerd, dat de dominees van elders niet goed preken en men daarvan niet kan genieten.
We willen nog zo'n gebrek aanwijzen. Het kan gewoon niet anders of een bepaalde lijn in de preken van die vele predikanten ontbreekt. Elke preek op zichzelf kan weer uitstekend zijn, doch een eenheid vormen ze niet, gericht op één gemeente. Dit alles afwegend, zouden ouderlingen kunnen gaan overwegen of er niet een andere koers moet worden gevaren en dat zij zelf heel concreet de verantwoordelijkheid voor de verkondiging in hun gemeente gaan dragen, wat ook ken betekenen: minder dominees laten komen en méér zelf de verkondiging verzorgen.

Preeklezen
Als er een predikant ontbreekt, leest meestal een ouderling een door een dominee, geschreven preek voor. We krijgen de indruk, dat de geschreven tekst uit de prekenserie meestal zeer nauwkeurig wordt opgelezen en dat er niet al te I veel wordt veranderd.
Er leeft ook zoiets als een besef, dat er eigenlijk niets mag worden veranderd. Wellicht werken hier nog synodebesluiten uit de zestiende eeuw na, waarin werd vastgelegd, dat lezen mag, doch onder voorwaarde, dat het om een preek gaat, die door een predikant of kerkenraad is aanbevolen en zonder enige toevoeging. Zoals we al opmerkten genieten de zogenaamde leesdiensten niet al te grote waardering.Zeker zal ook de positie van de lezer daarin een rol spelen.
Hij is immers "maar" lezer' en geen dominee. Dat krijgt nog extra accent, doordat de lezer meestal geen zegen uitspreekt en het "u" van de zegen verandert. in "ons" en nooit de armen uitspreidt in een zegenend gebaar. Deze constructie is vreemd en merkwaardig. Geen wonder, dat een gemeente dan de indruk krijgt: dit is geen volwaardige samenkomst. Zou het niet zijn te overwegen ouderlingen net als predikanten gewoon de zegen te laten uitspreken met opgeheven handen? Of zou het niet nog beter zijn te overwegen, daar predikanten en preeklezende ouderlingen geen priesters zijn, het uitspreiden van de armen geheel weg te laten? Immers, in het Nieuwe Testament vinden' we nergens aanwijzingen, dat voorgangers dit gebaar moeten maken. En bovendien: niet wie de zegen uitspreekt zegent. God is de enige die dit kan en doet.


Waardering
De waardering van preeklezen is niet al te hoog, dachten we. Dat doet overigens niet slechts de gemeente, zo'n laag cijfer geven. We geloven, dat ook de ouderlingen zelf een leesdienst vaak niet gelijk waarderen als een dienst met een predikant. We hebben de indruk, dat van een ouderling, die in een leesdienst voorgaat, vaak slechts wordt gevraagd goed te kunnen lezen. Doch we zagen al, dat de ouderling die voorgaat, geroepen is het Woord Gods te verkondigen en dat is iets méér en anders dan lezen. Nu geloven wij, dat leesdiensten ook inderdaad bezwaren hebben, waardoor een juiste waardering wordt belemmerd. We menen, dat daarin vaak nauwelijks verkondiging wordt gehoord, ook al is die er in wezen wel. We zullen wat van die concrete bezwaren noemen:
* Door te spreken over lezen van een preek, wordt het besef van de ouderling geroepen te zijn om het Woord Gods te verkondigen weggeduwd. Omdat voor lezen mindere kwaliteiten nodig worden geacht dan voor prediken, gaan ook ouderlingen, die wel kunnen lezen, doch die niet de gave hebben ontvangen om in de samenkomst der gemeente te prediken, de preekstoel op.
* Een prediker brengt eigen geaardheid en zeggingskracht mee, doch in een preek, door een predikant geschreven, klinkt bij hef lezen door een ander, nog wel iets van de predikant door, doch niet veel of niets van de lezer.
Daardoor ontstaat er iets onechts, Zo hoorden we eens een gevatte en geestige ouderling, die als preeklezer niets meer van zijn schone gaven vertoonde.
* De leespreek is niet gemaakt met het oog op de gemeente van de lezer.
* De leespreek past wat taal en stijl betreft lang niet altijd bij de lezer.
* In de 'uitgegeven preken is geen bepaalde lijn te vinden. Ze hangen onderling als los zand aan elkaar. Dat kan ook niet anders, omdat er niemand is 'die daar iets aan doet en de preekschrijvers hebben daarover dachten we, ook geen overleg.
* De prekenseries, waarin dan wel die gewenste lijn zit, komen toch vaak niet geheel tot zijn recht. Immers, die goede lijn wordt toch steeds doorbraken, omdat men de voorkeur geeft aan zoveel mogelijk predikanten.

* Wat door iemand zelf is gevonden en doorleefd, krijgt meer overtuigingskracht dan wat van een ander wordt voorgelezen.
* Wie van een ander iets voorleest, wordt vaak niet gehoord als iemand, die zelf met een boodschap komt.

Geen predikant - tóch prediking
Geen samenkomst van de gemeente zonder prediking, betekent, dat de leesdienst volop het karakter dient te hebben van dienst des Woords. We denken, dat onze kleine en vacante gemeenten een goede dienst kan bewezen worden, als het de ouderlingen daar eens wat minder gemakkelijk wordt gemaakt. We bedoelen: al die kleine gemeenten In Klein Azië door Paulus gesticht, beschikten toch niet over gedrukte preken van Paulus. We vragen ons af of die kant en klare preken wel zo goed. zijn.
Natuurlijk zijn ze van inhoud goed en als hulp ook- goed bedoeld.
Wij zijn van mening, dat onze gemeenten beter kunnen worden geholpen dan met deze vorm van hulp door middel. van volledig uitgeschreven preken. Met het oog daarop maken we een aantal opmerkingen:
* Ondanks. veel werk bij onze ouderlingen, beschikken ze toch over veel meer vrije tijd dan in vroeger tijden.
* In onze gemeenten zijn veel hoogopgeleide mensen, die tot meer in staat zijn dan tot het voorlezen van andermans woorden.
* Een preeklezer met te weinig tijd en met veel gaven tot verkondiging zou b.v, een dag minder kunnen werken, terwijl de gemeente het salarisverschil betaalt.
* Een gemeente zou kunnen bezien wie in haar midden gaven heeft ontvangen en om die verder te ontwikkelen zo iemand op kosten van de gemeente een jaar naar b.v. een bijbelschool te laten gaan.
* Men zou de pasklare preken eens kunnen vervangen of aan kunnen vullen met uitgebreide raamwerken rond een tekst, waarmee de ouderling toch nog stevig zelf aan de slag moet, doch waardoor het eindwerkstuk (de preek). toch geheel van hem wordt. Zo'n raamwerk zou dan méér moeten bieden dan een preekschets. We denken dan aan:
- plaats van de tekst in de context
- exegetische uitwerkingen
- verbindingen met de leer der kerk
- verwijzingen naar kerkgeschiedenis
- vermelden van literatuur
- toepassingsmogelijkheden: vertroosting, vermaning, aansporing, hoop, enz.
- typeringen van onze situatie i.v.m. de tekst
- voorbeelden van voorbeelden
- mogelijkheden van opbouw van de preek.

* Rond zulke raamwerken zouden instructiedagen of momenten kunnen gecreëerd worden om zo ouderlingen heel praktisch te oefenen om met zulk materiaal te werken.

Geen predikant - tóch sacramenten
Het mag zo langzamerhand wel duidelijk zijn, dat in een gemeente met ouderlingen en diakenen alles kan en alles mag plaatsvinden wat tot Christus' gemeente behoort.
Tot slot nog wat opmerkingen over de bediening van doop en avondmaal.
Het Nieuwe Testament biedt, dachten we, alle ruimte altijd te mogen dopen en altijd de maaltijd des Heren te mogen houden. Wie dit zegt, maakt het niet tot een chaos in de gemeente. Ook dan kan alles in goede orde gebeuren. Vanwege het ontbreken van een predikant hebben heel wat gemeenten doop of avondmaal opgeschoven naar een dag, waarop er wel een aanwezig kon zijn.
Dat vinden wij niet normaal. Wij vinden het al onbegrijpelijk, dat het in onze kerken als heel normaal wordt gezien om wekenlang de maaltijd, des Heren niet aan te richten.
Zou het dáárom ook heel normaal gevonden worden om brood en wijn te bewaren tot een zondag met een predikant? Het moet ons toch echt nog even van het hart, dat wij het heel gewoon en bijbels en tin overeenstemming met alle reformatoren achten, als een gemeente zelfs iedere, zondag brood zou breken. Wij blijven het ook zeer merkwaardig vinden, dat ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven niet verder komt dan het minimum van eens per drie maanden en geen enkele stimulans geeft tot veelvuldig vieren.

Bidden en werken
Kritiek spuien was niet de bedoeling van deze artikelen. We hopen, dat we het een en ander hebben aangedragen, waarmee we verder kunnen. We moeten er nog maar eens over nadenken en praten.
Bovendien: bidden voor onze predikanten, ouderlingen en diakenen, opdat zij hun dienst kunnen verrichten en bekwaamheid ontvangen daarvoor. En: werken om predikanten, ouderlingen en diakenen zo toe te rusten, dat zij met des te meer vrucht hun werk mogen doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief