Demonen bestaan niet

2011-06-10
  • Jaargang 55
  • nummer 12
Diederik van Oord besprak in de Opbouw van 13 mei een boek van Jan Huitema. Van Oord schrijft dat ‘veel christenen wat ongemakkelijk worden als het over demonen of boze geesten gaat’. Ad Ruiter uit Utrecht herkende zich in die zin bij de lezing van het boekje van Huitema en de recensie en kwam met onderstaande bijdrage.
We vroegen de recensent om op het ingezonden van Ad Ruiter te reageren. Dat schrijven vindt u op p.19.

In het boek Was er maar niets tussen hemel en aarde (besproken in Opbouw 55-10, 13 mei) spelen demonen, ook wel aangeduid als boze machten/geesten, een belangrijke rol.
Ik las zelf het betreffende boek enkele maanden geleden en was er niet gelukkig mee. Niet alleen omdat het oud nieuws is - deze ideeën kwam ik een jaar of vijftig geleden al tegen – maar vooral ook vanwege de onrust die zulke boeken steeds weer veroorzaken.

Het punt waar het om gaat is dat veel mensen (ook christenen) nog steeds vasthouden aan achterhaalde denkbeelden over onzichtbare wezens die ons kwaad zouden kunnen doen. Die opvattingen hangen samen met het oude wereldbeeld, waarin men uitging van een wereld met goede en kwade geesten. Ook in Bijbelse tijden dacht men nog vanuit dat wereldbeeld en dus is het niet vreemd dat je in de Bijbel leest over kwade geesten en duistere machten. Zo werd Maria Magdalena door de Here Jezus bevrijd van zeven kwade geesten. In het onder ons gebruikelijke jargon zouden we misschien zeggen dat ze van een ernstige psychose werd verlost.
Soms hebben we wat hulp nodig om de bedoeling van de oude geschriften te begrijpen die samen de Bijbel vormen.
Het gaat niet zonder uitleg en vertaling van het toenmalige wereldbeeld in het huidige. En dat zonder de Boodschap aan te tasten.
Want geloof in boze geesten heeft soms nare gevolgen, veraf en dichtbij.
Zo vertelde een zendeling-arts, ergens in Afrika, me over de problemen waarvoor hij en zijn medewerkers kwamen te staan. Onder andere was dat de diepgewortelde angst voor kwade machten, die maar uiterst moeizaam verdween. Al had hij soms ook succes. Zo leerde hij op het onderzoekslaboratorium, waar hij leiding aan gaf, een jongen van twaalf jaar hoe belangrijk het is om steriel te werken. ‘Want’, zei hij, ‘er bestaan wezentjes (bacteriën), die je ziek kunnen maken, maar die je niet kunt zien’. Tot zijn verrassing reageerde de jongen met: ‘Maar dokter, daarin geloven we toch niet meer nu we christen zijn geworden!’ Wat een zegen voor die jongen dat hij de essentie van het geloof wel had begrepen!

Deze angst voor kwade machten heb ik ook wel geproefd in contacten met bijgelovige landgenoten. Ik kan er maar één antwoord op geven: demonen leven alleen in de gedachtewereld van mensen. In werkelijkheid bestaan er geen geesten die allerlei kwaad uithalen.
Daarvoor moet je uitgerust zijn met ver ontwikkelde hersenen en er is maar één soort die daarover beschikt en dat is de mens. Geloof in demonen onder ons dient dus te verdwijnen.
Eigenlijk had het al lang weg moeten zijn.
Mensen beelden zich vaak van alles in - met alle angst van dien - en moeten daarvan worden verlost. Gelukkig bestaan er onder ons zielzorgers met een open oor voor de ellende, die zich tussen de oren kan bevinden. In de kerk die mijn vrouw en ik elke zondag bezoeken, wordt na de ochtenddienst altijd gelegenheid geboden om, in geval van persoonlijke noden, ziekten of andere moeilijke zaken, in kleine kring samen te bidden. Eigentijds en tot zegen.

Dr. Ad Ruiter is lid van de NGK Utrecht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief