Christelijke theologie naAuschwitz deel II A (2)

1985-09-20
  • Jaargang 29
  • nummer 36
We hebben een tijd gehad waarin' het christendom eenvoudigweg werd getypeerd als een vrucht van joodse bodem en het Nieuwe, Testament als een, in wezen, joods geschrift. Wie daar dan de kanttekening bij maakte dat het geloof in Jezus Christus en de joodse traditie aan het licht' komt, die kreeg te horen: die tegenstelling is enkel een kwestie van verkeerde exegese. Het Nieuwe Testament is zelf niet anti-iudaïstisch, maar het wordt anti-iudaïstiscb uitgelegd.

'Pro' en 'contra'
De tijd dat men de 'bovenstaande stelling zomaar kon lanceren, \is met het verschijnen 'van het boek van dr Jansen verleden tijd geworden.
Als het ergens helderheid schept, dan wel op het punt dat in het Nieuwe Testament naast de verbondenheid van jodendom en christendom ook de tegenstelling tussen beide gestalte heeft gekregen. Van christelijke zijde moeten we er niet langer meer omheen draaien: de. bron van ons geloof, het Nieuwe Testament, laat ten opzichte van het jodendom zowel een duidelijk 'pro' als een krachtig 'contra' horen. Deze stand van zaken moeten we niet versluieren door 'het 'contra' op conto van een falende exegese te schrijven. Het Nieuwe Testament heeft als zodanig zowel een pro-joodse als een anti-joodse strekking. Dat is de teneur van dr Jansen's boek. Deze ondubbelzinnige vaststelling betekent naar mijn overtuiging winst voor de doorgaande bezinning op de verhouding jodendom-christendom.

'Pro' zonder 'contra'
Aan deze feitelijke constatering voegt dr Jansen nu zijn persoonlijke stellingname toe. Hij verklaart namelijk met zoveel woorden, dat !hij het Nieuwe Testament, waar dat antithetisch over joden of jodendom spreekt, niet meer voor zijn rekening wil nemen. Alleen waar het Evangelie zich beweegt binnen de grenzen van de joodse geloofsgeschiedenis blijft het voor hem geloofwaardig Dr Jansen meent deze persoonlijke stellingname ook wetenschappelijk te kunnen onderbouwen. Het oorspronkelijke Evangelie; zo stelt hij, was geschreven in het hebreeuws en was een oorkonde van de joodse geloofsgeschiedenis. De tegenstellingen die er in voorkwamen, lagen op binnen joods terrein. Het anti-judaïsme daarentegen is er naderhand, als een gevolg ban heiden-christelijke bewerking, ingebracht De antithese tussen het geloof in Jezus als de Christus en de joodse wijze van geloven is secundair. Die hoort eigenlijk niet in het Nieuwe Testament thuis. We
moeten weer terug naar het oorspronkelijke Evangelie. Als dr. Jansen's theorie juist ZQU zijn, zou de kerk moeten gaan leven bij een gereconstrueerd Evangelie. Daarbij zou het volgende selectiecriterium gehanteerd dienen te worden: wat in het Nieuwe Testament valt binnen de grenzen van de joodse geloofsgeschiedenis behoort tot dat oorspronkelijke Evangelie, wat daarbuiten valt 'behoort er niet toe. Oftewel: wat in het Nieuwe Testament binnen joods bestek valt is uit God; en alles wat antithetisch tegenover het jodendom staat is uit de mensen. Het door dr. Jansen genoemde selectiecriterium is in de praktijk erg. moeilijk te hanteren, gezien de veelkleurigheid van het jodendom ten tijde van het begin van onze jaartelling: op essentiële punten was het onderling sterk verdeeld. Maar wat de doorslag geeft: dat zogenaamde oorspronkelijke Evangelie zou een ander Evangelie zijn dan het Evangelie, zoals de apostel dat, na het zelf ontvangen te hebben, aan de gemeente doorgaf (vgl. (Kor. 15 :1-3). Maar laten we er een, ogenblik vanuit gaan dat dr. Jansen gelijk heeft. Als het oorspronkelijke Evangelie geheel en al valt binnen de grenzen van de joodse geloofsgeschiedenis, dan is daarmee alle grond onder het bestaan van de christelijke geloofsgeschiedenis weggevallen. Ook de christelijke theologie, zowel vóór als na Auschwitz, heeft dan haar bestaansrecht verloren omdat die niet gegrond is in het oorspronkelijke Evangelie, maar op -een verbastering daarvan, Er zijn in feite maar twee mogelijkheden: of we ontvangen alle boeken van het Nieuwe Testament voor heilig en canoniek (zie art. 5 NGB) en zijn als kerk ook op de inhoud van die boeken aanspreekbaar. Of we distilleren een Evangelie uit ihet Nieuwe Testament. Maar dat wordt dan onherroepelijk een Evangelie naar (de subjectieve normen van) de mens.

Tekst en uitwerking
Dr Jansen is op zoek naar wortels van het antisemitisme in het Nieuwe Testament. Opvallend is, dat hij daarbij niet eerst tiaar de tekst zelf kijkt, maar naar de uitwerking die een Schriftwoord heeft gehad. Hebben christenen Zich in de loop van de geschiedenis op een bepaald woord beroepen om daarmee de haat tegen de joden te legitimeren, dan is dat
voor dr. Jansen al heel snel een bewijs dat die, tekst een kiem van antisemitisme in zich draagt. Zo wordt de tekst van het Nieuwe Testament methodisch niet meer onderscheiden van de uitwerking die de tekst heeft gehad. Nemen we als voorbeeld Mattheüs 27 : 25: "En heel het volk antwoordde en zei: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen".
Deze tekst is inderdaad gebruikt, door mensen die zich christenen durfden te noemen, om de dood van Jezus op joden te wreken. Daarmee leverden deze mensen echter het bewijs, niet van de antisemitische inhoud van deze tekst, maar van hun eigen geloofsafval.
Zo zijn er ook plaatsen in het Nieuwe Testament die de vervolging van de eerste christenen door de joden aan de kaak stellen. Eén van de meest bekende is 1 Thessalonicenzen 2 : 14-16.
Vormen die nu een wortel van het antisemitisme omdat christenen ze hebben aangegrepen om later joden te vervolgen? 'Beslist niet. Ze beschrijven de situatie zoals die toen was. En niemand, die Christus oprecht .wil volgen, zal zich op dergelijke passages kunnen beroepen om daarmee de haat tegen joden aan te wakkeren. Want er staat geschreven: "hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen" (Matth. 5 : 44). Iedere christen die een woord uit het Nieuwe Testament misbruikt om daarmee enige vorm van antisemitisme te propageren, staat schuldig aan het woord van Jezus Christus zelf. Ondertussen mogen we er niet aan voorbijgaan, dat er in de boeken van het nieuwe verbond passages voorkomen die voor joden een werkelijke beproeving zijn. We moeten als christenen daar niet te licht over denken. Deze zelfde Schriftplaatsen; ze zouden voor christenen wel eens een proef kunnen zijn. Een testcase, of wij het geding met hen die in het geloof aan de Vader aan .de Zoon voorbij gaan wel geestelijk beleven, zonder gevoelens van persoonlijke haat. Zoals Israël de tegenstelling met Edom, die in talloze profetieën aan de orde wordt gesteld, niet mocht beleven op het niveau van de persoonlijke haat. Want in de wet stond geschreven: "De Edomiet zult gij' niet verafschuwen, want hij is uw broeder" (Deut. 23 : 7). Gaat het in de door ons bedoelde passages ruit het Nieuwe Testament inderdaad om een testcase, dan zullen wij er 'Voor uit moeten komen, dat velen die Zich christenen lieten noemen deze proef niet hebben doorstaan.
Psychologie Ik heb ervan staan te kijken, hoe Dr. Jansen de inderdaad soms felle uitvallen naar joden in het Nieuwe Testament, die hij enerzijds brandmerkt als wortels van het antisemitisme, anderzijds verregaand relativeert door ze psychologisch te verklaren: We zouden ze moeten zien in het licht van de psychologie van de afgewezen minnaar. De kerk had gedacht werkelijk alles te kunnen zijn voor haar geliefde, Israël. Maar Israël wees Jezus af als Messias en daarin de kerk. Van daaruit, zo gaat dan de redenering, is het gemakkelijk te begrijpen dat de kerk vervuld was van haat en wrok tegen de synagoge. Dat is toch diepmenselijk? En dat er sporen van die haat in het Nieuwe Testament terecht zijn gekomen, dat lag toch voor de hand? Dr .Jansen is van deze wijze van verklaren kennelijk 'zeer gecharmeerd. Maar de lezer vraagt zich verbijsterd af: zijn al die uitspraken in het Nieuwe Testament die hij aanwijst als wortels van het antisemitisme vanuit de situatie waarin ze voor het eerst geklonken hebben nu ineens vergefelijk? Steekt het kwaad dan toch in het misbruik wat men later van die teksten heeft gemaakt en niet in de nieuwtestamentische tekst zelf?
Overigens denk ik dat we met een psychologische verklaring als de hierboven genoemde erg voorzichtig moeten omspringen. Dergelijke verklaringen werpen misschien wat licht op de oppervlakteverschijnselen, de werkelijk gronden van het schisma tussen kerk en synagoge leggen ze beslist niet bloot.

Het hart van de zaak
Een beperkt aantal teksten uit het Nieuwe Testament, met name Johannes 8: 44, 1 Thessalonicenzen 2: 14-16 en Mattheüs 27 : 25, komt in het boek van dr. Jansen keer op keer ter sprake. Dat was ook te verwachten. In de eerste passages wordt in zeer scherpe bewoordingen over de joden gesproken' en de laatste tekst ("Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen...") is al te vaak misbruikt om het joodse volk in zijn lijden aan zijn lot over te laten of zelfs om regelrechte haat tegen joden te legitimeren.
Wie echter kennis neemt van alles wat de schrijvers die dr Jansen in zijn werk aan het woord laat naar voren brengen, die vindt duidelijke aanwijzingen dat het anti-judaïsme van het Nieuwe Testament niet alleen in de genoemde passages wordt gesignaleerd, maar 'Ook in teksten waarin de kern van het Evangelie wordt verwoord. Zo wijst Pinchas Lapide op Johannes 3 : 16: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar 'eeuwig leven hebbe", In dit woord klinkt de hartslag van het Evangelie. Maar volgens Lapide, zelf een jood, is het een woord dat haaks staat op het wezen van de joodse religie. Dat God een mensenoffer nodig heeft om zijn schepping met zichzelf te verzoenen, dat Hij, de Heer der wereld, zonder een bloedig offer geen mens zou kunnen rechtvaardigen, is voor geen enkele jood te begrijpen en in strijd met de joodse traditie van alle eeuwen.
Ook als Pinchas Lapide de verkondiging van Paulus structureel anti-judaïstisch noemt, brengt hij niet in de eerste .plaats de uitspraak van de apostel in 1 Thessalonicenzen 2 : 14-16 ter sprake, maar heeft hij het oog op diensprediking van Jezus Christus als de Gekruisigde (2 Kor. 5 : 15; Gal. 3 : 13 en Rom. 3 : 25). "Dit hart van de theologie van Paulus en Johannes", zo geeft dr Jansen de conclusie van Lapide weer, "klopt nergens in de joodse traditie en daarom kunnen nieuwtestamentische woorden joden alleen maar anti-judaïstisch in de oren klinken" (555).
Naar mijn overtuiging wordt 'hier de :kwestie zuiver gesteld. Het enkel bezig zijn met de bekende anti-joodse passages in het Nieuwe Testament, leidt af van het eigenlijke anti-judaïsme daarin: de verkondiging van een gekruisigde Messias, die voor joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is (1 Kor. 1 : 23). En hoewel een gekruisigde Christus niet strookt met de joodse noch met de heidense 'Godservaring' , toch is Hij' degene die de tegenstelling tussen jood en heiden opheft door "de twee, tot één lichaam verbonden, weer met God te verzoenen" (Ef. 2 : 16a). Maar de plaats waar die verzoening tot stand werd gebracht is ,,:het kruis waaraan Hij de vijandschap gedood heeft" (Ef. 2 : 16b).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief